“Daar mogen wel wat tegels gewipt worden,” zegt H. Je bent landschapsbeheerder of je bent het niet. Ik ben het met hem eens. Naast het plein is dan wel weer een behoorlijk groot, goed verzorgd bloemenperk. Er staan een paar mensen bij te kijken, maar de meeste mensen die we zien, gaan regelrecht het stadhuis in.
We zijn niet de enigen die vroeg zijn. Er zijn al veel rijen bezet van de stoelen die vernuftig op een monumentale trap geplaatst zijn. De achterpoten zijn precies een traptrede korter dan de voorpoten, zodat de stoelen stevig en veilig staan. Maar het blijven van die harde, kunststof stoelen waar je een houten kont van krijgt. We gaan ergens bovenaan zitten.
Wachtend op de twaalf cellisten waar we straks naar gaan luisteren, kijken we rond. Wat een megalomane ruimte is deze hal. Groot, leeg en hoog. Links en rechtsboven zijn kennelijk de werkplekken en vóór de trap waar wij op zitten is een uitgestrekte, betegelde leegte waar in een halve cirkel elf stoelen klaarstaan.
Ja, elf. Eén van de musici blijkt op de valreep te ziek om te spelen, zodat er nog snel aanpassingen gedaan moesten worden in het programma. Cellissimo heet het en cellist Douwe Eisses (hij is pas 21) heeft het programma samengesteld als ‘young artist in residence’ van de Muziekzomer Gelderland 2026.
Je kunt van het gebouw vinden wat je wilt, maar de akoestiek is er goed. Ik vind de cello een mooi instrument en met de 11 cello’s kan er een heleboel. Ze spelen een militaire mars van Schubert en een quatre-mains stuk (voor piano dus eigenlijk) van Mozart, maar ook de Man with the Harmonica uit Once Upon a Time in the West en tangomuziek van Piazolla. We klappen hard genoeg om een toegift uit te lokken en dat wordt The Pink Panther. Je kunt zien hoeveel plezier de cellisten erin hebben om het te spelen.
Dan is het afgelopen. We dalen de trappen af en steken het grote plein weer over. Padapadam, padam, neurie ik de roze panter na. Leuk zo’n avondje cellomuziek. Door de warme zomeravond wandelen we terug naar de parkeergarage.






