maandag 24 februari 2020

Dagje Leiden

Ik neem ruim de tijd om naar de bushalte te lopen, want vanwege de carnavalsoptocht rijdt lijn 5 een andere route. Volgens 9292 kan ik op de Haagstraat opstappen, maar ik heb zo m’n twijfels.
Het regent. En niet zo’n beetje ook. Met mijn paraplu dicht boven mijn hoofd ontwijk ik de plassen. Soms loop ik een stukje midden op de verlaten straat. Het is zondagmorgen; de meeste mensen slapen nog.
Ja hoor, aan de bushaltepaal hangt een rommelig stuk papier waarop staat dat ook deze halte vandaag vervalt. Ik moet verder: naar halte Gemeentehuis of halte Kerk.
Het gemeentehuis is niet zo ver, maar is daar een bushalte?

Ik loop nu op de weg waarlangs de bus straks deze kant op moet. Een halte bij het gemeentehuis zie ik niet, dus loop ik verder naar de kerk. In de verte zie ik de bus aan komen. Die ga ik niet halen en de volgende komt pas een half uur later. Ik zwaai van onder m’n paraplu: mag ik asjeblieft toch mee? Maar nee, de chauffeur heeft geen medelijden. Of hij ziet me niet. Jammer dan.

Gelukkig kan ik schuilen in een ruime abri. Ik schud de druppels van m’n paraplu en begin te wachten. Een in plastic verpakte oude dame komt het bushok in. Zij heeft ook een eind moeten omlopen, vertelt ze. We kijken naar de plassen, de donkere lucht, de regen. “Die arme mensen,” zegt de mevrouw, “Hebben ze zo lang aan die praalwagens gewerkt. Er zal niet veel publiek komen kijken naar de optocht.”
We wachten.
De weg waaraan de abri staat, is verdeeld in twee stroken, waartussen een vluchtheuvel ligt. De rijstroken vlak voor onze bushalte liggen diep en staan vol water. Steeds als er een auto langs komt, sproeit dat water in een grote boog tot vlak voor onze voeten. Ik zie voor me hoe iemand die nietsvermoedend bij de bushaltepaal staat, zo’n plens water over zich heen krijgt. Grappig in een film, maar ik zit er niet op te wachten. We moeten ons straks strategisch opstellen: wél zichtbaar voor de buschauffeur, maar ver genoeg achteruit…

Als de bus eindelijk nadert, doet ie dat zó voorzichtig dat de vloedgolf uitblijft.
“Ik mag geen passagiers natsproeien,” zegt de chauffeur grijnzend als hij ons voorzichtig naar voren ziet lopen.
Zo. Drie kwartier na vertrek zit ik met natte mouwen en natte voeten in de droge bus. De eerste etappe. Nu nog drie treinen en een eindje lopen in Leiden. Je moet er wat voor over hebben om een dagje bij je zoon op bezoek te gaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...