woensdag 31 december 2014

Vulling vervangen

“Wil je wel of geen verdoving?” vraagt Faust terwijl hij de tandartsstoel naar achteren laat zakken. Ik twijfel. Bij de laatste paar behandelingen heb ik wel verdoving gehad. Maar voor het uitboren van een oude vulling?
“Ik kan je altijd nog verdoving geven als het tegenvalt,” zegt mijn tandarts.
“Oké”, ik doe mijn mond wijd open en het boren begint.

Toen ik klein was, was ik bang voor de tandarts. De schooltandarts kwam altijd als een akelige verrassing onaangekondigd op het kleine dorpsschooltje waar ik zat. Ergens in een hoekje van een klaslokaal controleerde hij de gebitten van alle kinderen van de school (een stuk of dertig). Erg spraakzaam was hij niet. Hij ging met z’n spiegeltje en een scherp por-attribuut je mond door en zei af en toe iets onbegrijpelijks tegen zijn assistente, die dat dan noteerde. De afkorting “Beebeetje” betekende ellende, had ik in de loop van de tijd geleerd. Dan moest je een paar dagen later naar het volgende dorp fietsen voor een behandeling. Eén keer ben ik uit de stoel weggelopen, toen ik angstig vroeg “Hoeveel moet u er?” en hij iets gromde wat ik verstond als “Tien”. Mijn moeder heeft toen aardig wat moeite gehad om me over te halen toch weer terug te gaan. De rest van de geschiedenis herinner ik me niet, dus tien vullingen zullen het wel niet geweest zijn.

Hoe anders is het bij Faust. Ondanks zijn naam is hij de zachtmoedigste tandarts die ik ooit gehad heb. Hij verontschuldigt zich voortdurend als hij denkt dat hij me pijn doet of misschien gáát doen.
“Dit kan even vervelend zijn”.
“Nu moet ik je even pijn doen, sorry, maar het kan niet anders.”
Nu boort hij heel precies de oude vulling uit mijn kies. Faust vertelt me dat hij hem nog één keer kan vervangen en daarna is het afgelopen.
“Omdat jij het goed bijhoudt, is het de moeite waard”, zegt hij. Een kwart seconde raakt de boor een zenuw, auw, maar daarna is het boren ook meteen klaar. De vulling kan er in. Pijn doet het allemaal niet, maar al dat gepriegel in je mond is niet echt prettig. Vooral als het om een kies helemaal achterin gaat. Boven mijn hoofd hangt ter afleiding een tv-scherm, maar dat kan ik de helft van de tijd niet zien. Afleiding heb ik evengoed wel; mijn tandarts is spraakzaam. Hij vertelt dat hij zelf als patiënt eigenlijk liever altijd verdoving heeft, en ook dat hij als patiënt vaak niet precies weet wat er tijdens een behandeling gebeurt, omdat je in die rol met heel andere dingen bezig bent. Intussen geeft hij de assistente instructies. Ze moet de boel goed droog houden met het afzuigslangetje en dat is lastig achterin.

Sneller dan ik gedacht had, is de klus klaar en gaat de stoel rechtop. “Je hoeft niet te wachten, je mag meteen weer eten en drinken.” Ik trek een paar keer een grimas en om mijn kaken weer uit de wijd-open stand te krijgen en sta op.
“Fijne jaarwisseling” zeg ik tegen Faust. En dan ga ik naar buiten. Ik kan weer met een verzorgd gebit het nieuwe jaar in.


zaterdag 27 december 2014

Hondjes en paarden

Mijn broer en schoonzus komen Tweede Kerstdag bij ons. Met twee kinderen en drie honden.
"Ik zal een dekentje voor ze neerleggen", zei ik toen mijn broer de hondjes aankondigde.
"Oh, een zakdoek is ook wel groot genoeg", grinnikte hij toen; het is een chihuahua moeder met twee jonkies.
Als het hele stel binnenkomt, draait alles meteen om de hondjes. Ze hollen in het rond, tikkend met hun nageltjes op ons gladde laminaat, maar al gauw vinden ze het tapijt in de zithoek. Ze wroeten er enthousiast met hun snoetjes in rond. Waarschijnlijk denken ze dat het een vreemd soort gras is.
We drinken thee, eten toastjes met paling en praten bij terwijl de hondjes van de een naar de ander springen en door iedereen geaaid en geknuffeld worden.

Na een uurtje besluiten we even naar buiten te gaan. Het is na een week miezeren eindelijk een heldere, droge dag en we gaan met z'n allen naar de uiterwaarden. Daar zitten na vijf minuten alle schoenen en laarzen onder de modder, maar dat houdt ons niet tegen. Vanaf de dijk struinen we naar de Waal. Bij het water zien we een paard lopen en nog een. Tegen de tijd dat we bijna bij het eerste waalstrandje zijn, komt ons een hele kudde tegemoet.

"Doen ze niks?" vraagt m'n neefje een beetje angstig en voor alle zekerheid kruipt hij weg achter een boomstronk. De voorste paardjes lopen ons voorbij, maar als er één nieuwsgierig aan de jas van mijn schoonzus snuffelt, blijven er meer staan. Ineens zijn we omringd door de ruige Konikpaardjes. Hun dikke, pluizige vacht zit vol klittenbollen, waardoor ze er nogal mottig uitzien. Van achter zijn boomstronk kijkt mijn neefje toe hoe zijn moeder en zus de zachte, bruine paardenneuzen aaien.
Als ik een portretfoto van een van de paardjes probeer te maken, duwt m'n fotomodel z'n neus tegen mijn telefoon. Een ander knabbelt aan mijn jas. Na een tijdje lopen de dieren weg achter de kudde aan, die van de rivier af loopt terwijl wij daar juist naar toe willen
De hondjes, die veilig opgetild waren om ze te beschermen tegen blubber en paarden, worden op het gladde, natte zand van het waalstrand gezet. Hier kunnen ze zelf rondlopen, terwijl de mensen platte stenen zoeken om over het water te keilen. De beste worp stuitert wel acht keer.
Als we het koud krijgen, zompen we dwars door een drassige grasvlakte terug naar de dijk. Daar stampen we de ergste kluiten van onze voeten en een kwartier later staan alle modderschoenen op een rijtje in de schuur. Tijd om de laatste hand te leggen aan een maaltijd met heel veel lekkere hapjes.
Terwijl we eten, rollen de hondjes over elkaar heen op ons grasveld-tapijt. Ze vermaken zich prima, en wij ook. Een beestachtig gezellige Tweede Kerstdag.

zondag 21 december 2014

Kerstmannen

Als ik mocht kiezen tussen de Kerstman en Sinterklaas zou ik zonder met m’n ogen te knipperen voor de laatste kiezen. De Kerstman is een commercieel verzinsel, uitgevonden door de frisdrankgigant Coca Cola. Sinterklaas komt voort uit een legende over vrijgevigheid.
Mij is met de paplepel ingegoten dat Kerst het feest is, waarmee we de geboorte vieren van Christus. Daar hoort het kerstverhaal bij, met herders en Engeltjes, en geen dikke man in een rood pak die met een slee door de lucht getrokken wordt door een stel rendieren. Niet dat we elkaar nou ieder jaar dat verhaal vertellen of elke kerst naar de kerk gaan, maar toch. Kerst vieren met cadeautjes onder de boom klopt voor mijn gevoel niet.

Toch kunnen we niet om de Kerstman heen. Zo weinig Klazen als ik dit jaar in mijn omgeving ben tegengekomen, zo alom tegenwoordig is de Kerstman. Bij een dagje winkelen in de stad zagen we niet alleen kerstmannen  in etalages en reclame-uitdelende studenten met witgerande, rode mutsen. We kwamen ook de Kerstman zelf tegen, zingend en ‘hohoho’ lachend vanaf een koets met een prachtig zwart paard ervoor (geen rendieren). Hij maakte gemoedelijke grapjes tegen voorbijgangers, vooral kinderen, en je hoorde hem vanaf grote afstand nog zingen. Ik vond het wel sfeervol.
Vandaag is het winkelzondag. Samen met mijn dochter fiets ik even naar het dorp om een vergeten boodschapje te halen. Onderweg zien we verschillende mensen in rode pakken en met kerstmutsen op hun hoofd. Ze lopen in groepjes en hebben rugnummers. Een kerstmannenloop?


In het winkelcentrum aangekomen, moeten we afstappen vanwege de drukte. Op het plein staat een podium en daarvoor, in een ruimte die door hekken is afgezet, staat een grote groep kerstmannen en –vrouwen. Vanaf het hoge podium spreekt en opperkerstman de groep toe, versterkt door een microfoon. Het is een enthousiast verhaal, waar we niet echt naar luisteren omdat we intussen een gesprek proberen af te maken. Als we na onze boodschap bij hetzelfde plein terug komen, is het nog drukker geworden. Er staat nu een andere Kerstman achter de microfoon, die de “Hebben-we-er-allemaal-zin-in?” act doet, met het onvermijdelijke vervolg: “Ik hoor jullie niet!”
Ja, de kerstpersonen hebben er zin in. Ze doen allemaal mee met de warming up en tien minuten later vertrekken ze voor een rondje (hard?)lopen. Wij gaan nog even bij Blokker naar binnen en daarna fietsen we naar huis. Onderweg zien we overal groepjes mensen in rode pakken met witte randjes en met rugnummers. Erg hard lopen ze niet, maar het ziet er wel gezellig uit. Waarschijnlijk lopen ze voor een goed doel. Tegen zulke kerstmannen heb ik geen enkel bezwaar. 
Maar die dikke Cola-reclameman met z’n cadeautjes komt er bij ons niet in. 

* s'Avonds lees ik op internet dat met de Santarun (3 km) inderdaad geld werd ingezameld voor goede doelen, namelijk de voedselbank en Stichting Perspectief. Er werd 2500 euro opgehaald.

zondag 14 december 2014

Misa Criolla


 De Sint Bartholomaeuskerk in Beek is nog geen half uur rijden. Om kwart over 8 begint daar een uitvoering van de Misa Criolla en we zijn ruim op tijd. De voorste banken zijn gereserveerd voor abonnementhouders, maar direct daarachter vinden we een goede plek. Als de kerk voller en voller stroomt, zijn we blij dat we zo vroeg waren. Laatkomers moeten zoeken naar een plekje. Mensen op de lange houten banken schikken gewillig in, zodat er nog iemand bij kan op het puntje.

Op het podium voor in de kerk worden wat instrumenten gestemd. In de kroonluchters branden echte kaarsen, ook zijn er kaarsen op de adventskrans. Twee van de vier zijn aangestoken; volgende week zullen dat er drie zijn en met kerst branden ze alle vier.
Voor onze kerkbank staat een knielbank. Precies op de plek waar je normaal je voeten neer zou zetten, zodat we moeten kiezen: voeten ongemakkelijk dichtbij, iets te ver weg of bovenop het rode pluche van de knielbank. De houten kerkbank is recht en hard.
Maar als de muziek begint, vergeet ik alle ongemakken.

Drie mannen met panfluiten spelen het eerste nummer. Het is nog niet de Misa Criolla; die zal pas op het laatst komen. Eerst krijgen we een ‘rondleiding’ door de Argentijnse volksmuziekgeschiedenis.
De Misa Criolla is de eerste ‘volksmis’, vijftig jaar geleden gecomponeerd door Ariel Ramírez. Voor het eerst in de geschiedenis werd een mis niet in het Latijn, maar in de volkstaal gezongen: Spaans. Het is een mix van oude melodieën en folkloretradities.

Met die tradities maken we het volgende uur kennis. We horen plechtige, oude koorzang, maar ook uitbundige accordeonmuziek. Er zijn zware trommels, kleine gitaartjes, een orgel, piano, een Indiaanse fluit, een fagot en een cello. Het koor is niet groot, maar ze zingen fantastisch. De Latijns Amerikaanse ritmes zijn meeslepend en ik zie om me heen dat sommige mensen moeite hebben om stil te blijven zitten.

Thuis hebben we op een CD de Misa Criolla, gezongen door José Carreras. Ik hou van de stukken beurtzang van koor en solist, van de manier waarop dat koor afwisselend uitbundig en melancholiek klinkt. Ik was bang dat het kleine koor dat hier staat tegen zou vallen. Maar dat is niet zo. Ze klinken vol en zuiver, waarbij de akoestiek van de kerk natuurlijk meewerkt. Er zijn twee nummers waarin veel van de koorleden een klein stukje solo zingen. Een expressief heen en weer kaatsen van zinnetjes die steeds hetzelfde eindigen. Ik vind het leuk om ze zo heel even uitgelicht te horen en om te zien met hoeveel plezier ze zingen.

Dan komt dirigent Adrián Rodriquez Van der Spoel naar voren om te vertellen dat al deze volksmuziek die we gehoord hebben, terug te vinden is in het laatste deel van het concert: de Misa Criolla *. Zijn gezelschap, Musica Temprana, gooit hart en ziel in de mis. Na de laatste noten blijft het een paar seconden stil in de kerk, waarna een uitbundig applaus losbarst. We staan allemaal op: achter, voor of bovenop de knielbankjes. Er wordt in de statige kerk gefloten en geroepen tot er een toegift komt. En daarna nog een keer. Dan verlaten muzikanten en koor onverbiddelijk het podium. En wij gaan naar buiten. Met nog uren lang een hoofd vol muziek.

        Home.planet.nl over de Misa Criolla:  Dramatische ritmes uit het noordelijke Andesgebergte vormen de basis van het Kyrie. Het populaire Gloria daarna bestaat grotendeels uit een vrolijke 'carnavalito', in het midden opeens afgewisseld door een langzaam ritme dat door de Inca's voor begrafenissen gebruikt wordt. Het Credo is een onweerstaanbare 'chacarera', de belangrijkste feestdans in Argentinië. In het Sanctus is een subtielere variant op de carnavalito te horen. De mis eindigt met een melancholiek ritme van de Argentijnse pampa's.
 



vrijdag 12 december 2014

Interview met een breinonderzoeker

Aan het eind van het Jaar van het Brein maken we op de valreep een Brein-special: een cd vol wetenswaardigheden over het brein in relatie tot onze doelgroep: blinden en slechtzienden. Mijn collega’s verzamelen materiaal uit kranten, tijdschriften en van internet en zoeken geschikte kandidaten voor aanvullende interviews. Mijn taak is het om Professor Kupers te interviewen, een neurowetenschapper die onderzoek doet naar de hersenen van blinde proefpersonen. Hij woont en werkt in Kopenhagen, maar zal in november een weekend in Maastricht zijn, waar ik hem kan spreken.

Na de toezegging blijft het lang stil. Ik krijg de professor pas te pakken vlak voordat hij naar Nederland komt en de afspraak komt op zondag terecht. Dan heeft hij tijd. Op zaterdagavond bekijk ik nog even mijn mail en zie een berichtje van Professor Kupers, dat zijn programma veranderd is. Hij moet op zondag met twee blinde Deensen een rondje Maastricht doen. Maar misschien kan ik hem tijdens de lunch interviewen? Of anders daarna op de Universiteit.

Zo komt het dat ik op zondag 23 november om half 12 over het Vrijthof wandel, op weg naar een kop koffie. Er staat een kermis op het Vrijthof, omringd door hoge hekken. Van het mooie plein is daardoor erg weinig te zien. Vanaf de gezellige terrasjes zie je niet de Sint Janskerk, maar rommelige hekken en daar bovenuit een reuzenrad. Ik zoek een plekje in de zon (ja, deze 23e november is een prachtige dag) en tegen twaalven bel ik het telefoonnummer dat ik heb gekregen. De professor en zijn blinde dames zijn vlakbij. Ze komen naar me toe.
Het kan niet missen. Een kleine, kalende man met aan elke kant een jonge vrouw met witte stok; en dan nog een gids die ze de stad door heeft geleid. We schudden handen en stellen ons aan elkaar voor. De gids verlaat het groepje en wij zoeken een plek waar we rustig kunnen lunchen.

Ik heb een reliëfkaart van het brein meegenomen voor Professor Kupers, die ik meteen te voorschijn haal en op tafel leg. Het is een kleurige, schematische afbeelding van de menselijke hersenen waar overheen een doorzichtig vel hard plastic, met dezelfde afbeelding in reliëf. De vrouwen gaan om de beurt met hun vingers over de plaat. Ze vertellen dat in Denemarken reliëfafbeeldingen bij studiemateriaal op een andere manier gemaakt zijn. Op swell paper, papier waarop bij verhitting getekende lijnen omhoog komen. 


We hebben een geanimeerd gesprek over aanpassingen van studiemateriaal en de problemen die daar bij komen kijken (ook in Denemarken leveren opleidingen hun boekenlijsten vaak erg laat aan) en intussen worden er broodjes gebracht en leren de Deensen de Hollandse Kroket kennen.

Dan is het ineens hoog tijd dat we opstappen, want de dames proefpersonen worden op de Universiteit verwacht voor een hersenscan. De tocht naar de parkeergarage over ongelijke keitjes en langs sluipweggetjes tussen hekken door valt niet mee. Ik loop met één van de vrouwen aan de arm mee tot de auto en zij vertrekken haastig om nog op tijd te komen. Ik kom wat later bij de Universiteit aan.

Het gloednieuwe gebouw van Brains Unlimited is uitgestorven. Professor Kupers wijst me een hoek met zitjes waar we het interview kunnen doen. Hij heeft nu alle tijd, want voor het onderzoek van vandaag hoeft hij alleen in de buurt te zijn voor mogelijke problemen. Uitgebreid beantwoordt hij al mijn vragen. Hij houdt zich bezig met dat deel van de hersenen dat mensen gebruiken bij het kijken: de visuele cortex. Het is een groot stuk van het brein en Kupers wil weten wat daar gebeurt als iemand níet ziet. Wordt het dan voor iets anders gebruikt? Intussen is wel duidelijk dat de visuele cortex van een blind persoon ingezet wordt voor andere dingen. Voelen bijvoorbeeld (braille lezen) en ruiken. Maar er valt nog véél meer aan te onderzoeken.


Met ruim een uur aan materiaal ga ik later op de middag de deur uit. Het wordt nog een hele klus om daar een interview van 12 minuten van over te houden, maar dat gaat wel lukken. Ik zet de autoradio aan en rij door het zonnetje naar huis. Werken op zondag moet geen gewoonte worden, maar voor een keertje vind ik het op deze manier helemaal niet erg.

zaterdag 6 december 2014

Opruimen


Ik heb me voorgenomen om vandaag een blogje te schrijven. Aan de grote tafel zit ik achter mijn laptop te bedenken waar het over zal gaan. Door het raam zie ik in de tuin plotseling een merel uit het struikgewas komen. Nou ja, struikgewas, het zijn lage, nog groene plantjes, maar voor de merel zijn ze manshoog. Hij verdwijnt aan de andere kant van het terras uit zicht. Ik bedenk dat het binnenkort weer nationaal tuinvogel telweekend is. Half januari. Als ik vandaag zou tellen, kon ik heel wat streepjes zetten. Nu ik eenmaal naar buiten kijk, zie ik overal beweging tussen planten en struiken. Ik zie ook dat het terras rommelig is. Overal liggen dingen te slingeren. Omgevallen potjes met kruiden, die al een paar weken ‘voorlopig’ op een stenen bankje staan; een roestig schepje; een oude afwasborstel die voor een vies klusje gebruikt is en niet opgeruimd; een paar grote stenen die ooit beschilderd zijn geweest maar hun kleur in regen en wind hebben verloren…


Sommige mensen hebben hun huis en tuin altijd netjes. Mij lukt dat niet. De tafel waar ik aan zit heb ik gisteren nog helemaal leeggeruimd. Nu liggen er alweer stapels kranten, studieboeken van mijn zoon, een paar brillenkokers, er staan twee laptops en een paar lege koffiemokken en nog meer. Ik negeer de rommel op tafel en besluit naar buiten te gaan. Eigenlijk is het best mooi weer om even dat terras aan te pakken. 



Een half uur later sta ik de compostbak om te scheppen. Ach, als je dan toch buiten aan het werk bent, kan zo’n klusje er ook wel even bij. We hebben twee compostbakken. De theorie is dat de ene nu wordt gebruikt voor het groente- en fruitafval terwijl de andere voor de winter met rust gelaten wordt, zodat de compost daarin komend voorjaar over de tuin uitgespreid kan worden. Blijkbaar is die theorie niet bij iedereen bekend. Bovenin de rustende bak ligt een verlepte bos bloemen en een lading verse perenschillen. Ik zie ook waarom: de andere bak is vol. Met een schop help ik de volle bak om een beetje in te klinken. Daarna hevel ik (met handschoenen aan) de bloemen over. De schillen werk ik met de schop door de bijna-klaar compost. Als de klus klaar is, pak ik de bezem om de gemorste compost netjes van het pad te vegen. Eenmaal aan het vegen, doe ik meteen het hele pad. Maar eerst haal ik het onkruid tussen de tegels weg. 

Voordat ik het weet, ben ik een paar uur bezig en begint het een beetje schemerig te worden. Zo vind ik het wel weer genoeg. Ik besluit als beloning een vuurtje te stoken in de vuurschaal. Ik heb in de schuur nog wat kurkdroge stukken schors om mee te beginnen. Hoe droog de schors ook is, in een vuurschaal met vochtige restjes van een eerder vuur lukt het me niet om het brandend te krijgen. Ik had hem natuurlijk eerst schoon en droog moeten maken. Maar ik heb nu al zó veel opgeruimd en schoongemaakt… genoeg is genoeg. En dát is natuurlijk de reden dat het mij niet lukt om huis en tuin altijd netjes te hebben. Na een tijdje vind ik het wel weer genoeg. Dan maar niet schoon en netjes. Maar het is wel jammer van m’n vuurtje. Het blijft bij een sombere, stinkende rookpluim. Stinkend maar opgewekt ga ik naar binnen. Tijd om eindelijk mijn blogje te gaan schrijven.


zondag 30 november 2014

Hip hip hoera


Op 27 november is het precies een jaar geleden dat ik een nieuwe heup kreeg. Ik vind dat iets om even bij stil te staan en neem een dadelrol mee naar m’n werk. Als ik de trap op loop naar mijn werkplek, denk ik aan hoe ik voor het eerst weer voorzichtig met krukken op die trap naar boven ging. Hoe anders is het nu.
“Vandaag heb ik een privé-jubileumpje”, zeg ik tegen m’n chef, die al achter zijn bureau zit. “O ja?” Hij kijkt me nieuwsgierig aan. “Mijn heup is precies één jaar oud,” vertel ik, “dus ik vier een kleine deelverjaardag.” De andere collega’s van mijn afdeling werken vandaag thuis of hebben vrij. Met z’n tweeën eten we halverwege de ochtend een groot deel van de dadelrol op. Lekker.

’s Avonds heb ik dansles. Voordat ik mijn heup brak, ging ik twee keer per week hardlopen, maar dat werd me afgeraden met de kunstheup. Het kán wel, maar dan heb ik kans op een snellere slijtage. Om toch in beweging te blijven, ben ik nog niet zo lang geleden begonnen met salsadansen. Vorige week was de laatste les van de eerste reeks “Ladies Freestyle” voor beginners. Van een aantal anderen heb ik gehoord dat ze willen overstappen naar een cursus voor paren en sommigen willen er mee stoppen. Ik ben dus benieuwd hoeveel mensen er overblijven voor ‘beginners 2.”

De cursus begint al om kwart over zeven en ik moet me altijd haasten om op tijd te zijn. Tegen de wind in fiets ik door de miezeerregen de zeven kilometer naar Nijmegen. Het is bijna kwart over zeven als ik bij de dansschool aankom. Er komt salsamuziek uit de kleine zaal boven, maar ik hoor geen stemmen. Als ik binnen kom, zijn alleen Linda en Betho van de dansschool er. Niemand van de andere cursisten? Nee, ook niet als we nog een tijdje wachten.

Wat nu? Wil ik tóch les of liever niet? Ik zeg dat ik graag wil dansen. Anders ben ik voor niks dat hele eind door de regen gefietst. Betho belooft dat hij over een oplossing gaat nadenken en verdwijnt naar beneden. Een beetje onwennig beginnen we aan een eenpersoons les. We nemen alle danspassen en figuren door die we in eerdere lessen geleerd hebben en Linda laat zien hoe sommige dingen makkelijker of mooier kunnen. Het uur is zo om.

Om kwart over acht is Betho terug. Hij stelt voor dat ik bij een andere groep aansluit die al wat verder is. Op de maandagavond om zeven uur. Ik ben niet blij met zeven uur en ik ben helemáál niet blij met een groep die al wat verder is. Zó soepeltjes leer ik het allemaal niet. Ik vraag of er weer een eerste beginners groep is, waar ik later bij kan aanhaken. Die is er niet. Maar nu deze groep uitvalt, kan er misschien nog snel iets georganiseerd worden, want er zijn wel liefhebbers, waar geen avond meer vrij voor was. Als ik wil mag ik dan voor niks nog eens de eerste beginnerscursus meedoen. Hij zal me op de hoogte houden.


Door de koude herfstavond fiets ik naar huis met een warm gevoel. Ten eerste omdat ik het van een uur intensief salsadansen gewoon warm heb gekregen. Maar ook omdat er zo met me mee gedacht wordt. En tenslotte omdat ik gewoon heel blij ben dat ik, een jaar nadat ik misselijk en ellendig wakker werd na een heupoperatie, nu zonder probleem op een avond heen en weer fiets naar Nijmegen om daar salsa te dansen. 

vrijdag 21 november 2014

Bedelaars en straatmuzikanten

Ik heb boodschappen gedaan bij Albert Heijn en loop nog even naar de andere kant van het plein om printpapier te halen. Als ik terugkom, hoor ik muziek. Zachte, eentonige accordeonklanken. Ik zoek met mijn ogen naar de muzikant. Die verwacht ik bij de ingang van de Appie, want dat is een plek waar wel vaker een accordeonist of iemand met een gitaar zit. Maar daar zit ie niet. Hij zit een beetje weg gepropt achter de lange rij boodschappenkarretjes. Zo bescheiden als de muziek klinkt, zit de man erbij. Als ik naar mijn fiets loop, kom ik er langs.
Tijdens het lopen heb ik al geconstateerd dat deze man geen muzikaal wonder is. Zijn repertoire lijkt maar uit een paar maten muziek te bestaan. Toch leg ik een euro in zijn bakje voordat ik mijn fiets van het slot haal en wegrijd.

In mijn eigen woonplaats kom je ze niet zo heel veel tegen: straatmuzikanten en bedelaars. Maar in grote steden kun je aardig wat kleingeld kwijt zijn als je in elke hoed, pet of gitaarkoffer een paar munten gooit. Toen we een paar dagen in Rome waren, zagen we elke dag wel een paar oude vrouwen die helemaal in elkaar gekropen op straat zaten: geknield, het hoofd diep naar de grond gebogen en met één uitgestrekte hand bedelend. Het irriteerde me. “Is er echt helemaal niets anders wat je kunt doen om wat geld te verdienen?” dacht ik. In Santo Domingo liepen dit soort oude bedelvrouwen de pleinen te vegen. In Rome zaten ze midden tussen de rommel een zielig handje op te houden.

Oordeel ik te makkelijk? Misschien.
In elk geval besloot ik in Rome om drie keer per dag geld te geven aan iemand op straat. Ik koos altijd mensen die er iets van probeerden te maken. Een trompettist die een melancholiek lied blies, een man die z’n geschminkte hoofd uit een kinderwagen stak en grapjes maakte naar iedereen die langs kwam (vooral de kinderen maakte hij aan het schrikken en aan het lachen), een levend standbeeld…

Is het eerlijk om te kiezen voor de mensen die het toch wel redden boven de allerzieligsten die alleen nog maar in een hoekje kruipen achter een kartonnetje met de vraag om wat geld voor eten? Ik ben in elk geval niet de enige die het doet. En als ik hier in Nederland zulke bedelaars tegenkom, kan ik niet geloven dat ze die euro’s die ze zo bij elkaar bedelen echt gebruiken om een broodje te kopen.
Ach, misschien denk ik er over een paar jaar heel anders over en krioelt het dan ook in onze steden en dorpen van de oude, zielige vrouwtjes die hun hand op houden. Misschien verander ik dan mijn strategie en geef alleen nog maar aan de armste, de oudste, de eenzaamste. Tenslotte lijkt het er tegenwoordig op dat we allemaal in die positie terecht kunnen komen.


vrijdag 14 november 2014

Donkerbeleving in het MuZIEum


“Heeft iedereen z’n tas in een kluisje gedaan? Volg mij maar deze gang in. Mensen die een bril op hebben mogen die hier achterlaten. Binnen heb je hem niet nodig. Zijn alle telefoons uit? Dan gaan jullie nu door deze deur naar binnen en daar zul je je gids ontmoeten. Veel plezier.”
We staan met z’n zessen in een kleine ruimte. Als de deur dicht gaat, zien we ergens nog een klein streepje licht, maar dat zal straks ook verdwijnen. 

Een blinde gids staat ons op te wachten. Ze stelt zich aan ons voor en vindt in het donker één voor één onze handen om te schudden. Dan gaan we op pad door de onzichtbare ruimte. In één hand een blindenstok, de andere hand tastend langs de muur die ons hier als houvast kan dienen.
Ineke heet onze gids. Ze heeft een stevige, vrolijke stem waarmee ze ons voortdurend de weg wijst, geruststelt, aanwijzingen geeft, grapjes maakt en steeds laat weten dat ze in de buurt is. 

Ons groepje doet de ‘vakantie’ rondleiding. We gaan naar Italië, zo vertelt Ineke. Dat doen we met het vliegtuig, en nu zijn we op weg naar de band waar de koffers aan zijn gekomen. Na een paar meter moeten we de veilige muur loslaten en voel ik voor me de ‘band’ met bagage. Ik herken een grote koffer, een kleinere koffer en dan voel ik iets dat ik niet thuis kan brengen. Weer een koffer… een buggy… Verderop hoor ik de stem van Ineke, die de voorste van ons gezelschap vanaf de koffers naar een volgende plek begeleidt. Even later voel ik na een laatste tas niets meer.

Ik stap de leegte in, maar daar is mijn gids alweer. Ze pakt mijn tastende hand en legt die tegen een volgend stuk muur. “Volg deze muur maar, dan kom je vanzelf bij het hotel.” Dan praat ze weer tegen de hele groep: “Ik heb namelijk een geweldig viersterrenhotel voor jullie geboekt. Je komt nu bij de balie. Voel maar wat er allemaal op de balie staat.”
Een laptop staat er en een telefoon. En een belletje, waarop iedereen die het vindt even een klap geeft om het te laten rinkelen. Vanaf het hotel gaan we naar de markt, waar ik met mijn neus tegen de tassen en sjaals aan loop die bovenaan de kraampjes hangen. Ik ruik uien, voel een kokosnoot en een paar onduidelijke groentes, er is kraampje met schoenen. Ineke roept iemand naar de overkant om te komen ‘kijken’ naar de leuke zonnebrillen en even later leidt ze mij naar het pashokje waarin ik die leuke jurk kan passen die ik intussen vast wel gevonden heb.Voetje voor voetje schuifel ik over de markt. Geconcentreerd probeer ik alles thuis te brengen wat ik voel en ruik. 

Veel te snel moeten we alweer door, want er zijn ook – wat een buitenkansje – kaartjes geregeld voor een belangrijke voetbalwedstrijd. Weer staat Ineke klaar om iedereen bij de hand te pakken, een opstapje op te leiden en een plaats op de tribune te wijzen. “Hier is nog een plaats waar je kunt zitten.” Met mijn stok verken ik het opstapje en als ik die hindernis genomen heb, voel ik naar voren waar de lege plaats is. Ik voel benen en mijn collega grinnikt dat de lege plaats iets verder naar links is. Terwijl iedereen een plaats zoekt, is langzaam het geluid van een voetbalwedstrijd opgekomen. Het geluid is nu op volle sterkte en Ineke roept er enthousiast doorheen hoe spannend het is. Als er een doelpunt valt, juichen we en trappelen uitgelaten op de houten tribune. 

Maar veel tijd hebben we niet. Nog voordat de wedstrijd is afgelopen, moeten we alweer verder, want er staat nog een trip door Venetië op het programma. Schuifelen langs een muur, de hand van Ineke en dan zit ik op een boot. Je hoort water kabbelen en het wiebelt. Omdat ik zelf zo vaak met een kleine boot op het water kom, heb ik hier wat meer fantasie nodig om in het verhaal mee te gaan. Ineke doet haar best. Ze vertelt over Venetië en dat we naar het San Marco plein gaan om daar op een terrasje wat te drinken.
Om de beurt uit de boot stappen is lastig, want ik weet niet waar iedereen is en of ik per ongeluk voordring of achterblijf. Ik tik regelmatig zachtjes met mijn hand tegen de rug van degene die voor me staat en als die buiten bereik is, zal het mijn beurt wel zijn om op de wal te stappen. Ik krijg gelukkig weer hulp van Ineke. 

In een rijtje gaan we op weg naar het San Marco Plein. Weer kunnen we een muurtje volgen, dat ons om een scherpe bocht leidt en dan is het even een geharrewar om een lege kruk aan de bar te vinden. Voorzichtig voel ik langs een aantal benen, en dan heb ik m’n kruk. Voor 90 cent kunnen we ieder een drankje bestellen. Ik heb alleen een hele euro, wat wel erg makkelijk is. Om het moeilijk te maken, vraag ik mijn buurman of we samen zullen doen. Ik geef hem mijn euro, krijg een dubbeltje terug en we proberen samen te controleren of er nu 1,80 op tafel ligt. Best lastig, zelfs als je weet dat elke munt z’n eigen ribbelpatroon rondom heeft. Alles wat je neerlegt, is meteen weg.

Terwijl iedereen z’n blikje of flesje leegdrinkt, vraagt Ineke ons hoe we denken dat ze er uit ziet. Er worden wat leeftijden geroepen en alle haarkleuren komen voorbij. Ze onthult dat ze een roodharige met sproeten en flaporen is. Buiten zal even later blijken dat dat een glasharde leugen was, want onze kleine gids is spierwit van haar en een stuk ouder dan iedereen gedacht had. Ze heeft er echt lol in.

Ik heb geen idee hoe lang we binnen geweest zijn. Als iemand vertelt dat het een uur was, ben ik verbaasd. Net als de meeste anderen dacht ik dat het veel korter was. Er is weer licht, de brillen mogen weer op en de tassen uit de kluisjes. Het was precies wat de naam zegt: een donkerbeleving. Bijzonder om mee te maken, maar ik ben toch wel erg blij dat het voor mij maar een tijdelijke beleving was. 

donderdag 6 november 2014

Rome, eten bij Ai Marmi


Na een dag vol oudheid in het Colosseum en het Forum Romanum gaan we eten in de gezellige wijk Trastevere. Voor Pizzeria Ai Marmi staat een rij wachtenden. Ik weet niet of ik wel zo’n zin heb om daar achter aan te sluiten om te wachten tot ik aan tafel mag. Maar H. is overtuigend. De pizza’s moeten hier erg lekker zijn. Trouwens, de mensen staan hier toch niet voor niets in de rij om er binnen te kunnen?
Ik laat me overhalen en het duurt niet eens lang voor we een plaats aangewezen krijgen. De kale, marmeren tafeltjes staan in rijen tegen elkaar aan geschoven. Dat heeft Ai Marmi de bijnaam Obitorio opgeleverd, oftewel Lijkenhuisje. We krijgen een plekje vlakbij de open deur, naast een Frans stel. Tegelijk met hen bestellen we. Een voorgerecht van gefrituurde courgettebloemen en een pizza. Onder het wachten kijken we gefascineerd naar de koks, die in een hoek van het restaurant razend hard aan het werk zijn.

Eén man verdeelt een grote homp deeg in bolletjes, die hij met een paar snelle bewegingen tot een platte ronde pizzabodem rolt. De bodems worden op een marmeren werkblad gelegd, waar ze door twee anderen rijkelijk worden belegd. Een vierde man schuift de platte pizza’s in een open houtoven, waarin een vuur brandt dat af en toe gevoed moet worden met een nieuw stuk hout.


Het is druk. Wel een kleine  honderd gasten zitten binnen en buiten aan de tafeltjes en zodra een plek vrij komt, wordt die weer ingenomen. Voor de deur staat alweer een flinke rij, maar er lopen ook mensen gewoon langs de wachtenden naar binnen. We vragen ons af wat het systeem is, als een man uit de wachtrij ineens boos naar binnen komt om zijn beklag te doen over de voordringers. Hij wenkt zijn gezelschap naar binnen en er worden snel plaatsen georganiseerd. Tussen ons en de Fransen past nog een stel. Het zijn Italianen uit Rome. Ze vertellen ons hoe goed deze pizzeria is en hoe druk. Elke dag rijen voor de deur. Intussen hebben we ons voorgerecht op en komen de pizza’s. Het smaakt inderdaad prima. Terwijl we eten, blijven we ons verbazen over de snelheid waarmee er voortdurend nieuwe pizza’s gemaakt worden.
Als we uitgegeten zijn, staat er uit het niets een ober naast ons om af te rekenen. Hij brengt een leeg blocnote mee en we mogen zelf vertellen wat we hebben gegeten. Duur is het niet en we geven een ruime fooi. Dan schudden we handen met onze internationale tafelgenoten en zodra we onze hielen gelicht hebben, staan er weer nieuwe gasten klaar om onze plaatsen in te nemen.
“Dat was leuk hè!” zegt H. een beetje triomfantelijk als we weer buiten lopen. Ik geef hem gelijk. Deze pizzeria was een belevenis. En het eten was nog lekker ook. Ai Marmi aan de Viale di Trastevere. Een aanrader als je in Rome bent. 

woensdag 5 november 2014

Rome: Het Pantheon

Als je foto’s ziet van het Pantheon in Rome zijn dat meestal plaatjes van de binnenkant. De ronde koepel met midden bovenin een gat (de oculus) waar het daglicht naar binnen valt, geeft de kerk een sierlijk, luchtig karakter. Van buitenaf is het een dichte, ronde steenmassa met aan de voorkant een vierkante zuilengalerij.

“Is dit wel het Pantheon?” vraag ik me even af voordat we tussen de hoge zuilen door naar de ingang lopen. Achter de openstaande, enorme bronzen deuren kunnen we een stukje van de ronde ruimte zien, maar halverwege de zuilengalerij staan dranghekken. Er is een mis bezig en dan mogen toeristen niet naar binnen. We sluiten ons aan bij de wachtenden en na een paar minuten lopen er wat mensen weg zodat we helemaal vooraan staan. In de verte zien we de ruggen van een rijtje nonnen met blauwe kappen die de mis bijwonen.
Twee bewakers staan achter de dranghekken en geven geduldig antwoord op vragen van wachtende toeristen. Hoe laat is de mis afgelopen? “A mezzodia” (om 12 uur). Nog een kwartiertje. Een dikke man met een fototoestel mag om duistere redenen om het hek heen. We zien hem door de kerk lopen en foto’s maken. Vreemd.

Na een tijdje komen de eerste kerkgangers naar buiten. In de mensenmenigte wordt een smal gangetje voor ze vrijgehouden. De bewakers beginnen de dranghekken weg te halen, maar gebaren dat we nog even moeten wachten. Iedereen blijft netjes voor een denkbeeldige lijn staan. Pas als na een paar minuten een gebaar komt dat duidelijk “Kom maar binnen” betekent, begint de hele groep langzaam en eerbiedig naar binnen te schuifelen.


De lichtval in het Pantheon is fantastisch. We proberen uit te vinden waar je precies midden onder de oculus staat. Daarbij ontdekken we dat er overal in de marmeren vloer afvoergaten zitten. Logisch natuurlijk, want als het regent, moet het water ergens heen kunnen.
De diameter van het Pantheon is 43,3 meter. We lazen ergens dat de koepel van de Sint Pieterskerk door ontwerper Michelangelo uit respect voor het Pantheon nét iets kleiner gebouwd werd. Zoiets vind ik nou leuk. 

De koepel waar we nu onder staan is van beton. Een gebouw van bijna tweeduizend jaar oud met een betonnen dak. De kwaliteit van dit Oud-Romeinse beton moet toch wel beter zijn dan die van hedendaags beton. Ik geloof niet dat er tegenwoordig nog iets gebouwd wordt dat langer dan een paar honderd jaar stand houdt.
De muren zijn dan ook zeven meter dik en de koepel is van onder naar boven van steeds lichter materiaal gemaakt. Het cement rondom het gat is van gemalen puimsteen en dat vlak boven de muren van basalt. Ook wordt de schil van de koepel naar boven toe steeds dunner. Door de opening bovenin, heeft de koepel genoeg speling om aardbevingen te kunnen doorstaan. Dat blijkt.

In de ruime kerk lijkt de hele groep die net in het portaal stond op te lossen. We zien stelletjes die zichzelf fotograferen van onder naar boven onder de oculus. Tussen de toeristen staan nog wat kerkgangers na te praten. Veel mensen maken (net als ik) stiekem foto’s van de nonnen.
We maken nog even een rondje langs het graf van Rafaël en dat van VittorioEmanuele II, maar het mooist van het Pantheon vind ik toch de ruimte zelf, waar je je zo klein voelt als een mier.


Nog even ademen we de stilte in, die zelfs met al die mensen om ons heen in de koepel hangt. Ik neem nog een laatste foto. Dan storten we ons weer in de drukke nazomerdag in het centrum van Rome.

zondag 26 oktober 2014

Tour de Krommenie

Sinds mijn schoonouders zijn overleden is er een centraal punt in de familie weggevallen. De jaarlijkse bijeenkomst die er altijd was rond hun verjaardagen (twee dagen uit elkaar), hield op. Met vijf zoons, dertien kleinkinderen, alle bijbehorende partners en inmiddels 23 achterkleinkinderen is de familie behoorlijk groot. Niemand neemt het op zich om voor dat hele gezelschap regelmatig een feestje te blijven organiseren, al roept er af en toe iemand dat het leuk zou zijn om dat weer eens te doen.
Een paar jaar geleden zijn we wel begonnen met een traditie op kleinere schaal: een broersdag. Afgelopen weekend kwamen voor de derde keer de vijf broers met aanhang bij elkaar. Deze keer in Krommenie, waar ze allemaal geboren zijn.
De organiserende broer heeft bedacht om een nostalgische toer door het dorp te maken, te beginnen met een bezoek aan de speeltuinvereniging. Die is namelijk gevestigd in het gebouw waar de broertjes vroeger naar kleuterschool De Blokkendoos gingen. 

Er is een afspraak gemaakt met iemand die ons binnen zal laten in het gebouw, waar volgens zwager en schoonzus de oude tegeltjes van de kleuterschool nog te zien zijn.

Als we op de afgesproken tijd bij de speeltuin komen, is er niemand te zien. Zwager B. probeert de beheerder te pakken te krijgen en baalt als dat niet lukt. Na een kwartiertje wachten en bellen, besluiten we door te lopen. In het centrum van Krommenie staan veel mooie, historische pandjes, maar ons extraatje is dat elk van de broers wel ergens een bijzondere herinnering aan heeft.

“Hier heb ik mijn eerste gitaarles gehad.” Zegt mijn H. bij een karakteristieke, groene gevel. Ik kijk hem verbaasd aan. “Gitaarles?” Ik denk even na.
“Hoeveel lessen kwamen er nog na die eerste les?”
“Niet zo veel”, grinnikt hij en dát verbaast me dan weer niks.

Iets verderop vertelt iemand dat dit gebouw een schuilkerk is. Aan de voorkant is het een woonhuis, maar erachter staat een groot, rechthoekig gebouw dat meer op een schuur lijkt dan op een kerk. We lopen er langs en dan komt er een man naar buiten. Eén van de broers legt uit wat we hier met z’n allen doen en de man vraagt of we de kerk misschien van binnen willen zien. 
Binnenin is het wel degelijk een kerk, met een orgel, een preekstoel, heiligenbeelden en ornamenten. Tijdens de spontane rondleiding vertelt hij over de geschiedenis van het gebouw en van het Oud-katholicisme.

Later lopen we langzaam door de hoofdstraat, regelmatig stilstaand om gevels te bekijken, informatiebordjes te lezen of een verhaal aan te horen van B. of een andere broer.
Het hoogtepunt is het geboortehuis. Hier hebben mijn schoonouders in de oorlog twee Joodse onderduikers in huis gehad. Iedereen kent het verhaal, maar nu zijn we met z’n allen op de plek waar het gebeurde. “Door dit raam keek die Joodse man wel eens naar buiten”, vertelt een zwager me. “Levensgevaarlijk natuurlijk. Als iemand hem verraden had, waren pa en ma er niet meer geweest en wij ook niet.” De benedenverdieping van het huis is nu een telefoonwinkel. Een meisje achter de toonbank ziet ons voor de open deur rondhangen en vraagt of ze iemand kan helpen. “Wij hebben hier gewoond”, zegt F. “Hier zat ik vroeger op het toilet”, hij wijst naar een plek in de etalage. Het meisje moet lachen.

Een paar huizen verder staat een groot gebouw waar vroeger een soort ziekenhuis in zat. Een paar van de broers zijn daar ter wereld gekomen en verschillende vrouwen uit de familie hebben er in de verpleging gewerkt. “Jullie moeder toch ook”, meent een van de schoonzussen, en dan volgt er weer een historisch verhaal over wanneer wie waar werkte.
Juist als ik denk dat mijn hoofd nu wel even vol zit met al die historische informatie, gaan we naar binnen bij een café. Daar wordt het eerste deel van de broersdag afgesloten met een drankje. We zijn het er over eens dat het leuk en bijzonder is om eens met zo veel aandacht door dat dorp te lopen dat iedereen eigenlijk wel kende. Ondanks de misser bij de speeltuinvereniging was het een geslaagde tour de Krommenie.


woensdag 22 oktober 2014

Kruidentuintje

Mijn kruiden-/groententuintje heeft het dit jaar niet erg best gedaan.
Twee lusteloze tomatenplanten gaven hooguit vijf tomaatjes; een ingezaaid bedje ruccola bracht niets anders voort dan miezerige sprietjes die gingen bloeien voordat er ook maar een fatsoenlijk blad aan had gezeten. De basilicum werd opgegeten door iets dat het daglicht niet kon verdragen en om de blaadjes van de marjolein goed te zien, had ik een vergrootglas nodig. Zelfs de munt, een beruchte woekeraar, had armoedige blaadjes met bruine randjes.
Alleen de salie stond te pronken met een overvloed aan grijsgroen, geurig blad en ook de tijm deed z’n best. Maar gemiddeld was de opbrengst van de twee vierkante meter tuin niet om over naar huis te schrijven.

 In dit prachtige, zomerse oktoberweekend besluit ik om de zaken rigoureus aan te pakken. Ik maak het hele stuk grond leeg. Winterharde planten zet ik opzij in een pot, de klinkertjes die het tuintje in vakken verdelen, graaf ik op en ik spit de boel om. Dat is nog een hele klus, al is het maar een klein oppervlak. Ik ben een tijd bezig om de emmer uit te graven, waar ik een paar jaar geleden de munt in heb gezet. Het helpt inderdaad tegen het woekeren, maar blijkbaar gedijt de plant niet echt goed in gevangenschap. De emmer gaat er uit. De enige die mag blijven staan, is de salie. Maar ik knip hem wel kort.

Bij het graven en spitten kom ik veel stenen tegen. Eén ervan lijkt op een krokodillenkop. Die bewaar ik. De rest gooi ik in een hoekje waar ik er geen last van heb. Dan breng ik een paar emmers vol aarde over naar een andere plek en maak de grond vruchtbaarder met een paar emmers compost.

Ik neem een lange pauze, waarin ik tevreden naar het vlakke, kale stukje tuin kijk. Intussen bedenk ik dat er geen vakjes meer komen, behalve dan voor de munt. Iemand heeft me verteld, dat je in zo’n tuintje een evenwichtige verdeling moet maken van planten waarvan je het blad eet, die waarvan je de vrucht eet en die waarvan je de wortel eet. Best logisch eigenlijk. Volgend voorjaar ga ik daar dus rekening mee houden. Maar nu heb ik alleen maar winterharde bladplanten en die zet ik dan maar gewoon een beetje langs de rand.

Als alles klaar is, voel ik mijn rug.
De rest van de tuin laat ik lekker rommelig voor de mogelijke gasten. Egels bijvoorbeeld, die houden hun winterslaap echt niet in een kaalgeknipte tuin. En ook de vogels scharrelen liever rond tussen een wirwar van plantenresten. Het omgespitte kruidentuintje steekt keurig af tegen de ruige rest. Zo is het wel mooi geweest. Tevreden ga ik naar binnen, waar ik een paar achtergehouden takken salie in een vaasje in de vensterbank zet. Zo blijven ze nog minstens een week goed. Dan kunnen we nog één keer varkenshaas met verse salie (saltimbocca) maken.


zondag 19 oktober 2014

Ontbijtjes

Zaterdagmorgen. We zijn niet vroeg voor de wekelijkse boodschappen, maar gelukkig vinden we toch nog een parkeerplekje. Als we bij de Albert Heijn naar binnen gaan, zien we dat er doosjes worden uitgedeeld aan mensen die de winkel verlaten.
“Wilt u een ontbijtje meneer?”
Voordat de man die wordt aangesproken het doosje heeft kunnen aanpakken, roept H. opgewekt “Geef die meneer er maar twee! Hij heeft thuis een hele lieve vrouw.” De man is een oud collega van hem en hij loopt grinnikend op hem af om hem te begroeten. Het ontbijtmeisje legt lachend twee doosjes en twee verpakte broodjes in het boodschappenkarretje en vraagt aan H. of hij ook een ontbijtje wil.
“Wij moeten eerst de winkel nog door”, zegt hij. “Je staat er straks vast ook nog wel.”
Het meisje kijkt op haar horloge en fronst. “Nou…. Officieel delen we ze tot 12 uur uit. Ik geef u er voor alle zekerheid nú alvast twee.”
H. bedankt haar en we lopen de winkel in.

Een half uurtje later staan we bij de kassa. Achter ons sluit een man aan met een bijna leeg karretje en H. vraagt hem hoffelijk of hij vóór wil. In één adem zegt hij tegen een oude man die met drie pakjes lucifers aan komt dat híj dan ook maar even voor moet gaan.
De caissière raakt er van in de war, want onze boodschappen staan al op de band. Er ontstaat een vrolijk geharrewar en als de oude man ten slotte zijn lucifers wil afrekenen, blijkt hij alleen contant geld bij zich te hebben, terwijl dit een pin-kassa is.
H. zegt wat ik denk: “Dan pin ik dat toch voor u!”
Als de man terug wil betalen, wimpelt hij het af.
“Wij hebben gratis ontbijtjes gekregen, krijgt u gratis lucifers.”
Hij vindt het prima en we kijken hem na terwijl hij langzaam naar de uitgang loopt. Daar staan nog steeds mensen ontbijtjes uit te delen. De broodjes zijn op, maar er staat nog een flinke stapel van de kartonnen bakjes. Ik krijg er twee in mijn kar gemikt voordat ik kan zeggen dat we er al twee hebben. H., die een paar meter achter me loopt, krijgt ook twee doosjes in z’n handen geduwd. Kennelijk willen ze de spullen graag kwijt. 

En zo komen we thuis met zes pakketjes, waarin: twee kleine kuipjes boter, een minipotje jam, een miniverpakking met honing en een theezakje.
De volgende morgen doen we opbakbroodjes in de oven en zetten een mandje vol mini’s op tafel. Het ziet er gezellig uit. We houden ruim genoeg over om weg te geven aan een vriendin met kinderen. Die hebben er vast net zo veel plezier van als wij. 

vrijdag 3 oktober 2014

Salsa dansles












Eén twee drie niks
Vijf zes zeven niks
Achter voor bijtrekken
Voor achter bijtrekken
Rechts links rechts
Links rechts links

Eindelijk ben ik begonnen met salsadansen
Het leek me al jaren leuk, maar mijn man wil niet meedoen.
Nu ik het hardlopen er aan heb moeten geven, wilde ik iets anders sportiefs gaan doen, en daar kwam de salsa weer opduiken in mijn gedachten. Je moet toch ook zónder partner op salsa les kunnen… Ik ging op zoek op internet en ja, het kan.
Ladies freestyle heet deze cursus en dat houdt in dat
a.       er alleen vrouwen meedoen
b.      je zonder partner leert dansen
Volgens de informatie op de website kun je trouwens als je de freestyle beheerst net zo makkelijk ook mét partner dansen.

Een beetje benauwd overwoog ik om naar een proefles te gaan. Wat nou als er alleen maar meiden van twintig waren? “Dan hou je het verder toch gewoon voor gezien”, zei mijn dochter wijs. “Het is maar een proefles.” Ze had natuurlijk helemaal gelijk, maar ik ging toch met een beetje buikpijn naar de dansschool. Dat viel erg mee. Weliswaar was ik echt wel de oudste deelneemster, maar het was toch een redelijk gemengd gezelschap. Het dansen was leuk genoeg om me meteen maar in te schrijven.

Nu heb ik drie lessen gehad en het wordt alleen maar leuker. Een energieke lerares brengt ons de basistechnieken bij. Voordoen, een keer rustig oefenen, een paar keer wat sneller en dan op muziek Een uur lang dansen we voor een spiegelwand de bekende en nieuw geleerde passen. Er zijn meiden die soepel dansen alsof ze het al jaren doen en er zijn er die de grootste moeite hebben met tellen. Ik zit er ergens tussenin en voel me niet uit de toon vallen in de groep.

Na de les fiets ik naar huis. In mijn hoofd herhaal ik de danspassen die we vanavond geleerd hebben. Ik trap stevig door en ik lach in mezelf. Kijk me hier sportief zijn: een half uur heen fietsen, een uur lang dansen en dan een half uur terug fietsen. Dat had ik me toch een jaar geleden niet kunnen voorstellen. En niemand daar in de dansschool weet, dat ik de heupwiegende salsa met een kunstheup wieg.

Eén twee drie -
Vijf zes zeven -
Sidestep,
Basispas
Suzi Q
Ben benieuwd wat we er volgende week bij leren!





zondag 28 september 2014

Vlinderfeestje

De herfstaster in mijn achtertuin is bijna manshoog en bloeit volop. Een opvallende, paarse bos waar de vlinders dol op zijn. Op deze mooie nazomer dag zit ik op mijn terras te kijken naar het drukke gefladder op en rond de struik.
De felgekleurde, grote atalanta’s zijn de meest opvallende gasten. In het midden diep, donkerbruin, daar omheen oranje randen en de punten van de voorste vleugels zijn diepzwart met witte vlekken. De atalanta is één van de meest voorkomende vlindersoorten in Nederland en België, maar dat maakt hem niet minder mooi.




Iets kleiner, maar ook opvallend, is de dagpauwoog. Oranje als hoofdkleur met op alle vier de vleugelpunten een ronde vlek die er uit ziet als een oog. Wit met in het midden een ‘pupil’ van zwart of oranje/bruin. Ook de dagpauwoog komt veel voor. Het is een van de bekendste soorten in Europa. “Is er dan ook een nachtpauwoog?” vraagt mijn zoon als ik hem de naam van de vlinder vertel. Ik zoek het op en jawel, er is een nachtpauwoog. Uitgevoerd in bruinen en grijzen maar als je goed kijkt is ie ook prachtig, met een donker ‘oog’ midden op elke vleugel.

De derde soort op het vlinderfeestje is de kleine vos. Met het randje kant langs de vleugels is ook deze vlinder een schoonheid. Wat kleiner dan de andere twee en ook wat schuwer, lijkt het. Het kost me veel geduld om zo dichtbij te komen dat ik hem zonder zoom netjes op de foto krijg. Er bestaat ook een grote vos. Die is een stuk zeldzamer dan het kleine broertje en heeft midden op de voorvleugel vier zwarte stippen in plaats van drie.

Heel even komt er ook een koolwitje op bezoek, maar die moet helemaal niets hebben van mijn aandacht. Zodra ik voorzichtig dichterbij sluip, verdwijnt het koolwitje over de wilg aan de waterkant.

De atalanta, de dagpauwoog en de kleine vos leggen allemaal hun eitjes graag op brandnetels. Reden om de brandnetels die aan de slootkant groeien niet systematisch weg te halen. Je kunt er trouwens in het voorjaar ook soep van maken, dus die mogen blijven. En de herfstaster dus ook, want als je van vlinders houdt, moet je die plant vooral koesteren!

dinsdag 23 september 2014

De cijfers zonder cijfers

Het bedrijf waar ik werk, maakt informatie toegankelijk voor mensen met een leeshandicap. Oorspronkelijk waren dat blinden en slechtzienden, tegenwoordig ook steeds meer dyslectici. Eén van de dingen die we tegenkomen, is het oprukken van de beeldcultuur. Aan tijdschriften valt bijvoorbeeld steeds minder voor te lezen, omdat er steeds meer foto’s en plaatjes in staan. Ook in leerboeken staan veel plaatjes om dingen duidelijk te maken. Een uitdaging om die zó om te zetten dat ook visueel gehandicapte leerlingen er mee uit de voeten kunnen.

Het is voor de hand liggend dat er bij ons mensen werkzaam zijn met een visuele handicap. Toch is ook in ons bedrijf niet aan de beeldcultuur te ontkomen. Als er een presentatie gehouden wordt, gebeurt dat steevast met behulp van PowerPoint. Niet erg; de sprekers leggen meestal netjes uit wat er op het scherm te zien is.

Eens in de zoveel tijd is er een plenaire bijeenkomst waar belangrijke zaken verteld worden over het reilen en zeilen van het bedrijf. Zo krijgen we vandaag uitleg over enkele lopende projecten en ook zal het hoofd van de financiële afdeling een overzicht geven van hoe we er op dat gebied voorstaan. Ik heb nooit veel economie gehad op school, maar meneer V. heeft me in het verleden duidelijk uit kunnen leggen hoe het zit met het beschikbare werkkapitaal en de solvabiliteit. Ik verwacht een helder verhaal.

Tot mijn verbazing begint hij vandaag zijn praatje met de opmerking dat hij de cijfers deze keer zonder cijfers uit moet leggen. Vervolgens toont hij ons in een PowerPoint een plaatje van een blauwe zee met daarboven de lucht; een soort grafieklijn in de afbeelding geeft aan dat het beschikbare werkkapitaal iets onder het zeeoppervlak blijft. Er volgen meer plaatjes en een cijferloze uitleg van wat er goed gaat en wat minder goed. Ik probeer te luisteren, maar word sterk afgeleid door het grote vraagteken in mijn hoofd. Waarom moet dit zonder cijfers???

Dat is dan ook de vraag die ik stel zodra daar gelegenheid voor is. Het antwoord komt er op neer dat ‘dat ons wel eens leuk leek’. In de wandelgang vertel ik meneer V. dat ik het ‘cijfers zonder cijfers’ verhaal heb ervaren als lichtelijk beledigend. Een soort ‘financiële info voor dummies’. Hij kijkt me een beetje verbaasd aan.

Ik ben niet de enige die een vraag over de presentatievorm heeft. Een collega wil weten waarom er bij een verhaal over toepassingen van de moderne techniek een aantal mammoeten vertoond werd. Die waren het symbool voor de stelling dat je met je tijd mee moet gaan om niet uit te sterven. Ik stel me voor dat de collega net zo afgeleid was door de mammoeten als ik door het omzeilen van de cijfers. Daar zullen de visueel gehandicapten onder ons geen last van hebben, dat de vorm ze afleid van het verhaal.


Misschien kunnen we de volgende keer eens proberen hoe het werkt als iedereen een blinddoek om krijgt. Geen plaatjes, geen afleiding, gewoon vertellen hoe het zit. En dan met cijfers als het over aantallen gaat. Wie weet is dat wel heel verhelderend.

zaterdag 20 september 2014

Een echte legertank om aan te voelen en op te klimmen.

(donderdag 18 september: )
"Toeoeoet", lekker lang op de claxon van de grote legervrachtwagen drukken, dat is leuk. En op een echte tank klimmen om van bovenaf naar beneden te gluren in een donker gat. Ze zien toch al niet veel, de kinderen van de Visioschool in Grave, maar daar onderin die tank is het helemáál stikdonker. "Lijkt het je lekker om daarin te zitten voor de soldaten?" vraagt meester Bart. "Neuh". Maar er bovenop klimmen is wel leuk.

Ik ben op het terrein van de Visioschool in Grave om een reportage te maken voor luistertijdschrift Klinkklaar. Voor de school staan drie legervoertuigen. De slechtziende en blinde kinderen van de school mogen er aan voelen, er op klimmen en flink toeteren achter het stuur van de vrachtwagen. Zo kunnen ze ervaren hoe die tanks er nou eigenlijk uitzien, waarover ze deze week zoveel horen.

De hele week staat, niet alleen voor deze kinderen, maar voor de hele regio, in het teken van "Operation Market Garden". Precies zeventig jaar geleden werd het zuiden van Nederland door deze operatie van de Duitsers bevrijd. De tank op school is een onderdeel van de feestelijkheden waarmee dit gevierd wordt.

Voor de slechtziende en blinde leerlingen van de Visioschool is het moeilijk om zich een voorstelling te maken van oorlog en bevrijding. Om ze daarbij te helpen, komt er een echte tank uit de tweede wereldoorlog naar de school. En ook nog een vrachtwagen en een andere legerauto. Beschikbaar gesteld door de landmacht, in samenwerking met het Kazematten Museum in Grave.

Ze hebben de hele week al les gehad over de Tweede Wereldoorlog en proberen ernstig om in mijn microfoon uit te leggen hoe het ook alweer zat met Operation Market Garden. "Er moesten drie bruggen veroverd worden. In Grave, en eh .. nog ergens, en in Arnhem, maar daar mislukte het!" Best ingewikkeld, die geschiedenislessen, maar als het oorlogsmaterieel binnen handbereik komt, wordt het ineens een stuk interessanter.

Meester Bart helpt zijn leerlingen enthousiast de tank op en af. “Voel je hoe dik die platen zijn? En door dit gat klommen de soldaten er in, hop, zo naar beneden.” Zo gaat de geschiedenis leven voor de kinderen. Morgen gaat de klas naar de herdenkingsoptocht op de Graafse brug. "Dan voel je die hele brug trillen."


zaterdag 13 september 2014

Fruit uit eigen tuin

Onze appelboom heeft het weer goed gedaan dit jaar. Rond de 120 appels van dat ene boompje vind ik een mooie oogst. Al halverwege augustus hebben we ze binnengehaald, toen er regelmatig exemplaren onder de boom lagen na een nacht met veel wind. Die valappels gingen meteen in de appelmoes, samen met geplukte kneuzen, waar aan de boom al plekjes aan kwamen of waar een vogel aan had gepikt. Ik ontdekte bij toeval dat die appelmoes ook heel goed te eten is zonder suiker. Gewoon doordat ik vergat om het er in te doen. Het is dan wel zaak om het niet lang te laten staan, omdat het zonder suiker wel erg beperkt houdbaar is, maar dat is niet zo moeilijk.

Nu we al een paar weken appels, appelmoes en appeltaart eten, is het duidelijk dat we de voorraad zo niet snel genoeg verwerken.  Bovendien hebben we nog een andere fruitsoort op ons bordje gekregen: de perenboom van de buren draagt een vracht aan vruchten, die enthousiast door kraaien en eksters aangevallen worden. Dat is niet zo erg, want ze pikken vooral in de peren die zó hoog hangen dat wij er toch niet bij kunnen. Alleen beginnen nu de onderste peren te vallen als er bovenin feest wordt gevierd. De buren zijn zelf geen enthousiaste pereneters. Wat aan onze kant hangt, laten ze graag aan ons over. We hebben nu dus ook een grote schaal met bijna-rijpe peren staan en er hangt nog veel meer om binnengehaald te worden.

Op internet zijn heel wat manieren te vinden om fruit in te maken. Deze week heb ik goedkope, zoete wijn gehaald om een recept uit te proberen van ingemaakte peren in die wijn met kaneel, steranijs, gember en sinaasappelschijfjes. Ik ben er nog niet aan toe gekomen, want eerst waren de appels aan de beurt. Ik heb een enorme pan appelmoes gemaakt (met suiker) en daarna kwam het experiment met appelchips. Drie platen vol flinterdunne schijfjes appel staan op honderd graden droog te bakken. Een klein beetje kaneel erover en verder niks. Ze beginnen na een uurtje al een beetje op te krullen als echte chippies, maar dan duurt het zeker nóg een uur voordat ze helemaal droog en knapperig zijn. Niet dat die chips nou echt een gat in de voorraad slaan, want meer dan twee appels kun je op deze manier niet kwijt op een bakplaat. Maar leuk is het wel. En lekker ook. De chipjes hebben een heel geconcentreerde appelsmaak.  Gezonder snoep kun je toch bijna niet verzinnen.





zaterdag 6 september 2014

Theaterstuk van achter de coulissen

(Vrijdag 4 september)
Mariënburgkapel Nijmegen
De Mariënburgkapel staat op een centrale plek in Nijmegen. Vlak naast de bioscoop, midden op een plein dat aan winkelstraten grenst. Ik ben er vaak genoeg langs gekomen, maar van binnen had ik de kerk nog nooit gezien. 

Het is geen stille, gewijde plek waar we binnenkomen. De hoge ruimte galmt van de bedrijvigheid en staat vol vreemde attributen. Lange tafels vol pruiken en sieraden, kledingrekken met 17e eeuwse japonnen en jassen. 
En als je daar langs gelopen bent, zie je een provisorische toneelvloer van ruwe planken, met ervoor een halve circel van zo’n 70 klapstoelen. Maar wij moeten boven zijn. In de lange muur tegenover de ingang zit een donker gat, waarachter een smalle, stenen wenteltrap naar boven leidt. Hakkelige treden, geen leuning, weinig licht. 

Voorzichtig klim ik tussen mijn koorgenoten naar boven. Voor hen is de ruimte bekend. Ze hebben hier vorig jaar ook gezongen in het Prateur project, waar ik ook aan mee zou doen. Een gebroken heup gooide roet in het eten. Maar nu er een reprise van het project komt, kan ik wél meedoen. Ik ken tenslotte het hele repertoire.  

Boven lijkt het op een bouwput. Over een ongelijke, stoffige vloer van ruwe keien ligt hier en daar een plank. Ook hier liggen allerlei attributen. Kragen, sjaaltjes, rare hoeden en zonnebrillen. De kragen moeten we om, wat in combinatie met onze volledig zwarte kleding een soort Middeleeuws effect geeft. We zoeken allemaal een plekje op de ongelijke vloer om eerst maar eens in te zingen. 

Vijf nummer zingen we, verspreid door de toneelvoorstelling. De eerste vanaf de verdieping waar we nu staan, die aan één kant eindigt in een balustrade. We staan daarop achter de toneelvloer die voor een groot deel aan het oog onttrokken wordt door een hoog schot, waarachter de acteurs zich kunnen terugtrekken. Daar zitten ook vier dansers te wachten op hun scènes. Vandaag is de doorloop van het stuk, gevolgd door een proefuitvoering met een klein publiek van betrokkenen. 

Het is een hectische avond. Van de regisseur krijgen we aanwijzingen over wanneer, waar en hoe. Behalve dat we zingen, hebben we als koor een rol in het theaterstuk. “Als jullie vanaf het balkon naar deze scène staan te kijken, kunnen jullie dan wat meer zo opzij leunen alsof je nieuwsgierig àlles wilt zien… dat ziet er meer betrokken uit; leuker voor het publiek.” Ik merk dat ik de teksten, die ik zo goed uit m’n hoofd kende, ineens helemaal kwijt ben. Maar dat went wel. Bij de proefuitvoering gaat het al beter. Het is grappig om alles van achter de coulissen mee te maken. De acteurs die met veel kabaal de toneelvloer af stampen en uit zicht van het publiek ineens stil vallen en wachten op hun volgende opkomst. De dansers die zich in hun fraaie kostuums hijsen en daarmee in hun rol als bekakt Parijs dansgezelschap.  Als het stuk afgelopen is en de regisseur een afrondende toespraak heeft gehouden, leggen we onze Middeleeuwse kragen af en loopt de kapel leeg. “Dag, tot morgen”, zeggen we tegen elkaar, want morgen is de échte première. En daarna komen er nóg acht uitvoeringen van “De waar gebeurde geschiedenis van Nijmegen tussen 1672 en 2114.  In de Mariënburgkapel in Nijmegen. Komt dat zien!


zaterdag 30 augustus 2014

Boemerangkinderen


Grotchampignons in een kruidige marinade met wat flintertjes gerookte ham erdoor en peterselie erover. Dat is het voorgerecht op een mooi, zwart bordje. We drinken er alvast een beetje rode wijn bij. Dan gaan we de keuken in om de maaltijdsalade te maken. Lekker met avocado, tomaten en een gekookt eitje en met crostini’s van donkerbruin brood.
We hoeven met niemand anders rekening te houden, want we eten met z’n tweeën. Dat is alweer een tijdje geleden, want de afgelopen maand hadden we een vier persoons huishouden. Allebei onze kinderen woonden weer thuis. De een studeert in Leiden en vond het in de vakantie wel erg stil daar op z’n studentenkamer. De ander is na een half jaar reizen weer in het ouderlijk huis neergestreken.  
Boemerangkinderen noemen ze dat. En dat er een naam voor bestaat, betekent dat we niet de enigen zijn met terugkerende volwassen kinderen.

Volgens allerlei artikelen op internet is het een verschijnsel van deze tijd en kan het problemen opleveren als er geen goede afspraken gemaakt worden. 
Daar waren we ons al lang van bewust, want de eerste boemerangperiode is al van jaren terug. Mijn dochter ging al op haar zeventiende het huis uit, maar kwam door omstandigheden na jaren zelfstandig wonen een paar maanden bij ons in huis. Samen met haar vriend.
Het was even inschikken en aanpassen, maar het waren vooral erg gezellige maanden met z’n vijven. Toen ze weer naar een eigen stekkie gingen, was het stil in huis.

Vorige zomer vertrok onze zoon naar een kamer in Leiden. Toen waren we nog met z’n tweeën. Het voelde als een nieuwe levensfase. Een beetje treurig, maar ook met een nieuwe vrijheid, want al hoefde hij niet verzorgd en betutteld te worden, een kind in huis is toch iemand waar je bij al je beslissingen rekening mee houdt.
Maar de nieuwe levensfase duurde vooralsnog minder dan een half jaar. Daarna meldde onze zelfstandige dochter zich weer, omdat het haar met de hoge woonkosten maar niet lukte om te sparen voor haar voorgenomen Zuid-Amerika reis. Natuurlijk mocht ze bij ons komen wonen! Toenze een half jaartje later op reis ging, was ik weer zó aan haar aanwezigheid gewend, dat ik meer moeite met het afscheid had dan gedacht.
Sinds ze terug is, is het hele gezin dus weer compleet. Maar niet lang meer. Komende week vertrekt zoonlief weer naar Leiden en dan zijn we weer met z’n drieën.
Maar vandaag zijn ze er allebei op uit en genieten wij even van een dagje samen, wat na een drukkere periode even heerlijk is.

De afwisseling maakt het leuk. En zeg nou zelf, het is toch ook wel heel fijn dat onze kinderen zo graag af en toe weer bij ons terugkomen. Dan hebben we toch wel iets goed gedaan…

vrijdag 22 augustus 2014

“De nieuwe wildernis”

In mijn mailbox zit een mailtje van de bibliotheek : Komt u binnenkort uw geleende materialen terugbrengen?   Het gaat om een DVD. “De nieuwe wildernis: grote natuur in een klein land.” 
Oh? Ik wist niet eens dat ik die bij de bieb geleend had. Zal dus wel een actie van H. zijn.
Ik vraag hem of hij soms weet waar de DVD ligt met die natuurfilm. Hij moet op z’n laatst morgen terug naar de bibliotheek.
“O ja”, zegt H. “Ik had hem geleend, maar ik heb er niet meer aan gedacht. Zullen we die vanavond samen kijken dan?”
Vandaar dat we nu samen voor de televisie zitten om naar een film te kijken over het dierenleven in de Oostvaardersplassen. 

Natuurfilms zijn niet helemaal mijn favoriete genre, maar over deze film die zich gewoon in onze eigen polder afspeelt, heb ik goede dingen gehoord. De beelden waar ie mee begint zijn meteen al mooi en na vijf minuten ben ik vergeten dat natuurfilms eigenlijk niet mijn favoriete genre zijn.
Twee jaar hebben de makers het leven in de Oostvaardersplassen gefilmd. Met veel geduld hebben ze de prachtigste close ups gemaakt van de kuddes wilde paarden, de herten, de ijsvogels, de aalscholvers en de vele andere bewoners van het gebied.
Beginnend in het vroege voorjaar volgen we de seizoenen. De paardansen van de futen, de troepen jonge gansjes, de schattige vosjes die door hun spel oefenen voor de jacht, de vliegen op de paardenpoep. Van de donzige ganzenjongen worden er een stel gevangen om de leuke jonge vosjes te voeden en de vliegen zijn voedsel voor de gele kwikstaarten. Zo wordt de circel van de natuur in beeld gebracht.  
Hoofdpersonen in de film zijn de konikpaarden, die in grote kuddes door het moerasachtige gebied trekken. Eén paardenfamilie zien we steeds terug, duidelijk herkenbaar door het zwarte veulen, een uitzondering tussen de andere, lichte paarden.
Afwisselend zie je de kudde van bovenaf uitwaaieren over het land en beelden van zó dichtbij tussen de paarden dat je je afvraagt waarvandaan die gefilmd kunnen zijn. Een pasgeboren veulen dat op zoek gaat naar melk bij z’n moeder: je ziet het bekkie dat de tepel vindt en er aarzelend aan begint te sabbelen. Bijzonder.
Een commentaarstem maakt er een verhaal van. Informatief, soms laconiek en soms spannend, met als enige uitglijder een wel erg dramatische interpretatie van het gedrag van de paardenkudde na de dood van een veulen in de koude winter.

“De nieuwe wildernis”  was een van de best bezochte films van 2013 en kreeg kort geleden de Rembrandt Award voor beste Nederlandse film van het afgelopen jaar. Nu we de DVD bekeken hebben, snap ik waarom. Het is een aanrader. Ook als natuurfilms niet helemaal je favoriete genre zijn.




Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...