woensdag 20 mei 2015

Worstenbroodjes en de tafel van zes

We zijn de hele middag buiten geweest en nu gaan we worstenbroodjes maken. Het deeg is gerezen en het gehakt gekruid. De twee kinderen in het gezelschap mogen de gehaktworstjes in het deeg rollen. Het is gezellig in de keuken.
Als de moeder van de kinderen op haar horloge kijkt, schrikt ze een beetje. Het is al best laat en morgen moeten ze weer naar school. ‘En eigenlijk moeten jullie nog even de tafels oefenen vanavond. Daar komt zo ook weer niks van terecht.’
Tafels kunnen natuurlijk altijd. Vooral als je met zes personen worstenbroodjes gaat eten. We maken er zestien en de jongste wil alvast graag weten hoeveel hij er straks mag opeten.
‘Eerst de tafels’, zegt H. ‘Welke tafel kun je voor ons opzeggen?’
Het wordt de tafel van twee, die er vlekkeloos uit komt.
‘En nu die van vijf’, zegt H.
‘Krijg ik voor elke tafel die goed gaat een worstenbroodje?’ vraagt de jongen hongerig.
‘Nou… er is wel een maximum’
De tafel van vijf wordt opgezegd, en dan die van zeven, waarbij grote zus sneller is.
Geërgerd kijkt hij opzij naar haar. ‘Nou-hou’
‘Geeft niks’, zegt H., ‘nou jij.’
Weer wil hij weten of hij daar een worstenbroodje mee scoort.
Zijn moeder kijkt bedenkelijk bij zijn hebzucht; ik moet lachen. ‘Hoeveel worstenbroodjes hebben we gemaakt?’ vraag ik hem.
Hij telt: zestien.
‘Oké. Stel nou, dat we H. wegsturen. Dan zijn wij nog met z’n vijven. Als we alle vijf drie broodjes willen, hebben we er dan genoeg?’
Zo zijn we een tijdje bezig met berekeningen over broodjes en eters, terwijl in de oven de bewuste worstenbroodjes beginnen te geuren.

Even later zitten we aan tafel. We eten allemaal twee worstenbroodjes en de jongen houdt goed in de gaten wat er nog op de schaal ligt. ‘Ik mag er drie’, zegt hij voor alle zekerheid terwijl hij in z’n tweede hapt.
‘Jij mag er drie.’ Zegt H. ‘Dat heb ik je beloofd.’
En hij pakt alvast de schaal; daar liggen nog vier broodjes op.
‘Wie hebben er al een derde genomen?’ vraagt H. verbaasd.
‘Niemand. Er waren er zestien hè,’ zeg ik. ‘Dus niet voor iedereen drie.’
We zien aan zijn gezicht dat hij zich verrekend had en lachen hem hartelijk uit.
‘Zeg jij de tafel van zes maar eens op!’
De kinderen helpen hem een beetje. Nu weten ze meteen waarom het zo handig is om de tafels uit je hoofd te kennen.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...