zondag 19 december 2010

Partir c’est mourir un peu

Om half twaalf stopt er een grote stationcar voor ons huis. ‘Ze zijn er al!’ Terwijl ik de stofzuiger nog snel met een paar laatste halen door de keuken trek en H. een slordige stapel post van de tafel verwijdert, doet mijn gastzoon M. de deur open.
Zijn ouders hebben we al eens ontmoet. Zusje en oma niet. Maar het maakt niet uit. We kennen elkaar toch. In de vier maanden dat M. bij ons woonde, heeft hij heel wat verteld over zijn familie. En via telefoon en computer zijn zij ook goed geïnformeerd. Dat blijkt uit de cadeautjes die ze voor ons hebben meegenomen.
H. krijgt zijn favoriete Belgische biertjes. In mijn pakjes zitten de wijnglazen die ik niet voor Sinterklaas kreeg. Voor J. is gezocht naar mangastrips, maar die konden ze helaas niet vinden. Dan maar veel Belgische chocola. Altijd goed. Als ik als gastmoeder nog een extra cadeau uitpak, schiet ik vol. Het is een mooie doos met schrijfpennetjes en kleine potjes inkt. Precies dat waarvoor ik stil zou staan als ik het in een etalage zag. Hoe kunnen vreemdelingen uit Brussel je zo goed kennen.
In het half opgeruimde huis praten we Frans en Nederlands door elkaar. We hebben elkaar van alles te vertellen en te laten zien. We lopen door ons besneeuwde dorp, koken en eten met z’n allen en de dag is zo om. We maken foto’s met M. tussen zijn beide gezinnen en we spreken af dat we elkaar weer gaan zien. In Brussel.
Dan wordt het stil. Tijd voor het afscheid. Iemand voor wie ik vier maanden moeder heb gespeeld, kan ik niet met droge ogen laten gaan. Het is wederzijds en ook zijn echte moeder zie ik iets wegslikken. Veel omhelzingen later staan we in de sneeuw te zwaaien.
De auto verdwijnt de hoek om en we gaan naar binnen
in een stil huis.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Rood fruit

Na twee weken fietsvakantie zetten we de fietsen weer in onze eigen schuur, laden de tassen af en maken koffie in onze eigen keuken. Tot z...