woensdag 11 november 2015

Taalcoaching en de voorrechten van blanke mensen


Op woensdagochtenden ben ik taalcoach. Ik ga op de fiets naar F. en in haar kleine bovenwoning proberen we ons op haar taaloefeningen te concentreren met een bijna tweejarige tweeling om ons heen.
foto NRC voorpagina  7 nov.
Voordat ik weg ga, lees ik in de krant van afgelopen zaterdag een interview door met vier vrouwen over ‘white privilege’. Het artikel had nogal wat reacties opgewekt en ik had het gemist. De reacties maakten me nieuwsgierig. De geïnterviewde vrouwen, allemaal meer of minder zwart, bestrijden de ‘witte vanzelfsprekendheid’ waarmee witte mensen de wereld bekijken. Het superioriteitsgevoel van de blanken. Ook witte mensen die zich tegen racisme uitspreken, worden door de vier gehekeld. Typerend citaat: ‘Je kunt pas werkelijk spreken van emancipatie als Zwarte Piet verandert omdat een zwarte zegt dat hij moet veranderen; anders is het een gunst van een witte.’

Met een zucht sla ik de krant dicht. Wat kun je hier nu mee als je toevallig als blanke geboren bent? Ik begrijp het punt wel en ik kan me voorstellen dat het heel ergerlijk is voor een donker persoon als in de schminckdoos op school ‘huidskleur’ de kleur van een blanke minderheid in de klas is. Maar ze zijn wel erg streng.

Terwijl ik mijn spullen bij elkaar pak, denk ik aan F. Ze komt uit Guinee en heeft een donkere huid. Ik help haar om Nederlands te leren. Stel ik me daarmee superieur op? En heeft dat iets met die kleur te maken? Op de fiets blijft het interview door mijn hoofd malen. Wat zijn mijn eigen vooroordelen? Denk ik ook zo sterk vanuit mijn eigen, witte wereld? Waarschijnlijk wel. Het is toch vrij normaal om vanuit je eigen referentiekader te denken. Misschien moet ik me daar toch meer bewust van zijn. Beter nadenken over hoe ik me opstel tegenover mensen met een andere huidskleur.

Ik zet mijn fiets op slot en ga de trap op naar de voordeur van F. Als ik heb aangebeld, duurt het een tijdje voordat de deur opengaat. De eerste keer was ik bang dat er niemand thuis was, maar inmiddels weet ik dat er eerst een traphekje losgemaakt moet worden waar twee kleine ukjes op af gaan om door het kiertje te kruipen. Mama F. moet ze voorzichtig wegduwen tot het hekje weer vastgemaakt is. Daarna kan ze de trap af om de deur open te doen.

Ik zet mijn schoenen tussen de kleine kinderschoentjes bij de voordeur en loop achter F. aan naar boven. Daar kijken twee glunderende gezichtjes door de spijlen naar beneden. Als ik door het hekje ben, hangt de kleine R. meteen aan mijn been en broertje I. komt met een grote speelgoedauto aan die hij ondersteboven zet om aan de wielen te gaan draaien.

Samen met F. ga ik aan tafel zitten om in haar taalboek wat opdrachten door te nemen. Het eerste half uur lukt dat goed. Daarna beginnen de kinderen steeds harder om aandacht te vragen. Tot het boek opzij gaat. Elk met een kind op schoot praten we over de tweeling. Dat ze zo slecht eten en vaak ziek zijn. Hoe het op het kinderdagverblijf gaat, dat boodschappen doen lastig is omdat het rekje onder de dubbele kinderwagen het begeven heeft. Ik vertel over mijn eigen kinderen toen ze klein waren. Zing liedjes voor de tweeling: ‘klap eens in je handjes, blij blij blij’.

We zijn twee moeders, waarvan de één een nieuwe taal leert.  Ze doet het goed, al heeft ze moeite met de zinsvolgorde en de verleden tijd. We begrijpen elkaar prima.
Anderhalf uur later loop ik de trap weer af. Ik trek mijn schoenen aan en bedenk dat ik helemaal vergeten ben om me bewust te zijn van huidskleuren en ‘white privilege’. We waren veel te druk bezig met taallessen en aandacht vragende kindjes.
Dat lijkt me eigenlijk nog niet zo verkeerd.

1 opmerking:

To test or not to test

Eén streepje. Geen corona dus. Voor de vierde keer deze week gooi ik na een negatieve test een pakketje afval in de prullenbak. Oké, het zij...