zaterdag 3 oktober 2015

Taalles

Het schoolplein van de basisschool is op woensdagmiddag uitgestorven. Ik zet mijn fiets op de standaard en probeer het hek open te maken. Dat lijkt op slot te zitten. Ik loop om de school heen, maar alles is afgesloten en stil. Als ik bij mijn fiets terugkom, zie ik iemand het hek open doen. Je moet gewoon eerst een klepje omhoog doen.
‘Het is meteen de trap op en dan links af,’ is me uitgelegd. In het lokaal staan een paar mensen en als ik binnenkom, komt de docente enthousiast naar me toe.
“Nóg een klassenassistent! Wat hebben we lekker veel mensen vandaag!”

Ik heb me aangemeld bij Vluchtelingenwerk. Al een tijdje denk ik na over vrijwilligerswerk en nu er zoveel vluchtelingen zijn die hulp kunnen gebruiken, wil ik dát bieden waar ik goed in ben: hulp bij de Nederlandse taal. Er is behoefte aan klassenassistenten en taalcoaches. Voor beide functies is het handig om eerst een taalles bij te wonen.
Als iedereen binnen is, blijken er 6 helpers op 9 cursisten te zijn. Riant!
Na een rondje voorstellen, begint de les met het woord wanneer. Er moeten zinnen bedacht worden met dat woord.
Wanneer ga je naar Nijmegen?
Wanneer moet ik terugkomen?
Alle zinnen worden op een whiteboard geschreven. Sommige cursisten gebruiken een verkeerde woordvolgorde en dan zegt de juf mild: ‘Bíjna goed’ en schrijft de zin goed op het bord. Bilal, die in het voorstelrondje vertelde dat hij een baan als autospuiter heeft, komt met de zin:
Wanneer is de auto klaar?
Er wordt herkennend gelachen en overmoedig komt hij dan met
Wanneer is de auto gepolijst?
Uitleggen wat dat woord betekent is te hoog gegrepen.
Het hele bord wordt gevuld met wanneer-zinnen en daarna wordt de klas in groepjes verdeeld met de opdracht een gesprek te voeren alsof je in een kledingwinkel kleren koopt.
Drie leerlingen en twee assistenten per groepje. Deze cursisten spreken al behoorlijk Nederlands en de gesprekken zijn geanimeerd. Na een houterig begin komen ze op dreef. ‘Deze broek is te duur’, zegt de ‘klant’, maar de verkoopster zegt ‘het is goede kwaliteit’.  Ze willen graag het verschil weten tussen ‘Kan ik dit ruilen’ en ‘kan ik dit terugbrengen’ en schrijven alles ijverig op.

In het volgende les-onderdeel wordt achter computers aan opdrachten in het lesboek gewerkt. De docente vraagt mij of ik mevrouw Mokamil wil helpen, die niet met een computer werkt. Het is een kleine Afghaanse die de hele les weinig heeft gezegd. Ze pakt haar boek en wijst aan waar ze gebleven is. Een opdracht over lettergrepen en klemtonen. Mevrouw Mokamil leest de opdracht hardop voor en ik kan horen dat ze er niets van begrijpt. Ik vraag of ze begrijpt wat lettergrepen zijn en probeer het uit te leggen. De opdracht is om een aantal woorden in lettergrepen te verdelen en aan te geven waar de klemtoon ligt. Ze komt er niet uit en ik besluit het bij de betekenis van de opdrachtwoorden te houden. ‘Binnenkort’. Weet u wat dat betekent?
Ze aarzelt. ‘Binnen’, zegt ze, ‘eh – in een huis?’
We worstelen een half uur met de woorden in het lesboek en daarna is het tijd voor een koffiepauze.

De les duurt tot vier uur. Er gaat geen bel en als de juf zegt dat de les is afgelopen, blijft bijna iedereen nog even schrijven. De cursisten zijn heel gemotiveerd. Dat geldt ook voor de vrouw waar ik taalcoach van wordt. Over een klein jaar doet ze inburgeringsexamen en volgende week ga ik voor het eerst naar haar toe. Ik ben heel benieuwd en ik heb er zin in.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...