zaterdag 31 maart 2012

Chihuahua


Ik heb vandaag maar niet m’n witte broek aan, want bij mijn broer thuis hou je die niet wit. Behalve een stuk of tien pony’s, wat kippen en een kleine kudde cavia’s buiten, zijn er binnen altijd honden en katten die op schoot springen of een lieve, kwijlende kop op je knie leggen.
Als we door de open zijdeur binnenlopen, stappen we voorzichtig over een zwabberhondje en een slapende kat heen, duwen een enthousiaste rotweiler opzij en kunnen dan m’n schoonzus begroeten. In de kleine kamer zitten drie kinderen op debank. M’nnichtje en twee vriendinnetjes. Ze kijken verliefd naar hun handen, die ze alle drie tot een nestje in elkaar gevouwen hebben. In elk nestje zit een geel met bruin kuikentje. Vanmorgen gehaald bij de poelier, die als attractie een broedmachine in de etalage heeft.
Mijn broer heeft altijd van dieren gehouden, maar m’n schoonzusje is nog veel gekker. Na een periode met minipaardjes en vogels is ze nu overgestapt op het fokken van honden en katten. Maar wie een cavia of konijn kwijt wil, kan ook bij haar terecht. De kuikentjes van de poelier kon ze niet weerstaan. Voor mijn neefje, die in z’n oer-beesten-periode zit, is een terrarium ingericht met twee hagedis-achtigen en zelfs de krekels die als voedsel voor die twee dienen, vindt ze heel gezellig met hun getsjirp.
Tussen al het gedierte zoeken we een plek op de bank, waar we koffie drinken met een stuk taart. We praten, aaien poezen, kuikentjes en honden en maken kennis met de terrariumbewoners. Dan gaan we even naar buiten met de honden.
De nieuwste aanwinst is een piepklein beestje: chihuahua Chelsey. Voordat we de deur uitgaan, haalt m’n schoonzusje grinnikend een hondenjasje tevoorschijn. “Okee”, zegt ze, “toen ik haar kocht, zei ik dus: een chihuahua vind ik leuk, maar kleertjes gaan we har echt niet aantrekken! Maar een dag later lag er tien centimeter sneeuw, en moet je dat buikie eens zien.” Ze toont ons de bijna haarloze chihuahua-buik. “Dus wíe ging er toen hondenkleertjes kopen...”
Handig gespt ze Chelsea in een paars jasje met een glinsterend kroontje erop.
In het park loopt de kleine chihuahua voorop en als we een andere hond tegenkomen, blaft ze de longen uit haar lijfje, al trilt ze van top tot teen van angst.
Met zo’n hond hoef je nergens bang voor te zijn, vooral niet als er een vierkante rotweiler achter loopt. We komen dan ook veilig terug met z’n allen.
’s Avonds, als we terugrijden naar huis, zitten we allebei onder de honden- en kattenharen. Ons eigen huis is huisdierloos en harenvrij. Lekker rustig, maar wel een beetje saai.
Ach, wie weet laten we ons nog eens een chihuahua aanpraten. Maar dan wel zonder kleertjes!

zondag 25 maart 2012

De Nieuwe IJstijd


De voorstelling begint al om 19.00 u. en het is duidelijk waarom: een groot deel van het publiek bestaat uit jonge gezinnen. Kinderen van alle leeftijden zitten nieuwsgierig in de theaterzaal om zich heen te kijken. Sommige echt wel jonger dan de 8+ uit het boekje.
Maar er zijn ook bezoekers zonder kinderen. Marten Toonder schreef voor alle leeftijden. “De Nieuwe IJstijd” begint met een getekende storm op drie grote panelen. In het donker, met veel geraas.
De panelen zijn de hele voorstelling als een interactieve Bommel-strip aanwezig. Er zijn maar drie spelers: een forse Ollie B. Bommel, een kleine, frêle Tom Poes en een duizendpoot die de schurkachtige professor Sickbock neerzet, maar ook nog een aantal andere personages.
Het verhaal is eenvoudig. De slechterik Sickbock verandert de stand van de aarde, waardoor de polen ontdooien en hij daar bodemschatten kan weghalen. Bommel en Tom Poes weten dat plan te verijdelen.
De manier waarop met drie spelers, een paar requisieten en drie (steeds veranderende) strip-panelen gespeeld wordt, is knap. Op een leeg toneel wordt met grote bewegingen door diepe sneeuw gelopen, van een helling geskied en met een bordkartonnen auto (de Oude Schicht) heen en weer gereden.
Vooral Tom Poes heeft de lichaamstaal die we kennen van de plaatjes, tot aan het geheven vingertje en de ene opgetrokken wenkbrauw als hij een list verzint.
Doordat spelers tussen de panelen door naar achteren kunnen, en soms in getekende vorm op zo’n paneel terugkomen, heeft de voorstelling de sfeer van een stripverhaal. De verzuchtingen van “Heer van stand” Bommel en de gedragen uiteenzettingen van Sickbock zijn letterlijk de taal van Toonder, zoals hij die in 1947 opschreef. Toch is het verhaal voor iedereen goed te volgen.
Natuurlijk komt de aarde weer terug in z’n goede stand. Met veel gedender, geschud en lichteffecten. Heer Bommel en Tom Poes komen veilig thuis en er wordt een eenvoudige, doch voedzame maaltijd genuttigd.
Het slotbeeld op het middelste decor-paneel is het verstripte hoofd van Marten Toonder.
Na een lang applaus hoor ik een vader eerbiedig aan zijn kleine zoon uitleggen wie die man op de tekening is.
In het jaar dat hij 100 zou zijn geworden, maakt weer een nieuwe generatie kennis met zijn werk. Marten Toonder is nog springlevend.

zaterdag 17 maart 2012

Actie, Opname


Omdat H. jarig is, gaan we met z’n tweeën uit eten. De jarige kiest voor Het Lemke, een restaurant in Nijmegen waar we wel eens meer heen gaan als we iets te vieren hebben.
Als we binnenkomen, zijn er nog geen andere gasten. Onze jassen worden aangenomen en een beleefde ober wijst ons de weg naar een tafeltje met zicht op de open keuken. Willen we al iets drinken?
‘Nog niet’, zegt H., ‘maar we willen straks een menu met een wijn-arrangement.’ De ober begint enthousiast te vertellen welke gerechten we dan kunnen verwachten. Dat klinkt zo goed dat we er meteen ja tegen zeggen. ‘O ja’, de weglopende ober draait zich nog even terug naar onze tafel, ‘er komen straks mensen van TV Gelderland om opnamen te maken. Hebben jullie er bezwaar tegen om eventueel in beeld te komen?’
We aarzelen even en zeggen dan dat het geen bezwaar is.

Terwijl wij van onze tempura-garnalen met sinaasappelsaus genieten, komen er meer mensen binnen. We zien de koks in een iets hogere versnelling schieten als het gezellig druk wordt. De televisiemensen komen pas als we aan het nagerecht toe zijn. Vlak naast ons maken ze close-up opnamen van borden eten waar nog even een toefje groen op gedrapeerd wordt voor ze naar een tafel gebracht worden. Na een tijdje lopen ze naar voren, waar een groot gezelschap zit te eten en als ze terugkomen, zie ik de camera even door het hele restaurant zwenken.
We zullen niet uitgebreid in beeld komen. Misschien helemaal niet. Daar zitten we ook niet echt op te wachten. Maar het was wel heel correct dat de ober van te voren vroeg of we bezwaar hadden tegen de opnames. We zeggen het tegen elkaar terwijl we een kop koffie van het huis drinken. Daar kunnen ze bij het VU Medisch Centrum nog wat van leren.
Voor alle zekerheid kijken we even rond of er niet meer gefilmd wordt. Dan nemen we onbespied allebei nog zo’n lekkere bonbon.

vrijdag 9 maart 2012

Een hoofd vol onrust

Het had gekund.
Dat m’n vader in zijn eigen, vertrouwde huis terug op de automatische piloot zou springen.
Maar de vijfdaagse proef was na één dag al afgelopen toen de thuiszorg hem ’s morgens niet in zijn bed vond, maar opgesloten op de wc. De rollator ver buiten bereik.
Als ik hem bezoek is hij al weer drie dagen terug in het verpleeghuis. Hij is blij om me te zien. Met kleine stapjes loopt hij achter de rollator mee naar de lift. In het restaurant beneden kijkt hij rond alsof hij er nog gooit geweest is.
Ik haal koffie en hij zucht: “Het is laat geworden gisteravond.”
“O ja?” vraag ik.
Hij vertelt dat hij in een winkel was, waar brand uitbrak. “Daar was ik de hele middag.”
“Was je in die brandende winkel?”
Hij mompelt iets vaags en gaat verontwaardigd verder: “Ik had helemaal geen verv oer, dus ik wilde dat ze voor me zouden bellen, maar dat deden ze niet!”
Ik vraag hoe hij dan uiteindelijk hier terug gekomen is. Hij denkt even na en zegt dan: “Nou, die vrouw van de winkel.... die heeft me toen naar m’n bed gebracht.”
Hij zegt het met een zweem van een lach, alsof hij het zelf een beetje een vreemd verhaal vindt.
“Gelukkig maar”, zeg ik.
Dan kijkt hij onrustig op zijn horloge. “Kwart voor 12... Hoe moet dat nou met dat eten dat ze komen brengen?”
Ik zeg dat hij om half 1 boven in de eetkamer gaat lunchen en vraag dan of hij iets wil vertellen over vroeger, over zijn schooltijd. Als hij dat doet, komt er een klein lachje op zijn gezicht. Maar om de paar zinnen is hij afgeleid door gelach aan een andere tafel, iemand die langs het raam loopt, een stem die iets roept.
Weer een blik op z’n horloge.
Om kwart over 12 gaan we maar vast naar de eetkamer. Z’n tafelgenoten druppelen ook binnen en ik trek me volgens de regels terug. Met een boek.

Wat er gebeurd is tijdens de proefperiode thuis weet pa niet meer.
“Ze zeggen dat ik ’s morgens niet in m’n bed lag”.
Hij gelooft het niet erg. Hoe kan het nou waar zijn als hij er zelf niks van weet? Even later vraagt hij zich bezorgd af hoe hij vanavond nou naar huis moet.
Ik wijs: dáár is jouw kamer pap, en daar staat een bed waar je vannacht in kunt slapen.
“Jaja”. We lopen er heen en hij laat zich voorzichtig zakken op z’n vaste stoel. Er komt een zuster langs met koffie en terwijl hij in z’n kopje roert, zegt hij peinzend:
“Ik denk dat je moeder het wel goed zou vinden.... dat ze je hier zo goed verzorgen.”
“Dat denk ik ook”, weet ik langs een brok in m’n keel te krijgen.
Na de koffie stap ik op. Hij moet naar de wc, maar wil eerst meelopen tot de lift. Daar gaan we weer door de gang, stapje voor stapje.
“Dag pap, tot volgende week”, ik geef hem een zoen. “Ga maar gauw naar de wc.”
“Jaah”, zegt hij en begint zijn rollator te keren.
“Maar ik ga eerst even regelen dat ik hier kan blijven slapen vannacht.”

zondag 4 maart 2012

Stenen

“Heb je zin om mee naar een leuk stenenwinkeltje te gaan?” vraagt I.
We zitten aan haar keukentafel. Naast me op de grond staat een loodzwaar versteend stuk boomstam, dat volgens I. veel genezende kracht bezit. Ze houdt zich nogal bezig met spirituele dingen, maar kan ook heel aards om de meest platte humor schateren. Bij een kop koffie heeft ze me net een anecdote verteld over condooms “met kaas-uiensmaak” en toen we uitgelachen waren, kwam ze met het stenenvoorstel.
Ik ben niet zo overtuigd van de krachten die aan allerlei steensoorten worden toegeschreven, maar wil best mee. Dus stappen we in haar auto en rijden naar Sint Anthonis. Onderweg vertelt I. dat de winkel oorspronkelijk een dierenspeciaalzaak was, maar dat de vrouw van de eigenaar edelstenen als hobby heeft. Langzamerhand rukken de stenen op en die handel doet het goed!
Een enorme bonk rozenkwarts maakt meteen duidelijk waar we moeten zijn. We lopen naar binnen en I. begint meteen een praatje met de eigenares. Ze is hier duidelijk kind aan huis.
Ik dwaal tussen de schappen door en weet niet waar ik het eerst moet kijken. Overal stenen. Op de grond staan enorme zwarte gevaarten die doormidden gekliefd een glinsterend paars hart vertonen. Op de planken liggen ruwe stenen met hier en daar een gouden schittering, gladgepolijste stenen in alle maten, plakjes versteend hout, stenen in allerlei kleuren. Hier een hele verzameling zwarte, ernaast zwarte met witte spikkeltjes, nog verderop met strepen, en op een andere plank helderwitte en roze stenen. Kitscherige stenen met een lampje erin, gladde engeltjes, grove brokken met aan één kant een glad plekje in betoverende kleuren.
I. komt me opzoeken en lacht om mijn enthousiasme. Bij een paar kronkelige takken die volhangen met gladde stenen aan koordjes sta ik te twijfelen. Ik heb er één gezien die ik wil kopen. Maar die andere is ook zo mooi. En helemaal niet duur: ik word er hebberig van.
I. wil alleen maar kijken vandaag, zegt ze. Ze heeft zich hier al zo vaak laten verleiden. Die boomstam in haar keuken bijvoorbeeld, was een flinke uitgave. Ik heb zulke bedenkingen niet en koop een hanger, een ring en een tijgeroog engeltje. De eigenares laat me in een boek zien wat de betekenis is van mijn stenen. De platte ovalen hanger is jaspis. Dat het de bevalling verlicht laat ik voor wat het is, maar behalve een reeks geneeskrachtige werkingen heeft jaspis ook de reputatie van gelukssteen. Daar besluit ik dan maar in te geloven en als we even later langs de rozenkwarts teruglopen naar de auto voel ik me dan ook heel tevreden, om niet te zeggen gelukkig.
Aan het gezicht van I. te zien, is mijn jaspis niet zuinig met z’n geluk. Ze glundert: “Ik zei toch dat het een leuk winkeltje is!”

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...