Met twaalf liter water, verdeeld over twee fietstassen, rij ik langs het landweggetje. Ongeveer een kilometer van huis zet ik m’n fiets in de berm en met de eerste tweeliterkan waad ik door het hoge gras, brandnetels en berenklauwen ontwijkend, naar de slootkant. Er mag dan een sloot zijn; water zit er niet in. Helaas.
Anderhalf jaar geleden hebben we hier met Vrijwillig LandschapsBeheer een rij jonge wilgen neergezet. Na het knotten op een andere plek kozen we een stapeltje geschikte, polsdikke takken van zo'n 2,5 meter lang uit om te planten. Peuters noemen ze die. Je moet ze onderaan een beetje afschillen, een gat in de grond boren om ze in te zetten en dan de grond stevig aandrukken.We hadden de takken klaargelegd om een week later te planten. Met de onderkanten in de sloot, waar toen wél water in zat. Ongewild bleken we daarmee een snackbar voor bevers te hebben gemaakt, met als specialiteit ‘Willow-to-go”. Bijna al onze peuters waren meegenomen en wat er nog lag, was keurig ontveld. Konden we weer opnieuw beginnen.
Wilgen zijn makkelijke groeiers, maar ze hebben wel water nodig. Vorig jaar was de zomer zo droog dat op een enkeling na al onze geplante jonkies het loodje legden. En daar hadden de bevers niets mee te maken.
Dit voorjaar haalden we alle overleden boompjes weg en plaatsten een rij nieuwe peuters. En weer is het droog. Ik fiets vaak langs deze plek en toen ik de arme jonge wilgjes daar steeds zieliger zag verpieteren, nam ik me voor om er in elk geval een deel van te redden.
Twaalf liter water, dat is voor zes peuters elk twee liter. Al vier keer heb ik ze deze week zo’n extraatje toegestopt en ik hoop dat dat nét genoeg is om ze te laten overleven. Maar nog meer hoop ik dat er binnenkort een paar flinke plensbuien vallen, zodat de hele rij een kansje maakt. We zullen zien.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten