zaterdag 9 november 2013

Een kunstheup. Mag ik even een potje janken?

Ik wist dat de mogelijkheid bestond. Als ik pech had, zou de breuk in mijn bot de bloedtoevoer naar de kop van de heup teveel belemmeren en dan kon die afsterven.
Pas toen de orthopeed me op de foto aanwees wat er gebeurde, begreep ik dat het andersom was geweest: als ik geluk had, zou het goed gaan. Zoveel geluk had ik dus niet.

Door volhardend te oefenen was ik weer zover dat ik een kilometer kon lopen zonder krukken. Een beetje hinkend nog, maar toch. Maar op een dag ging het niet meer. Zakte ik door m’n been, hoe ik ook probeerde om het stevig neer te zetten.

In het ziekenhuis heb ik weer twee krukken nodig om de lange gangen door te komen. Van de fractuurpoli naar de röntgenafdeling en terug en dan mag ik meteen door naar de orthopeed. Die bevestigt mijn bange vermoeden dat het foute boel is en dat ik alsnog een kunstheup moet. Geduldig wacht hij tot ik m’n neus gesnoten en drie keer diep ingeademd heb en net zo geduldig beantwoordt hij al mijn vragen. “Kun je het hebben om meteen een afspraak voor een operatie te maken?” vraagt hij dan voorzichtig, en betraand maar vastberaden knik ik ja.

Dus wordt de ziekenhuisdag nog langer. Samen met H. ga ik naar het restaurant om iets te eten, want over een uur kunnen we terecht bij een verpleegkundige om de opname te bespreken. ‘Binnen drie weken’, heeft de orthopeed gezegd, ‘en als alles vol gepland is, moet er iemand anders wijken.’ Vakkundig weet de dame achter de balie me in het operatieschema te proppen; er hoeft niemand voor mij afgezegd te worden.

Er volgt nog een gesprek met de anesthesist en dan moet er nog bloed geprikt worden. Om kwart voor vier hink ik naast H. naar de parkeerplaats. Met een zucht vanuit mijn tenen kruip ik moeizaam in de auto en ik probeer aan het idee te wennen dat ik opnieuw geopereerd moet worden.

H. omarmt opgewekt zijn rol als mantelzorger. Hij rekent me voor hoeveel specialisten zich vandaag met me beziggehouden hebben en zegt dat het toch fijn is dat het allemaal zo snel kan. Zonder meer maakt hij zich vrij om me te brengen en halen. Hij spreekt me moed in en rijdt me naar huis. Ik zet m’n tanden op elkaar en besluit om zo weinig mogelijk te zeuren. Maar mag ik wel eerst even een potje janken? Daarna zal ik weer positief zijn.




1 opmerking:

  1. Nou, dat is schrikken. Wat een pech!
    Wens jou (en jouw mantelzorger) veel sterkte toe.

    BeantwoordenVerwijderen

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...