vrijdag 15 maart 2013

Wazige vader


"Hee", zegt mijn vader als ik naast hem aan tafel ga zitten.
Er staat een bord voor hem met een paar blokjes brood en een lege melkbeker er op.
Zijn blik is een beetje glazig.
"Hoe is het?" Vraag ik en hij herhaalt "hoe is het", zwijgt even nadenkend en zegt dan "hoe is het met jou?"
Ik zeg dat het goed gaat en dat hij de groeten krijgt van thuis. Hij knikt vaag en ik vertel hem iets over mijn afgelopen vakantieweek.
Ik weet niet of hij het volgt. Hij verstaat me slecht. Vraagt vaak wat ik zeg of zegt iets dat ik niet thuis kan brengen. Koffie drinken wil hij wel. We gaan met de lift naar het restaurant, waar hij rond kijkt alsof hij er nooit eerder is geweest. Als ik koffie haal, valt hij in slaap.

Hij klaagt dat hij niet lekker zit. Alsof ie aan z'n rolstoel plakt. En hij moet naar de w.c.
Daarvoor moeten we naar boven. "Hee", zegt hij tegen het meisje dat hem komt helpen, "jou heb ik eerder gezien."
Weer terug in het restaurant haal ik een plakje krentenbrood voor hem. Met boter en suiker, daar houdt hij van. Ik probeer met hem te praten, maar hij reageert op flarden die hij opvangt van tafeltjes om ons heen. "Zei iemand mijn naam? Dat hoorde ik toch." Hij zoekt naar bekenden, maar als iemand langsloopt die hem groet, kijkt hij langs haar. Tot ik haar naam noem en zegt waar hij moet kijken.
Hij vergeet zijn krentenbrood. Als ik hem er op wijs, neemt hij een hapje, houdt de rest van het kwart in zijn hand tot het uit elkaar valt. Zijn ogen zijn weer dicht gevallen.

Het wordt druk in het restaurant. Een groep vrijwilligers komt alles klaarzetten voor een poffertjesfestijn. We gaan naar boven om even rustig op zijn kamer te zitten. Ik vraag me af hoeveel er tot hem doordringt van alles om hem heen. Hij lijkt half te slapen. We zitten een uurtje bij elkaar. Ik vertel hem over zijn huis, waar ik een paar dagen was, over oude foto's die ik vond, over een maquette die hij ooit gemaakt had. Hij reageert lauw.
Om half twee is er drukte in de gang. De vrijwilligers komen mensen halen om poffertjes te eten.

Mijn vader slaapt. Ik twijfel over wat ik moet doen. Om twee uur moet ik naar een afspraak. Bijna iedereen gaat poffertjes eten. Als ik straks weg ben, zit hij op een vrijwel lege afdeling.
Ik praat even met de activiteitenbegeleidster die hem goed kent. We komen tot de conclusie dat ik hem maar het beste naar het restaurant kan brengen.
Zachtjes schud ik aan zijn schouder. Ik zeg dat ik straks weg moet. "Waar moet je heen?" Vraagt hij. Eerst naar een afspraak, en dan naar huis, vertel ik hem.
"Dan moet ik ook maar naar huis gaan"

We gaan naar beneden, met de stroom mee het restaurant in. Ik zoek een plekje voor hem tussen bekende gezichten en neem dan afscheid. Hij wil weten waar hij zijn rolstoel kan laten als ie vertrekt. Waarom ik weg ga. Waarom ik pas over een week weer kom. Ik heb geen antwoorden. Alleen nog dag en ik moet gaan en tot volgende week. Hij protesteert niet. Ik moet rennen om de bus te halen.

Het regent. Bij het Centraal Station in Amsterdam staan 2 jongens muziek te maken. Een mooi, melancholiek liedje. Ik slik een brok weg en gooi twee euro in hun bakje. Dan neem ik de trein naar huis.

 

 

3 opmerkingen:

  1. Mooi, Hilly. Herkenbaar ook, natuurlijk. Volgende week kan hij helderder zijn, maar er vallen steeds grotere gaten, zoveel is zeker. Sterkte.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Dikke knuffel voor jou Hilly. Het valt allemaal niet mee. Ik denk aan je.
    Groetjes Anneke xxx

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Sterkte Hilly, wat valt dat tegen hè.

    BeantwoordenVerwijderen

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...