dinsdag 26 mei 2015

Koken met wilde planten


Dat je paardenbloemblad kon eten, wist ik. Maar dat je van de gele bloemblaadjes ook (met veel geduld) jam kunt maken, had ik niet kunnen bedenken.
Ik heb me ingeschreven voor een workshop ‘koken met wilde planten’. Eerst een uur de uiterwaarden in om te plukken. Dan een uur aan de slag om er iets eetbaars mee te maken. Het maximum aantal inschrijvingen was vijftien en de groep zit vol. Om half twee staan we met z’n vijftienen om Antoinette heen, die ons uitleg zal geven. Al na een paar meter staan we stil, want daar staan muntplanten en er komt een kleine berenklauw op, waarvan de jonge topjes gegeten kunnen worden. Weer een paar stappen verderop vinden we smeerwortel, met bloemetjes die zoet smaken door een klein druppeltje nectar binnenin (als de insecten je niet voor zijn geweest). Een half uur later zijn we niet veel meer dan honderd meter opgeschoten. Het dijkmagazijn, waar de wandeling startte, ligt direct aan de dijk, en die is in het voorjaar rijk begroeid met planten waarvan er heel wat eetbaar zijn. We staan dus meer stil dan dat we lopen.

Van madeliefjes en margrieten kun je de bloemen eten, van de jonge toppen van brandnetels kun je soep maken, of pesto. Weegbree, vijfvingerkruid en duizendblad; allemaal is het te gebruiken in salades of ‘in taartjes’, zoals onze gids regelmatig zegt.
Ik probeer me een voorstelling te maken van die taartjes. Over de meeste planten die we tegenkomen, zegt Antoinette dat je er een paar blaadjes van bij je taartje kunt doen. Maar wat is dan het hoofdingrediënt? Ik vraag het, maar krijg niet echt een duidelijk antwoord.
Veel planten ken ik al en van sommige wist ik ook dat je ze kon eten. Maar ik leer ook verrassende nieuwe dingen, bijvoorbeeld dat je van de akkerdistel de steel kunt schillen en eten. En dat je ook de kleine, onooglijke trosjes waarmee een brandnetel bloeit, kunt oogsten.
Als het eerste uur al bijna om is, gaan we toch nog even het klaphekje door dat naar de uiterwaarden leidt. De twee grote manden die we hadden meegenomen, zijn nog bijna leeg. Het gaat vanmiddag meer om de informatie dan om het verzamelen. Maar dat is niet erg, want er is wat voorwerk gedaan.

Terug bij het startpunt gaan we met de hele groep om een grote picknicktafel heen zitten en even later komt Doortje van het Dijkmagazijn naar buiten met een dienblad vol kommetjes groene brandnetelsoep, waarin witte madelievenhoofdjes drijven. Op de tafel staan al kannen met gele en groene limonade; van vlierbloesem en van lievevrouwebedstro.
Er wordt nog veel meer voedsel naar buiten gedragen. Drie verschillende pesto’s, een kruidenkaasje, een pot muntthee en als klap op de vuurpijl een prachtige kwarktaart met paardebloemenjam,  versierd met madeliefjes.
We gaan helemaal niet koken, we gaan eten. En hoewel ik de bloemen, blaadjes en knoppen die ik onderweg geproefd heb lang niet allemaal kon waarderen, blijken ze zo verwerkt in deze hapjes en drankjes bijna allemaal heel smakelijk te zijn. Van elk gerecht krijgen we het recept en nu krijg ik pas écht zin om zelf de berm in te duiken. 

Dat brandnetelsoepje zie ik mezelf wel maken en ik neem me serieus voor om er binnenkort een keer op uit te gaan om brandneteltoppen te gaan plukken. Wel met handschoenen aan, want Antoinette heeft ons dan wel laten zien dat het best zonder kan, maar zó,n koelbloedige natuurkok ben ik nog lang niet.

zaterdag 23 mei 2015

Speurtocht naar een kamer

 Vandaag had ik een afspraak met een professor aan de Rijks Universiteit Groningen voor een interview over de biologische klok van mens en dier. Zijn kamer is in de Linneausborg, een tamelijk spectaculair gebouw. Het is van een opvallende, blauwgroene kleur en gebouwd in een zigzagvorm. Het middengedeelte rust op palen en er loopt een weg onderdoor. Aan de ene kant van dit lange brug-deel maakt het gebouw een scherpe knik naar voren en aan de andere kant naar achteren. Beide kanten lopen naar beneden af tot op de grond, zodat je op het dak kunt kijken, dat begroeid is met groene en oranje sedum. Ik vind het er mooi uitzien.
 
In een mail schreef de professor me dat zijn kamer een beetje lastig te vinden was. Daarom beschreef hij nauwgezet hoe ik er moest komen: eerst met de lift naast de receptie naar de vijfde verdieping. Dan het hele gebouw door naar de lift aan de andere kant. Met die lift terug naar de derde verdieping, om de vide heen en daar is de bewuste kamer.

Met de beschrijving in mijn hand vind ik de kamer en meld me netjes op de afgesproken tijd. Ik vraag of er ergens in het gebouw een obstakel is of een storing waardoor deze vreemde omweg met twee liften nodig is, maar hij legt uit dat het gebouw zo in elkaar zit, dat je vanaf de hoofdingang simpelweg niet in één keer met de lift naar deze plek op de derde verdieping kunt komen. Er is weliswaar nog een andere ingang, maar daar kun je om veiligheidsredenen alleen met een pasje naar binnen.

 Als ik na ons gesprek weer naar huis rijd, denk ik na over het vreemde gebouw en vraag me af of de architect van zoiets behalve met vormgeving ook bezig is met de gebruiksvriendelijkheid. Weer thuis zoek ik de Linneausborg op op internet en vind de volgende trotse beschrijving van het verantwoordelijke architectenbureau
 
“Het is in de eerste plaats een functioneel en efficiënt resultaat van het samenbrengen en ruimtelijk verbinden van drie verschillende onderzoeks sferen: Dierenbiologie, plantenbiologie en micro- en biotechnologie.”

Ja dus, er is wel degelijk nagedacht over de functionaliteit. In een verklarend artikel van de architect gaat het over interactie, dynamiek, flexibiliteit en zichtlijnen. Dat is dan wel een ander niveau dan binnenkomen en de plek vinden waar je moet wezen. Maar dan zijn dan ook wel erg aardse dingen voor een bevlogen architect om zich mee bezig te houden

woensdag 20 mei 2015

Worstenbroodjes en de tafel van zes

We zijn de hele middag buiten geweest en nu gaan we worstenbroodjes maken. Het deeg is gerezen en het gehakt gekruid. De twee kinderen in het gezelschap mogen de gehaktworstjes in het deeg rollen. Het is gezellig in de keuken.
Als de moeder van de kinderen op haar horloge kijkt, schrikt ze een beetje. Het is al best laat en morgen moeten ze weer naar school. ‘En eigenlijk moeten jullie nog even de tafels oefenen vanavond. Daar komt zo ook weer niks van terecht.’
Tafels kunnen natuurlijk altijd. Vooral als je met zes personen worstenbroodjes gaat eten. We maken er zestien en de jongste wil alvast graag weten hoeveel hij er straks mag opeten.
‘Eerst de tafels’, zegt H. ‘Welke tafel kun je voor ons opzeggen?’
Het wordt de tafel van twee, die er vlekkeloos uit komt.
‘En nu die van vijf’, zegt H.
‘Krijg ik voor elke tafel die goed gaat een worstenbroodje?’ vraagt de jongen hongerig.
‘Nou… er is wel een maximum’
De tafel van vijf wordt opgezegd, en dan die van zeven, waarbij grote zus sneller is.
Geërgerd kijkt hij opzij naar haar. ‘Nou-hou’
‘Geeft niks’, zegt H., ‘nou jij.’
Weer wil hij weten of hij daar een worstenbroodje mee scoort.
Zijn moeder kijkt bedenkelijk bij zijn hebzucht; ik moet lachen. ‘Hoeveel worstenbroodjes hebben we gemaakt?’ vraag ik hem.
Hij telt: zestien.
‘Oké. Stel nou, dat we H. wegsturen. Dan zijn wij nog met z’n vijven. Als we alle vijf drie broodjes willen, hebben we er dan genoeg?’
Zo zijn we een tijdje bezig met berekeningen over broodjes en eters, terwijl in de oven de bewuste worstenbroodjes beginnen te geuren.

Even later zitten we aan tafel. We eten allemaal twee worstenbroodjes en de jongen houdt goed in de gaten wat er nog op de schaal ligt. ‘Ik mag er drie’, zegt hij voor alle zekerheid terwijl hij in z’n tweede hapt.
‘Jij mag er drie.’ Zegt H. ‘Dat heb ik je beloofd.’
En hij pakt alvast de schaal; daar liggen nog vier broodjes op.
‘Wie hebben er al een derde genomen?’ vraagt H. verbaasd.
‘Niemand. Er waren er zestien hè,’ zeg ik. ‘Dus niet voor iedereen drie.’
We zien aan zijn gezicht dat hij zich verrekend had en lachen hem hartelijk uit.
‘Zeg jij de tafel van zes maar eens op!’
De kinderen helpen hem een beetje. Nu weten ze meteen waarom het zo handig is om de tafels uit je hoofd te kennen.

 

donderdag 14 mei 2015

Wachten op de trein

Het duurt nog vijfentwintig minuten voordat de trein komt die we moeten hebben. Niet erg, maar we willen wel graag even zitten, dus gaan we het glazen wachthuisje op het perron in en ploffen naast elkaar op de metalen stoeltjes neer. We hebben een flink eind gefietst vandaag. Nu zijn we moe en nemen de trein terug naar huis.

Voor de deur van het wachthuisje staan twee mannen in uniform. De één is politieagent en de ander een soort bewaker. Binnen staat bij de deur nog zo’n setje en ik vraag me verbaasd af wat er aan de hand is. Net als ik het aan de jonge politieman wil vragen, richt die het woord tot een figuur die een beetje ineengedoken op een stoeltje verderop zit: ‘Zorg er nou de volgende keer voor dat je een identiteitsbewijs bij je hebt. En een telefoonnummer; bijvoorbeeld van je moeder.’ De jongen op het bankje is misschien zeventien of achttien. Hij is klein van stuk, met een bril op en hij knikt gehoorzaam. Het blijft een tijdje stil. Dan vraagt hij met een vreemd monotone stem iets onverstaanbaars aan de agent. Die buigt zich naar hem toe: ‘wat zeg je?’ Op dezelfde monotone manier vraagt de jongen het nog een keer en na een derde keer geeft de politieman een vaag antwoord, waardoor ik vermoed dat hij het ook nog steeds niet verstaan heeft.

Aan de andere kant van het glazen hok is een tweede deur, die nu open gaat. Een schoonmaker met een zwabber komt binnen en vraagt aan mij of ik even ergens anders wil gaan zitten. Ik sta op en ga opzij en hij begint druk te zwabberen onder de stoel waar ik net zat. Intussen nemen agenten en bewakers de jongen met de bril mee naar buiten door deur 1, waar ze zich bij de twee andere uniformen voegen en blijven wachten op iets.

De schoonmaker gaat nu met zijn zwabber het hele hok door. Ik mag weer naast H. gaan zitten en iedereen trekt z’n benen op om de vloer vrij te maken. ‘Moet ik ook opstaan?’ vraagt een meisje tegenover ons. Een mevrouw met een ijsje, die net tegenover ons is gaan zitten, komt op het al schoongemaakte stuk naast mij staan tot de vloer aan de overkant ook gedaan is. ‘Niet morsen hoor’, zeg ik tegen haar, ‘zonde van de schone vloer.’ Ze lacht.

Als de hele vloer gedaan is, bedankt de schoonmaker ons vriendelijk en terwijl hij met z’n rug naar de deur nog even rondkijkt, staat achter die deur een collega van hem gekke bekken te trekken. ‘Alles goed hier?’ roept hij vrolijk naar binnen als de deur open gaat. ‘Ja hoor’, zeggen wij. Kom maar binnen, het is hier gezellig!’ Maar de schoonmakers moeten verder en terwijl zij wuivend bij de ene deur vandaan lopen, zien we achter de andere deur de oudste agent vaderlijk zijn hand op de schouder van de jonge zwartrijder leggen. Wat er besproken wordt, kunnen we niet horen, maar onvriendelijk is het allemaal niet.


Even later verdwijnen de agenten en loopt de jongen tussen de bewakers in naar een gebouwtje verderop. Wij staan op omdat onze trein er aan komt. Vijfentwintig minuten wachten is soms helemaal niet lang.

dinsdag 5 mei 2015

Lekkage en uitgestelde festivals

Bevrijdingsdag, 5 mei.
Bij de buurman hangt de vlag vrolijk te wapperen; gisteren hing hij nog halfstok. Na de serieuze herdenkingsdag mogen we vandaag feest vieren. Eerlijk gezegd denk ik maar weinig aan de oorlog en de bevrijding vandaag. Ik ga met H. naar de stad en ik wil schoenen kopen.
Er staat een wonderlijk warme zuidenwind en we lopen in shirtjes met korte mouwen. Wél met een regenjas en een paraplu in de tas, want er is regen voorspeld.

We gaan verschillende schoenenwinkels in en uit en steeds als we weer buiten komen is de lucht iets donkerder grijs. In de vijfde winkel vind ik wat ik zoek. Tijdens het afrekenen hoor ik mijn telefoon. Even later zie ik dat ik een gemiste oproep heb van de dakdekker.
Die heb ik gisteren gebeld omdat we een hardnekkige lekkage hebben, die na twee reparaties nog steeds niet opgelost blijkt te zijn. Gisteren hebben we maar weer een bak bij de achterdeur gezet om de druppels op te vangen. Ik probeer terug te bellen, maar krijg de voicemail.

Buiten begint het nu te regenen. H. steekt een paraplu op en ik trek mijn regenjas aan. De wind is nog steeds warm, maar waait nu flarden regen in ons gezicht. Verderop in de straat gaan we naar binnen bij Bakker Bart, waar ik een broodje koop. Het is druk bij de bakker en het wordt nog veel drukker als ineens allerlei voorbijgangers naar binnen schieten omdat het plotseling begint te hozen. Lacherig staan we op elkaar gepakt te kijken hoe er een reclamebord voor het raam langs vliegt en dan nog wat stukken plastic.
Als het weer wat rustiger wordt, wagen we ons naar buiten om een straat verder naar de ingang van de overdekte passage te gaan. Halverwege barst de regen weer los en in de drie minuten die we nog moeten lopen, worden we flink nat. Natuurlijk heeft de dakdekker net in die hoosbui nog een keer gebeld en ik probeer weer om hem terug te bellen. Voicemail.
Een half uur later belt ie nog een keer en deze keer neem ik op tijd op. “Je zit toch niet op een dak?” vraag ik en hij zegt dat ie gelukkig net op tijd binnen was. “Lekt het nú?” vraagt hij, want het is een rottig hoekje dat bij een bepaalde windrichting lekkage oplevert. Dat kan ik vanuit de stad niet zien en voordat we weg gingen was het droog. Hij belooft me om nóg een keer langs te komen om te kijken hoe dit probleem opgelost moet worden.

De zon is definitief verdwenen en we zullen door de regen naar de auto terug moeten lopen. Tegen de wind in, die nu toch wel een stuk kouder is geworden. Even buiten het centrum zien we een groepje mensen achter een legertruck aan lopen. Een bevrijdingstocht. Wat zijn het er weinig. Zou het door het weer komen of leeft het gewoon niet meer zo?
Op de autoradio horen we dat op verschillende plaatsen bevrijdingsfestivals zijn uitgesteld vanwege het weer. Maar straks als de buien overgewaaid zijn, zal op de meeste plaatsen alles toch door kunnen gaan. ‘In het hele land worden 14 bevrijdingsfestivals gehouden, waar stilgestaan wordt bij het einde van de Tweede Wereldoorlog zeventig jaar geleden. Naar verwachting komen er zo’n 900.000 bezoekers op af.’ Horen we op het nieuws.
Negenhonderdduizend. Dat is wat anders dan dat zielige groepje dat we net door Nijmegen zagen lopen. Zouden ze echt allemaal komen om stil te staan bij de bevrijding?


Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...