woensdag 2 mei 2018

Eut m'n aigen teun


Ze ruiken zo lekker, lelietjes van dalen. Dit jaar heb ik er meer dan ooit in de tuin. Lelietjes van dalen doen me denken aan mijn schoonvader. Hij had ze vlakbij de achterdeur staan en gooide er altijd liefdevol de koffieprut bij. Daar gedijden ze goed op.

Een lieve man was het, m’n schoonpapa. En ik heb hem vooral op m’n netvlies zoals hij door de tuin liep. Als we op bezoek kwamen, deed ik vaak even een rondje tuin met hem. Dan keken we wat er bloeide, plukte hij hier en daar de uitgebloeide bloemen weg, wees me pollen die te groot werden en waar ik best een stukje van mee mocht hebben.

Later, toen hij in een verpleeghuis woonde, namen we hem soms met z’n rolstoel mee naar buiten. Dan wees ik hem wat ik zag bloeien in de tuinen en noemde de namen. O ja, dan wist hij het weer: seringen, vingerhoedskruid, akelei.

De akelei die ik ooit van hem kreeg, komt nog steeds ieder jaar op in mijn tuin. En net als de lelietjes, doet die me aan hem denken. Witte, geurige lelieklokjes en paarse akelei. Ze passen mooi bij elkaar. Ik haal er wat binnen en zet ze op de keukentafel in een vaasje dat bestaat uit vijf flesjes naast elkaar.
Ergens in m’n hoofd hoor ik in zangerig Zaans: heee, heb je die eut je aigen teun?  Ja pa. Leuk hè

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...