woensdag 20 januari 2016

Een tweeling bedolven onder de boodschappen

Woensdagmorgen om negen uur bel ik aan bij F. Ik help haar Nederlands leren. Terwijl zij nog even de trap af loopt om iets weg te brengen, klimt de kleine I.  bij me op schoot. Hij trekt zijn schoentje uit en legt die in mijn hand.
“Dankjewel” zeg ik en hij zingt een fantasiewoord terug op precies dezelfde toon. Het is een spelletje waar hij eindeloos mee door kan gaan. Hij legt iets in mijn hand en ik zeg “dankjewel”. R. komt tegen mijn been hangen. Ze wil ook op schoot, maar dan is hun moeder terug en we gaan aan tafel zitten voor de taalles. De tweeling protesteert, maar mama zet ze op de grond met wat speelgoed en ik haal de oefeningen uit mijn tas die ik voor haar heb meegenomen. “Ik pak - wij pakken. Ik maak - wij maken.” Dat soort zinnetjes, want F. is steeds onzeker over één of twee medeklinkers in dit soort woorden.
 
Steeds afgeleid door de kinderen werkt ze zich door de zinnen heen. En dan door een volgende oefening. Het gaat steeds beter en na een tijdje is alles goed ingevuld. Dan kondig ik aan dat we gaan praten. Een vast onderdeel van onze wekelijkse bijeenkomst, want Nederlands praten vindt ze het moeilijkst, en er is weinig gelegenheid om dat te doen. Ik vraag haar om te vertellen wat ze gisteren gedaan heeft. “Gisteren ik heb boodschappen gedaan”, begint ze.
Al een tijd geleden vertelde F. dat er in het rekje onder de wandelwagen een gat zat, zodat het lastig was om de boodschappen mee te nemen. Ik vraag of het nog steeds kapot is en ze vertelt dat het gat nog groter geworden is. Ze legt nu een deel van de boodschappen óp de wagen. “Soms pakt R. een pak melk en I. een pak sap.” Ik zie voor me hoe ze van het winkelcentrum naar huis wandelen, de kinderen bedolven onder de boodschappen. “Het is moeilijk”, zegt F.

We praten nog een tijdje door terwijl de tweeling op de tafel klimt, een stapel post op de grond gooit, aan knopjes van het licht en van de computer probeert te morrelen en het tenslotte voor elkaar krijgt om op schoot te kruipen. R. bij mama en I.  bij mij. Als we even stil zijn, hoor ik hem zachtjes zoemen. Ik herken het melodietje: “In de maneschijn, in de maneschijn, klom ik op het trapje naar het raamkozijn.” Als ik het voor hem zing, begint ie te stralen.

Voordat ik weg ga, vraag ik of F. me de wandelwagen wil laten zien. De constructie waar je boodschappen in kunt doen, is van stof. Een soort canvas, waar middenin een flink gat zit. Het kan makkelijk losgemaakt worden en ik vraag of ik het mee mag nemen, want volgens mij moet het wel te repareren zijn. Ik zoek dezelfde middag nog een stuk stof om er tegenaan te zetten en sloop een ongebruikte tas om met sterk materiaal de onderkant te kunnen verstevigen. Laat in de middag is het klaar. Ik stuur F. een berichtje met een foto en stel voor om het even te komen brengen.


Als ze opendoet, geef ik haar het gerepareerde boodschappen-net. Ze vouwt het open en ziet de stof aan de binnenkant. “Het is echt mooi!” zegt ze verbaasd. En dan: “Jij bent echt … slim.” Ze is er blij mee en ik fiets supertevreden naar huis. Ik vond het een leuk klusje en dit maakt voor haar het leven weer een tikkie minder ingewikkeld. Mooi toch!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Nat

De eerste keer vond ik het nogal griezelig. Het gebeurde ’s morgens, op weg naar m’n werk. Ik naderde een rood verkeerslicht, remde af en ze...