Ik trek m’n schapenwollen trui aan en onder m’n ouwe spijkerbroek een extra legging, want het is behoorlijk koud deze vrijdagmorgen. Als ik bij de Waalgaard aankom, zit bijna de hele vaste ploeg al in de voortent. We zijn met z’n achten vandaag en er zijn verschillende klussen die gedaan kunnen worden.
Samen met vier anderen kies ik voor de rotklus: bramen steken. Niemand vind het echt leuk werk, maar het moet echt gebeuren en je krijgt het er gegarandeerd warm van!
Tussen de rijen bomen en struiken komen veel te veel stekelige braamstruiken op. Ze vlechten zich overal tussendoor en dreigen de boel te overwoekeren.
Er zijn een paar plekken waar dat priktuig ongemerkt veel te veel z’n gang heeft kunnen gaan. Daar moeten we nu een eind aan maken. Nou ja, “nu” is niet vandaag of morgen, het is een moeizame klus, waar we al weken mee bezig zijn. Met kruiwagens, spaden, lange snoeischaren en vooral stevige handschoenen gaan we naar de plek des onheils. De bramen maken lange uitlopers die waar ze de grond raken wortel schieten en nieuwe uitlopers maken. We trekken, knippen en steken ze zo veel mogelijk weg.
Theoretisch is een voedselbos als het eenmaal is aangelegd tamelijk onderhoudsvrij, maar die theorie gaat hier voorlopig nog niet op. Behalve dat dit ‘bos’ toegankelijk genoeg moet zijn voor zo’n honderd oogstgenoten die hun eigen voedsel komen plukken, zit er een overdaad aan stikstof in de bodem. Bramen gedijen daar lekker op. Brandnetels trouwens ook. Als we daar niks aan doen, is er over een paar jaar niks anders meer te oogsten dan deze prikkers. Dus zijn we een hele ochtend aan het ploeteren om twee rijen braamvrij te maken. Tijdens het werken wordt veel gepraat en gelachen en in de koffiepauze zijn er lekkere koekjes.
Voor je het weet, is het half één. Nog een paar ranken en de laatste kruiwagen kan geleegd worden. Het gereedschap wordt schoongemaakt en opgeruimd en ik ga nog even de moestuin in om wat van de laatste dunne preitjes uit te steken en een paar pastinaken en koolraapjes op te graven. We wensen elkaar een goed weekend en dan fiets ik met m’n buit naar huis.
Lekker, zo’n ochtend buiten werken. En vooral ook heerlijk om daarna in een warm huis op de bank te kruipen met een mooi boek. Het voelt alsof ik het verdien.
Appelpunt
maandag 23 februari 2026
woensdag 18 februari 2026
Lubach, je kan de boom in
Regelmatig kijken we naar Arjen Lubach. Meestal kan ik met instemming, of zelfs met leedvermaak, gniffelen als hij een of ander fout of lachwekkend verschijnsel uitlegt en fileert. Maar gisteravond ging het over ons …
Vogels voeren is volgens Lubach helemaal niet vogelvriendelijk. Hij legt uit waarom het eigenlijk niet goed voor vogels is en daarbij maakt hij volgens goed gebruik de mensen die zich eraan schuldig maken belachelijk.IK geef het toe, wij zijn van die mensen die soms ‘een tulband’ van frituurvet met vogelvoer maken. (Vorm gekregen van m’n schoonzusje, dus waarom niet?”) Na nieuwsberichten vorig jaar over pesticiden in de meeste soorten voer, kopen we verantwoorde zaden voor onze vliegende gasten. Dat bezwaar van Lubach hebben we dus alvast getackeld.
Elke ochtend aan het ontbijt kijk ik naar buiten of het roodborstje al op de grond zit rond te pikken, of de duiven de eksters verjagen of andersom, of de spechten zich weer laten zien (sinds de hazelaar gesnoeid is, komen ze niet meer). Het klopt helemaal wat Arjen zegt: vogels voeren doen mensen vooral voor hun eigen plezier. Het zal die beestjes een zorg zijn of er losse zaadjes liggen of een mooie vogelvoer-taart.
Vanmorgen keek ik dus met wat gemengde gevoelens naar de merel die in de laatste restjes van de tulband pikten. Verder naar achteren in de tuin zat een koolmees op een ingedroogde teunisbloem te controleren of ergens nog een zaadje te vinden was. En ik dacht: Lubach, je kan de boom in.
Je kunt wel vol overtuiging vertellen dat we de vogels niet het hele jaar hoeven bij te voeren omdat ze hun eigen voedsel wel kunnen vinden, maar in onze steeds maar krimpende natuur krimpt ook de vogelpopulatie, omdat … er steeds minder nestgelegenheid en voedsel voor ze overblijft.
Goed, die tulband en de vogelpindakaas (ik ben ervoor gezwicht omdat het de fantastische bonte specht naar onze tuin heeft gelokt) zijn er misschien vooral voor ons eigen plezier. Maar de tuin waar de vogeltjes het komen opeten, is op zichzelf ook een voederplaats. Met uitgebloeide vaste planten vol zaden, struiken om te schuilen en bessen van te eten, een takkenhoop en twee knotwilgen vol leven.
Gelukkig voegt Lubach die boodschap aan het eind van zijn verhaal nog toe. Misschien zijn die tulbanden en pindasnoeren niet zo nodig, maar dan is het toch in elk geval goed om je tuin (als je die hebt) vogelvriendelijk in te richten. Want zó goed gaat het nou ook weer niet met de vogels in ons land.
maandag 9 februari 2026
Afscheidsdienst
Mijn zwager is overleden; de broer van H. die we kort geleden nog bezocht hebben.
Zijn dood is voor niemand een grote schok, want hij was er al een tijd naar op weg. Toch ging het op het laatst nog onverwacht snel. H. is blij dat hij nog net even contact met zijn broer heeft gehad. Een dag na ons bezoek was hij ineens doodziek en deed hij zijn ogen helemaal niet meer open.
De afscheidsdienst was in een mooi, oud kerkgebouw, waar familie en vrienden eerst koffie en broodjes kregen en daarna werden uitgenodigd om te komen zitten op de banken en stoelen rond de kist. Vooraan het gezin van B. Zijn vrouw, zijn drie kinderen met hun partners en hún kinderen, de kleinkinderen van B.
Er waren ook verrassend veel neven en nichten. Sommige waren van ver gekomen en hadden we lang niet gezien. Vreemd om in veertigers en vijftigers het gezicht terug te zien van de kinderen die we vroeger regelmatig op verjaardagen zagen.
Mijn H. is de jongste van vijf broers, waarvan de oudsten een flink stuk ouder zijn. Zij kwamen al met vriendinnen thuis toen H. nog op de kleuterschool zat. Dat maakte veel indruk op het jochie dat hij toen was. Waarschijnlijk heeft het ook alles te maken met de anekdote dat hij als vierjarige zijn juf een tik op haar achterwerk gaf met de woorden: “Lekker kontje”.
De overleden B. was één van de twee oudste broers. Een tweeling. Ze waren erg verschillend en al waren ze goed met elkaar, de laatste decennia zochten ze elkaar niet bijzonder vaak op. Bij deze afscheidsbijeenkomst was de overgebleven tweelingbroer de eerste spreker. Hij leek zelf verrast door de emotie die de dood van B. bij hem teweeg had gebracht. De hele week had hij met zijn hoofd in het verleden geleefd.
Het leverde een speech op als een ouderwets jongensboek. Over twee broertjes die tot hun twaalfde jaar onafscheidelijk waren. Samen op één fiets op pad met een collectebus. Samen folders lopen voor een oom, die ze ‘betaalde’ met onverkoopbare kaaskorstjes. “De afspraak was: als we ergens niet bij konden, tilde de een de ander op.” Dat leidde soms tot hilarische taferelen.
Als jongste broer hield ook H. een verhaal. Over de bewondering die hij had gekoesterd voor z’n stoere grote broer. En over de laatste jaren, waarin hij had geprobeerd in de steeds zwaarder dementerende man dát te zien wat er nog wél was, wat hij nog wél kon.
Met het hele gezelschap liepen we van het kerkgebouw naar het kerkhof, zo’n anderhalve kilometer verderop. En nadat de kist gezakt was weer terug. Na de ijskoude wind buiten was het warm in de kerk. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk, met al die mensen die elkaar – al of niet na lange tijd – terugzagen en troostrijke verhalen uitwisselden.
We waren het allemaal met elkaar eens: het was een mooie begrafenis.
Zijn dood is voor niemand een grote schok, want hij was er al een tijd naar op weg. Toch ging het op het laatst nog onverwacht snel. H. is blij dat hij nog net even contact met zijn broer heeft gehad. Een dag na ons bezoek was hij ineens doodziek en deed hij zijn ogen helemaal niet meer open.
De afscheidsdienst was in een mooi, oud kerkgebouw, waar familie en vrienden eerst koffie en broodjes kregen en daarna werden uitgenodigd om te komen zitten op de banken en stoelen rond de kist. Vooraan het gezin van B. Zijn vrouw, zijn drie kinderen met hun partners en hún kinderen, de kleinkinderen van B.
Er waren ook verrassend veel neven en nichten. Sommige waren van ver gekomen en hadden we lang niet gezien. Vreemd om in veertigers en vijftigers het gezicht terug te zien van de kinderen die we vroeger regelmatig op verjaardagen zagen.
Mijn H. is de jongste van vijf broers, waarvan de oudsten een flink stuk ouder zijn. Zij kwamen al met vriendinnen thuis toen H. nog op de kleuterschool zat. Dat maakte veel indruk op het jochie dat hij toen was. Waarschijnlijk heeft het ook alles te maken met de anekdote dat hij als vierjarige zijn juf een tik op haar achterwerk gaf met de woorden: “Lekker kontje”.
De overleden B. was één van de twee oudste broers. Een tweeling. Ze waren erg verschillend en al waren ze goed met elkaar, de laatste decennia zochten ze elkaar niet bijzonder vaak op. Bij deze afscheidsbijeenkomst was de overgebleven tweelingbroer de eerste spreker. Hij leek zelf verrast door de emotie die de dood van B. bij hem teweeg had gebracht. De hele week had hij met zijn hoofd in het verleden geleefd.
Het leverde een speech op als een ouderwets jongensboek. Over twee broertjes die tot hun twaalfde jaar onafscheidelijk waren. Samen op één fiets op pad met een collectebus. Samen folders lopen voor een oom, die ze ‘betaalde’ met onverkoopbare kaaskorstjes. “De afspraak was: als we ergens niet bij konden, tilde de een de ander op.” Dat leidde soms tot hilarische taferelen.
Als jongste broer hield ook H. een verhaal. Over de bewondering die hij had gekoesterd voor z’n stoere grote broer. En over de laatste jaren, waarin hij had geprobeerd in de steeds zwaarder dementerende man dát te zien wat er nog wél was, wat hij nog wél kon.
Met het hele gezelschap liepen we van het kerkgebouw naar het kerkhof, zo’n anderhalve kilometer verderop. En nadat de kist gezakt was weer terug. Na de ijskoude wind buiten was het warm in de kerk. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk, met al die mensen die elkaar – al of niet na lange tijd – terugzagen en troostrijke verhalen uitwisselden.
We waren het allemaal met elkaar eens: het was een mooie begrafenis.
dinsdag 3 februari 2026
Maatwerk
We gaan naar een verjaardag en hebben een gegrond vermoeden dat deze jarige blij zal zijn met ingrediënten voor een cocktail. Met die missie gaan we naar de slijter in ons dorp. H. heeft een daar een tijdje geleden een soort cocktail-pakket gezien, dus dat moet lukken.
Steeds vaker worden we gewaarschuwd voor het consumeren van alcohol, maar een cocktail in het weekend of een wijntje bij het eten is soms toch wel erg lekker. We beperken het tot het weekend en vinden dat voorlopig verstandig genoeg. Bij de slijter komen we dus met enige regelmaat. De uitbater is een altijd opgewekte jongeman die graag adviezen geeft.
H. vraagt naar het pakket en de slijter knikt herkennend. Maar het pakket dat hij tevoorschijn haalt is een shake-set met toebehoren. Dat is niet wat we bedoelen.
“Nee, het moeten de ingrediënten zijn,” verduidelijkt H.
“Ah, en aan welke cocktail denk je dan?”
“Nou, misschien een pornstar-martini?”
“Ja,” zegt de man, “dat is wel een populaire” en hij pakt een fles vanillewodka en een fles passoa van een schap.
Hm, het ziet er nog niet uit als een feestelijk pakket.
“Weet je wat,” zegt de slijter, “Als ik ze nou in zo’n mandje doe,” en hij haalt een kartonnen bakje onder de toonbank uit, “en jullie halen bij de groentewinkel verderop een passievrucht en een limoen…”
Dat is een prima idee. Hij zet de flessen en het mandje voor ons opzij en tien minuten later zijn we terug met twee passievruchten en twee limoenen.
De twee flessen met het fruit vormen een leuk geheel, maar H. is nog niet helemaal tevreden.
“Heb je ook een shaker zonder al die dingen erbij?”
Die is er. En hij past er nog net bij in het mandje. De slijter pakt de boel in een stuk doorzichtig folie met een gezellig lint erom en kijk, dit is precies het pakket zoals we het hadden bedoeld.
Voor zulk maatwerk moet je niet in de grote stad zijn en ook niet in een online winkel. Maar gelukkig bestaat het nog, gewoon in ons eigen dorp.
Steeds vaker worden we gewaarschuwd voor het consumeren van alcohol, maar een cocktail in het weekend of een wijntje bij het eten is soms toch wel erg lekker. We beperken het tot het weekend en vinden dat voorlopig verstandig genoeg. Bij de slijter komen we dus met enige regelmaat. De uitbater is een altijd opgewekte jongeman die graag adviezen geeft.
H. vraagt naar het pakket en de slijter knikt herkennend. Maar het pakket dat hij tevoorschijn haalt is een shake-set met toebehoren. Dat is niet wat we bedoelen.
“Nee, het moeten de ingrediënten zijn,” verduidelijkt H.
“Ah, en aan welke cocktail denk je dan?”
“Nou, misschien een pornstar-martini?”
“Ja,” zegt de man, “dat is wel een populaire” en hij pakt een fles vanillewodka en een fles passoa van een schap.
Hm, het ziet er nog niet uit als een feestelijk pakket.
“Weet je wat,” zegt de slijter, “Als ik ze nou in zo’n mandje doe,” en hij haalt een kartonnen bakje onder de toonbank uit, “en jullie halen bij de groentewinkel verderop een passievrucht en een limoen…”
Dat is een prima idee. Hij zet de flessen en het mandje voor ons opzij en tien minuten later zijn we terug met twee passievruchten en twee limoenen.
De twee flessen met het fruit vormen een leuk geheel, maar H. is nog niet helemaal tevreden.
“Heb je ook een shaker zonder al die dingen erbij?”
Die is er. En hij past er nog net bij in het mandje. De slijter pakt de boel in een stuk doorzichtig folie met een gezellig lint erom en kijk, dit is precies het pakket zoals we het hadden bedoeld.
Voor zulk maatwerk moet je niet in de grote stad zijn en ook niet in een online winkel. Maar gelukkig bestaat het nog, gewoon in ons eigen dorp.
woensdag 28 januari 2026
“Bedank ze allemaal van mij”
Gemiddeld duurt een bloedafname vijf minuten. Ik heb tenminste een afspraak van vijf voor half tien tot half tien. In de praktijk blijkt dat ook wel te werken, want ik wordt precies op tijd door een vrolijke dame opgehaald uit de wachtkamer.
“Heb je een oproepbrief bij je? Dan weet ik wat mijn huiswerk is,” zegt ze opgewekt en terwijl ze een bandje om mijn arm legt vraagt ze of ik straks snel door moet naar m’n werk of terug naar huis. Ik zeg dat ik naar huis ga en niet zo veel móet.
“Ow,” zegt ze voorzichtig, “is dat vrijwillig of komt dat door omstandigheden?”
“Nou, ik ben met pensioen,” vertel ik haar.
Dan vraagt ze wat voor werk ik dan gedaan heb. Ik leg dat kort uit en eindig met “en nu werk ik vooral in het groen.”
“O? Hoezo dat?”
“Vrijwillig landschapsbeheer.”
“Ah leuk!” roept ze enthousiast. “Niet te kórt snoeien hè! Die gemeentewerkers zijn soms zó lomp bezig. Dan snoeien ze alles tot op grond, of ze verstoren het broedseizoen…”
Ik knik. “Ze doen het zo efficiënt mogelijk. Ik zie nu ook overal dat de knotwilgen tot kale bolletjes geknot worden, terwijl het beter is om een klein stukje te laten staan van de takken.”
“En om en om hè,” ze zet de buisjes afgenomen bloed opzij. “Je moet niet die hele rijen tegelijk knotten, maar om en om, voor de beestjes.”
In onze vijf-minuten afspraak vertelt ze ook nog even dat ze veel bomen in haar tuintje heeft en dat ze zonder vogels en andere kleine beestjes in de tuin gek zou worden.
“Hartstikke mooi werk, vrijwillig landschapsbeheer,” besluit ze. “Dat wil ik ook gaan doen na mijn pensioen. Dank je wel dat je dat doet! Bedank ze allemaal van mij.”
Ik krijg een watje met een pleister op de arm waar ik geprikt ben en zeg dat ik ze zal bedanken. Dan ga ik naar buiten en fiets naar huis. Het is bekend dat mensen blij worden van korte gesprekjes met onbekenden. Als het dan ook nog zulke leuke gesprekjes zijn, begint je dag toch wel heel goed.
En bij dezen breng ik de dank van een enthousiaste bloed-prikster over aan alle vrijwilligers in het groen!
“Heb je een oproepbrief bij je? Dan weet ik wat mijn huiswerk is,” zegt ze opgewekt en terwijl ze een bandje om mijn arm legt vraagt ze of ik straks snel door moet naar m’n werk of terug naar huis. Ik zeg dat ik naar huis ga en niet zo veel móet.
“Ow,” zegt ze voorzichtig, “is dat vrijwillig of komt dat door omstandigheden?”
“Nou, ik ben met pensioen,” vertel ik haar.
Dan vraagt ze wat voor werk ik dan gedaan heb. Ik leg dat kort uit en eindig met “en nu werk ik vooral in het groen.”
“O? Hoezo dat?”
“Vrijwillig landschapsbeheer.”
“Ah leuk!” roept ze enthousiast. “Niet te kórt snoeien hè! Die gemeentewerkers zijn soms zó lomp bezig. Dan snoeien ze alles tot op grond, of ze verstoren het broedseizoen…”
Ik knik. “Ze doen het zo efficiënt mogelijk. Ik zie nu ook overal dat de knotwilgen tot kale bolletjes geknot worden, terwijl het beter is om een klein stukje te laten staan van de takken.”
“En om en om hè,” ze zet de buisjes afgenomen bloed opzij. “Je moet niet die hele rijen tegelijk knotten, maar om en om, voor de beestjes.”
In onze vijf-minuten afspraak vertelt ze ook nog even dat ze veel bomen in haar tuintje heeft en dat ze zonder vogels en andere kleine beestjes in de tuin gek zou worden.
“Hartstikke mooi werk, vrijwillig landschapsbeheer,” besluit ze. “Dat wil ik ook gaan doen na mijn pensioen. Dank je wel dat je dat doet! Bedank ze allemaal van mij.”
Ik krijg een watje met een pleister op de arm waar ik geprikt ben en zeg dat ik ze zal bedanken. Dan ga ik naar buiten en fiets naar huis. Het is bekend dat mensen blij worden van korte gesprekjes met onbekenden. Als het dan ook nog zulke leuke gesprekjes zijn, begint je dag toch wel heel goed.
En bij dezen breng ik de dank van een enthousiaste bloed-prikster over aan alle vrijwilligers in het groen!
zaterdag 24 januari 2026
Knipperlichtbezoek
“We moeten mondkapjes dragen, want er heerst daar griep,” vertelt H.
“En de kantine beneden is dus dicht; we zullen wel op de kamer moeten blijven.”
Op zaterdagmorgen staan we klaar om te vertrekken naar Limmen, waar de broer van H. in een verzorgingshuis zit. Hij heeft gevorderde alzheimer en we weten van m’n schoonzus dat hij veel slaapt en soms ineens een goede dag heeft.
Dat blijkt een goed idee, want mijn zwager B. zit wel aan tafel in de woonkamer, maar hij is niet erg wakker. Een zorgmedewerkster gaat koffie voor ons zetten. We kunnen in de woonkamer blijven, maar graag wel met mondkapjes op. Er zijn nu geen andere bewoners aanwezig.
B. zit te dommelen. Even wordt hij wakker als we hem begroeten, dan vallen z’n ogen meteen weer dicht. H. gaat vlak naast hem zitten, aait over zijn arm, probeert hem wakker te praten, maar er komt weinig reactie.
Dus halen we ons dobbelspelletje ‘regenwormen’ tevoorschijn en zetten het klaar om te gaan spelen.
Het hoofd van B. knikt naar voren en hij doet z’n ogen open.
“Hé, was je in slaap aan het vallen?” H. lacht naar z’n broer en haalt een boek over grote katten uit z’n rugtas. Even kijken ze samen naar de plaatjes. H. doet voor hoe de leeuw gromt en zijn broer moet lachen. Meteen daarna valt hij weer in slaap.
We gooien met de dobbelstenen, zien het hoofd van B. weer voorover hellen en H. legt zijn eigen voorhoofd tegen dat van z’n broer. Hij lacht als die zijn ogen weer open doet:
“Kijk uit, hè, want je valt bijna voorover.”
B. lacht mee. Hij is weer een minuutje wakker, waarin H. op zijn telefoon muziek van vroeger opzoekt: Chubby checker, let’s twist again. We luisteren samen. Maar halverwege het nummer zakt B. weer weg.
We spelen verder. Om de zoveel tijd is B. even wakker. Een minuut, een paar seconden, nooit erg lang. H. probeert hem de dobbelstenen te laten gooien, maar dat begrijpt hij niet. Wel pakt hij ineens de telefoon en H. zet weer een muziekje aan. Een kwartier later doet B. zijn ogen open en pakt het kattenboek. Tot onze verbazing doet hij het open en bladert er zelf in. Drie plaatjes lang is hij wakker.
Om twaalf uur is het etenstijd. De tafel wordt gedekt en wij gaan weer. H. geeft zijn broer een kus op zijn wang, waar B. om moet lachen voordat hij weer in slaap sukkelt. Nu gaan we verder naar een andere broer. Die is jarig geweest en gelukkig in goede gezondheid.
Het was een wonderlijk knipperlichtbezoek en we hopen maar dat B. er iets van heeft meegekregen.
zondag 18 januari 2026
Zangles
“Mmmmmmmm-oeoeoeoeoeoe”
Geconcentreerd zing ik hele en halve toonladders. Hand bij m’n voorhoofd om de goede plek van de aaaaa te voelen, hand tegen m’n bovenlip bij de iiiiii en de oeoeoeoe. Op mijn telefoon kan ik de hele zangles nog eens afluisteren.
“Hoor je dat je hier uit de bocht schiet?” vraagt mijn zanglerares Elizabeth. En: “hier ga je te vroeg van je kopstem naar je borststem. Hoor je dat?”
Ik hoor het niet. Maar ik moet ook op zoveel tegelijk letten.
Ik dacht dat ik aardig kon zingen, maar Elizabeth heeft er heel wat op aan te merken. Dat is oké, want daarvoor kom ik ook. De laatste jaren wordt ik al na een half uurtje zingen hees. Is dat slijtage? Vroeg ik me af, of doe ik iets verkeerd.
Mijn zanglerares is ervan overtuigd dat het allemaal goedkomt als ik de juiste zangtechnieken onder de knie krijg.
Daarom sta ik elke dag oefeningen te doen. En ik zing degelijke, klassieke melodieën die me door mijn gereformeerde opvoeding meteen al bekend voorkomen: “Sei stille dem Herrn und warte auf ihn. Der wird dir geben was dein Herz wünscht …”
Soms gaat het lekker en vind ik het leuk. Soms gaat het niet zo lekker en is het vooral hard werken. Maar ik doe het toch maar iedere dag, al is het maar een kwartier.
“Voel je dat het nu veel beter gaat?” vraagt Elizabeth. Ik luister de opname terug en ja, nu hoor ik dat ik het dáár beter doe dan eerst.
Oefening baart kunst en je bent nooit te oud om te leren. Ik ben blij dat ik weer ben begonnen te zingen en over een tijdje ga ik weer eens op zoek naar een koorproject waar ik aan mee kan doen. Want samen zingen is iets waar je heel blij van kunt worden, dat was ik bijna vergeten.
Geconcentreerd zing ik hele en halve toonladders. Hand bij m’n voorhoofd om de goede plek van de aaaaa te voelen, hand tegen m’n bovenlip bij de iiiiii en de oeoeoeoe. Op mijn telefoon kan ik de hele zangles nog eens afluisteren.
“Hoor je dat je hier uit de bocht schiet?” vraagt mijn zanglerares Elizabeth. En: “hier ga je te vroeg van je kopstem naar je borststem. Hoor je dat?”
Ik hoor het niet. Maar ik moet ook op zoveel tegelijk letten.
Ik dacht dat ik aardig kon zingen, maar Elizabeth heeft er heel wat op aan te merken. Dat is oké, want daarvoor kom ik ook. De laatste jaren wordt ik al na een half uurtje zingen hees. Is dat slijtage? Vroeg ik me af, of doe ik iets verkeerd.
Mijn zanglerares is ervan overtuigd dat het allemaal goedkomt als ik de juiste zangtechnieken onder de knie krijg.
Daarom sta ik elke dag oefeningen te doen. En ik zing degelijke, klassieke melodieën die me door mijn gereformeerde opvoeding meteen al bekend voorkomen: “Sei stille dem Herrn und warte auf ihn. Der wird dir geben was dein Herz wünscht …”
Soms gaat het lekker en vind ik het leuk. Soms gaat het niet zo lekker en is het vooral hard werken. Maar ik doe het toch maar iedere dag, al is het maar een kwartier.
“Voel je dat het nu veel beter gaat?” vraagt Elizabeth. Ik luister de opname terug en ja, nu hoor ik dat ik het dáár beter doe dan eerst.
Oefening baart kunst en je bent nooit te oud om te leren. Ik ben blij dat ik weer ben begonnen te zingen en over een tijdje ga ik weer eens op zoek naar een koorproject waar ik aan mee kan doen. Want samen zingen is iets waar je heel blij van kunt worden, dat was ik bijna vergeten.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
Een stekelige oogst
Ik trek m’n schapenwollen trui aan en onder m’n ouwe spijkerbroek een extra legging, want het is behoorlijk koud deze vrijdagmorgen. Als ik ...
-
Er ligt een klein, hemelsblauw eitje in de tuin. Helemaal gaaf ligt het op een onbegroeid stukje grond. Mijn eerste opwelling is, het op e...
-
Het is ongeveer 10 kilometer fietsen naar Sanguin en voor alle zekerheid doe ik een regenjas aan. Als ik er bijna ben, begint het zachtjes...
-
Vanaf zondag logeert mijn dochter E. hier en vertroetelen we haar, want ze loopt de Vierdaagse: vier keer veertig kilometer. Vanaf haar ti...





