zondag 2 juni 2019

Tuintjesmarkt

Het ganzeneiland, zo heet dit pleintje niet ver van mijn huis. In
de tuin van één van de zestien huizen zit een meisje van een jaar of elf, twaalf achter een tafel waarop spulletjes staan uitgestald. Ik stap van mijn fiets en loop naar haar toe.
“Ach, je zit wel uit de route hè. Komen er wel wat mensen?”
Ze lacht vriendelijk.
“Ja hoor, straks komen er een paar vriendinnen.”
Ik bekijk haar kraampje en kan het niet over mijn hart verkrijgen om niets te kopen. Ik kies een paar oorbelletjes uit voor één euro. Dan heeft ze in elk geval alvast íets verkocht.

Het is vandaag Garden Sale. Verkoop van spullen in de eigen tuin van mensen op adressen in het hele dorp. Er stond een lange adressenlijst in de plaatselijke krant die ik heb uitgeknipt. Ik hou van rommelmarkten.

Het is heerlijk weer om buiten te zijn. Ik laat de lijst in m’n tas zitten en fiets op goed geluk verder. Bij een bord met een pijl en “Garden Sale” sla ik af. Ik zie meteen dat in deze straat mensen meedoen. Op het erf van een boerderij staat van alles uitgestald. Een vrouw zit op haar hurken te wieden. Ik zet m’n fiets neer en bekijk de spullen.
“Handig,” zeg ik, “dat je meteen in de tuin aan het werk kunt zijn.”
We maken een praatje over het weer en ik ga naar de kraam verderop.
Ook daar ben ik de enige klant en een slissend meisje met een beugel doet ernstig haar best om me iets te verkopen. Haar ouders zitten er gezellig op tuinstoeltjes bij. Jammer, ik zie niks dat ik wil hebben en wens haar geluk met de volgende bezoekers.

Zo fiets ik kriskras door het dorp. In sommige straten doen veel tuinen mee en is het druk. Op andere plaatsen zit iemand eenzaam rond te kijken. Bijna overal maak ik een praatje met de mensen die er zitten. En soms vind ik iets dat ik wel wil kopen. Een boek, een handige tas, een zak walnoten. Op een groot terrein vol opklaptafels met diverse spullen krijg ik het aanbod om een stapeltje mandjes waar ik even naar kijk gratis mee te nemen. Ik hoef ze niet, maar het levert wel een grappig gesprek op over de herkomst van de mandjes en de spullen er omheen.

Op de hoek van een rustige straat zie ik tussen allerlei andere dingen een groot, opgezet dier staan. Nieuwsgierig loop ik er naartoe. De tuin-eigenaar, die stond te klussen, komt naar me toe en vraagt of ik weet wat voor beest het is.
“Het lijkt op das,” zeg ik voorzichtig. 
Het ís een das. En verderop staat een fazant. Hij heeft ze gewoon ooit ergens op de kop getikt en wil ze nu wel weer kwijt. Ik hoef ze niet, maar wens hem succes met de verkoop.

Mijn laatste aankoop is een onverwachte: zes afrikaantjes. Het zijn een beetje tuttige plantjes, maar ik zet ze in de kruidentuin waar ze de slakken van de andere planten weghouden. Die eten schijnbaar liever afrikaantjes. Dat vertel ik niet aan de man die ze verkoopt, want in de border van dit tuintje staan dezelfde afrikaantjes als siergewas keurig in een rij.

Als ik met een volle fietstas weer thuis kom, zie ik op m’n teller dat ik 10 kilometer gefietst heb. Dat zijn dus een heleboel vliegen in één klap. Tevreden laat ik H. mijn vondsten zien. Straks de afrikaantjes in de grond zetten, maar eerst een kop koffie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...