zondag 15 januari 2017

Stinkende soep met een laagje ijs

De zon schijnt en we hebben zin om even naar buiten te gaan. We lopen langs de sneeuwige rand van het dorp en stappen nieuwsgierig over een omgevallen hek om te constateren dat een kleine twintig jaar na de eerste belofte de Beuningse Plas er nu echt lijkt te komen. Er is een geul gegraven met daarlangs een pad en het omgevallen bouwhek had ons moeten tegenhouden bij een toekomstig parkeerplaatsje voor fietsen. Verderop staat een houten gebouwtje met reclame voor een buurman die in auto’s handelt. Het is het honk van Watersportvereniging de Beuningse Plas.

Toen die in 2007 werd opgericht, maakten we ons daar vrolijk over. De aanleg van die Plas was toen al zo lang aangekondigd dat het op een mythe begon te lijken. Maar ook zonder de grote recreatieplas blijkt de vereniging bestaansrecht te hebben. Ze organiseren in de zomermaanden leuke dingen op het aanwezige water in de wijk, zoals zeillessen voor kinderen in Piraatjes en een lampionnenvaartocht door de vaarten.

Als we over het bruggetje lopen van waaraf we zicht hebben op onze eigen achtertuin, zien we achter het waterterras onze kano liggen. Die halen we ieder najaar uit het water om ondersteboven te overwinteren op de vlonder, maar deze keer zijn we dat vergeten. Meteen als we thuiskomen, lopen we door naar het water om te kijken hoe het met de boot staat. Het arme ding staat haast tot de rand toe vol water, afgedekt met een dunne laag ijs.
 
Terwijl ik nog zoek naar tuinhandschoenen en een hoosbakje, is H. al met een emmer bij de boot. Op z’n knieĆ«n zit hij water te scheppen uit de kano, waar een zware rioolgeur uit opstijgt. Onder het laagje ijs zit een soep van rottend blad, die we ademloos overboord scheppen. Na honderd liter heb ik iets roods gevangen. Het blijkt een kreeft te zijn. Ik wist niet dat we die hier hadden in het water en ik heb geen idee hoe het beest in de kano terechtgekomen kan zijn. Hij heeft het niet overleefd en we geven hem een zeemansgraf in zoet water.
  
 
Het is geen fris karwei, maar we maken het dapper af. De hele boot moet leeg en dan trekken we het ding op de kant en draaien we hem om, zodat ie niet weer vol water komt te staan. Voor alle eerlijkheid moet ik zeggen dat het vooral H. is die het zware werk doet. Ik help een beetje met trekken en sturen, maar in m’n eentje zou ik er weinig van terechtbrengen. Aan de bodem van de kano kleeft stinkende prut, maar dat laten we maar even zo. Binnen wassen we grondig onze handen. Tevreden over de wandeling en de geklaarde klus. Zo staat m’n bootje voorlopig goed. Vaarklaar maken doen we wel weer in het voorjaar.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...