vrijdag 31 juli 2015

Ik pluk me rijk

Bij de groenteboer zie ik kleine bakjes zomerfruit: frambozen, bosbessen en bramen. Duur fruit, want bewerkelijk om te plukken. Ik schat dat er zo’n 150 gram in zo’n bakje van twee euro gaat. Als je van alle soorten een bakje koopt, kosten ze vijf euro. Voor me zie ik een blije klant zo’n rood met zwart trio afrekenen terwijl ik zelf in de rij sta met tomaten en komkommer.

Thuis loop ik op de eerste zonnige dag na een week van regen, gemiezer, buien en meer nattigheid de tuin in met een flinke bak. Het is precies zoals ik gedacht had. Aan de braamstruik die langs de schutting groeit, hangen de bramen dik, zwart en rijp op me te wachten.

Doorns heeft deze tamme braam niet. Ik moet me alleen wel voorzichtig achter een bloeiende hortensia en een veldje uitbundige phloxen langs wringen en af en toe hoog boven me reiken om het fruit te pakken te krijgen. Sommige bramen zijn zó rijp, dat ze verderop van de struik vallen als ik een tak optil. Of ze barsten open als ik ze voorzichtig pluk, zodat mijn handen rood zijn van het sap.

Ik pluk me rijk. Minstens twee kilo kieper ik in een grote pan om er sap van te maken. Water er bij en als de bramen helemaal stuk gekookt zijn, giet ik het sap simpelweg door een zeef en doe er een paar scheppen suiker bij. Op deze manier is het maar een week houdbaar, maar dat is geen enkel probleem. Het is zó op. En dan zijn er wel weer nieuwe bramen, want er hangt nog heel wat te rijpen langs de schutting.
Straks ga ik nog even langs de groenteboer om wat inkopen te doen voor het weekend. Er is vast nog volop zacht fruit, maar die kleine bakjes laat ik grinnikend staan, al worden ze nóg zo voordelig aangeboden.

zaterdag 25 juli 2015

Zomerstorm



 
Door de open deur

Komt het geruis

Van code geel

Of is het al

Oranje?

 

Bloeiende Phloxen

Zetten zich schrap

Een lege gieter

Gaat op avontuur

 

Geen zomercarnaval

Dit jaar

In Rotterdam

Maar in mijn tuin

Wordt woest gedanst

Op de klanken

Van de wind

 

Aan het water

Laat de wilg

Zwiepend

Haar zilveren ondergoed zien

 

zondag 19 juli 2015

Nog één Japanverslag vanuit Nederland

Op ons zaterdagse boodschappenrondje bij AH komen we een bekende tegen.  ‘Ah, jullie zijn terug uit Japan!’ roept ze enthousiast. ‘Ik heb meegeleefd met de verhalen op je blog!’ Als we vertellen dat we al op 12 juni terugvlogen, is ze verbaasd. Ze dacht dat ik vanuit Japan over onze reis verslag deed. Niet dus, want daar was weinig tijd en gelegenheid voor. We zijn al lang weer in Nederland, maar hier komt toch nog een laatste Japan verhaal.

 Yanagawa(10 juni)

Eén van onze laatste dagen in Japan. Mijn dochter en ik gaan naar Yanagawa. We hebben een kaartje gekocht voor de treinreis + een boottocht en we vertrekken vanaf station Yakuin (in Fukuoka), dat vlak bij ons hotel is. Op de plaatjes ziet Yanagawa er prachtig groen uit en na al die dagen rondlopen in grote, drukke steden hebben we daar echt zin in. Het is een kleine drie kwartier rijden en dan zijn we er. Om het station te kunnen verlaten, moeten we onze tickets laten zien en dan blijken we ineens bij een groep te horen. De stationsbeambte met witte handschoentjes wijst dat we iets verderop moeten wachten. Daar staan allemaal mensen met dezelfde kaartjes als wij; ze wachten op het shuttlebusje dat naar de vertrekplaats van de boot gaat. Dat komt al snel en we worden samen met de hele groep in het busje gedirigeerd. Om ons heen wordt alleen maar Japans gesproken; wij zijn de enige Europeanen in het gezelschap.

Het Yanagawa dat we tot nu toe zien, lijkt helemaal niet op de foto’s uit de folder. We rijden langs een soort industrieterrein en dan tussen lelijke huisjes door. Het is niet erg ver, maar we zijn blij dat we al deze bochten en smalle straatjes niet zelf uit hoeven te zoeken. Even later stappen we uit de shuttlebus en lopen we naar een smal kanaal waar een rij boten ligt. Het zijn open bootjes met aan beide kanten een lange bank, waar in totaal een stuk of 18 passagiers kunnen zitten. Een man met een rieten hoed staat achter in de boot en helpt ons allemaal aan boord. Daar zitten we, tussen Japanse toeristen in een bootje dat afvaart door een kanaal tussen de huizen. Het groene paradijs laat nog even op zich wachten, maar we kijken elkaar aan en lachen vrolijk. Dit mag dan niet zijn wat we verwacht hadden, bijzonder is het wel.
De gids vertelt veel interessante wetenswaardigheden over de route waar we erg weinig van mee krijgen, want het is allemaal in het Japans. Soms zegt hij ineens een paar woorden Engels, wat we vanwege de uitspraak niet altijd meteen doorhebben. Intussen puntert hij de boot handig door bochten en onder bruggetjes door. Over elke brug vertelt hij iets. Als we onder de derde brug door varen, begint hij te zingen, een lied dat precies zo lang duurt als de brug en dat door de akoestiek mooi vol klinkt. We applaudisseren. Hoe verder we komen, hoe groener de oevers worden, tot we uiteindelijk op de plaats komen waar de promotiefoto’s gemaakt moeten zijn. Er staan bomen met rode bloemen, waar onze Japanse groepsgenoten niet van opkijken. De bloeiende hortensia’s vinden ze daarentegen heel bijzonder, terwijl wij die gewoon thuis in de achtertuin hebben.

Het is prettig om zo op het water te zijn. De mensen om ons heen op de boot zijn vriendelijk. Wijzen ons af en toe iets aan en geven ons de twee rode bloemen die van de bomen precies in onze boot vallen. ‘Arigato’, zeggen we en ze knikken ons toe. We zien een paar waterslangen en schildpadjes en genieten van het tochtje. Na zeventig minuten zijn we aan het eind van de rondvaart en worden we weer uit de boot geholpen. We nemen de lijnbus terug naar het treinstation.
Op de terugweg naar Fukuoka moeten we een overstap maken in Dazaifu. We hebben gezien dat daar een tempel is met een mooie tuin en die gaan we nog even bekijken. Het blijkt een drukke, toeristische plaaats waar we gezellig een tijdje rondlopen. De tuin ligt buiten de toeristische route. Eerst gaan we een bijgebouwtje van de tempel binnen – schoenen bij de deur achterlaten – en daar, vanaf een houten vlonder, kunnen we de gestileerde tuin overzien. Een fijne, rustige plek waar we een tijdje op onze sokken blijven staan kijken voordat we terugkeren naar Fukuoka.

zaterdag 11 juli 2015

Verschillend


Dijkhuis, Watergang
 
‘Sjonge, wat ben jij druk bezig als je auto rijdt,’ zegt mijn broer. ‘Je zit maar te schakelen en te remmen en gas te geven. Helemaal niet nodig; ik rij dit elke dag en ik kan dat bijna slapend.’ We zijn op weg van Den Ilp naar Watergang, waar we samen gaan eten in Het Dijkhuis. Het is mijn verlate verjaardagscadeautje voor hem en we hebben er wel zin in.
Mijn broer en ik zien elkaar een aantal keren per jaar. Soms op verjaardagen, soms om praktische zaken te regelen. Sinds twee jaar geleden onze vader is overleden, heeft dat vooral te maken met het ouderlijk huis, dat we in een rustig tempo opgeruimd en leeggehaald hebben en dat nu al een tijd te koop staat. Maar het is ook wel eens leuk om gewoon samen te praten. Zonder kamer vol verjaarsvisite, zonder drukke agenda en ook zonder partners en kinderen.
We zitten dus in de auto en ík rij, wat bijzonder is, want meestal is hij degene die mij van de trein komt halen of we komen bij elkaar thuis en rijden niet samen ergens anders heen. Hij is niet onder de indruk van mijn rijstijl en dat verbaast me niet. Mijn broer is al vertrouwd met rijdend materieel sinds hij drie turven hoog was. Bij een bevriende boer op de trekker: eerst op het land, later op de weg en al lang voordat hij z’n rijbewijs mocht halen, manoeuvreerde hij met het grootste gemak een lange aanhangwagen achteruit een smalle oprit in. Hij doet niets liever dan achter het stuur zitten in auto’s of vrachtwagens, op heftrucks, op een quad of in een camper.

Voor mij is autorijden alleen maar functioneel. Kleine afstanden leg ik liever op de fiets af en als ik niet hóef te rijden, doe ik het ook liever niet. Ik grinnik om zijn commentaar. ‘Okee’, zeg ik, ‘ik zal proberen om het anders te doen.’ ‘Dat mag je zelf weten’, zegt hij goedmoedig. ‘Het valt me alleen op dat je zoveel energie verspilt.’ Ik probeer om hetzelfde tempo aan te houden en minder te schakelen, wat eigenlijk best lukt en een kwartiertje later parkeer ik bij het Dijkhuis. ‘Rij jij straks maar terug’, zeg ik en natuurlijk zegt hij daar geen nee tegen.
Mijn broer en ik, twee verschillender mensen kun je je haast niet voorstellen. Als kind leefden we ieder in een andere wereld. Hij zat altijd op het land of in de koeienschuur bij de boer. Ik ging hutten bouwen of struinen in een zanderig braakliggend gebied en ik kon hele middagen in een boek verdiept zijn. Hij ging naar de technische school, ik naar HAVO/VWO. We hadden verschillende interesses en verschillende vrienden. Maar je blijft toch familie en ziet elkaar altijd bij voorkomende gelegenheden. En eigenlijk kunnen we prima met elkaar opschieten.

We zitten tegenover elkaar op het zonnige terras van Het Dijkhuis. Het eten is besteld en we praten over van alles. Hij gaat binnenkort met z’n gezin een paar weken naar Luxemburg met een vouwwagen. ‘Jammer dat er altijd zo veel mee moet’, vindt hij. ‘De kinderen kunnen gewoon niet leven zonder een televisie en hun game-apparatuur’. Hij zou liever met wat minder luxe op pad gaan. Ik vertel over mijn fietsvakanties van vroeger. ‘Alles bij je hebben wat je nodig hebt om te leven,’ zeg ik, ‘dat is zo’n bijzonder gevoel’. Maar fietsvakanties vind hij niks. Het moet natuurlijk wel gemotoriseerd zijn. Ik moet lachen. ‘Ik denk dat we toch wel heel verschillend zijn’. ‘Dat denk ik ook’, zegt hij, ‘maar het mooie is, dat dat niks uitmaakt als je dat gewoon van elkaar accepteert’.
Dan komt ons eten en met al onze verschillen eten we dat heel gezellig en vreedzaam op op deze mooie avond op een terrasje aan de dijk.
 

dinsdag 7 juli 2015

Bijzondere tempels in Kyoto

Via facebook hebben we afgesproken in Kyoto met onze Japanse vriendin Yoko. Ze zal om kwart over acht in de lobby van het Granvia hotel zijn. Dat hebben we gisteren gezien; het staat vlak naast Kyoto Station. De lobby is veel groter dan we ons hadden voorgesteld, met winkels er in, maar het is niet moeilijk om Yoko te vinden. Ze zit al op ons te wachten in één van de makkelijke stoelen die er ook staan.

Vandaag bezoeken we verschillende plaatsen aan de oostkant van de stad.

Fushimi Inari is een tempel met 1000 poorten. Ze staan achter elkaar en vormen een lang, kronkelend pad dat we een tijd volgen samen met tientallen schoolkinderen. De gladde pilaren waar we tussendoor lopen hebben verschillende schakeringen rood. Sommige zien er glanzend nieuw uit, andere lijken verbleekt en hebben soms beschadigingen of barsten. Als we omkijken, zien we dat de achterkant van elke zuil beschreven is met zwarte tekens. Ik vraag Yoko wat er op staat en ze vertelt dat het de namen zijn van sponsors. Elke poort is geschonken door een persoon of bedrijf. De afstanden er tussen zijn onregelmatig en waarschijnlijk wordt er regelmatig een heel oude vervangen door een helderrood nieuw exemplaar. Het is warm en we lopen niet het hele pad. Halverwege maken we een doorsteek terug.

We willen vandaag ook de 1001 beelden zien van Sanjusangen-do. Ook dit is een tempel, maar totaal anders dan de vorige. We gaan binnen in een lang, houten gebouw, waar we onze schoenen aan de ingang moeten achterlaten. Het voelt prettig om hier op sokken rond te lopen. Alsof je ineens alle tijd van de wereld hebt. Langzaam schuifelen we langs de beelden. Tien rijen dik staan met bladgoud bedekte houten godinnen naast elkaar. Duizend keer Kannon, de boeddhistische godin van mededogen, de handen devoot samen voor de borst, om haar hoofd duizend keer een gouden halo. Temidden van de beelden zit een duizendarmige versie van Kannon. Ruim drie meter hoog torent ze indrukwekkend boven de andere beelden uit. Interessanter dan de steeds gelijke godinnen zijn de 28 individuele figuren die er iets vóór staan. Ook uit hout gesneden en met sprekende koppen en allerlei bijzondere details. Je mag binnen geen foto’s maken en ik merk dat ik daardoor extra goed ga kijken om te onthouden wat ik zie. Als we onze schoenen weer aandoen is het net of we een tijdje in een andere wereld zijn geweest.

Er staat nog een derde tempel op ons programma. Kiyomizu dera. Dit is een groot gebouw dat met een houten terras op hoge palen boven een beboste helling uit steekt. De bijgebouwen zijn in heldere kleuren geverfd en om de gebouwen heen staan de bekende stalletjes met koopwaar, waar we even op souvenir-jacht gaan.

Aan de Kamo rivier gaan we een tijdje zitten uitrusten voordat we op zoek gaan naar een restaurant waar ze de specialiteit van Osaka hebben: Okonomiyaki, een soort eierpannenkoek, gevuld met groente en vis. Yoko komt uit Osaka en wil ons dit gerecht laten proeven.

We zitten aan een tafeltje met een hete plaat middenin, waar de okonomiyaka op geserveerd worden. Yoko laat zien hoe je het eet. Je kunt er mayonaise over doen of een soort Japanse barbecuesaus (of allebei). Behalve de bestelde saké krijgen we er zoals overal hier ruimschoots water bij te drinken. En een warm doekje om je handen mee schoon te maken.

Na het eten hebben we nog net genoeg energie om een stukje door een overdekte winkelstraat te wandelen. Dan gaan we naar het station, waar we ieder een andere kant op moeten met de trein. We nemen hartelijk afscheid van onze Japanse vriendin. Geen idee wanneer we elkaar weer eens kunnen ontmoeten. In elk geval op Facebook. Daar zullen we haar laten weten hoe bijzonder deze dag in Tokyo voor ons was.

 

vrijdag 3 juli 2015

Japan, Kyoto (deel 8)

In de namiddag van onze eerste dag in Kyoto halen we onze bagage uit het kluisje op het Station en dan nemen we een taxi, want we kunnen niet goed uitvinden hoe we het opgegeven adres met het openbaar vervoer moeten bereiken. De taxichauffeur brengt ons er heen, maar gaat voor alle zekerheid eerst even informeren of het klopt dat we hier kunnen overnachten. Het is namelijk in een erg smal steegje, waar nergens een naam of uithangbord te zien is.
traditioneel, Japans huis buiten

We hebben een ‘traditioneel huis’ geboekt voor één nacht. De ingang is onooglijk, maar als we aanbellen, worden we hartelijk ontvangen door een ouder echtpaar en een jonge vrouw, die de tolk blijkt te zijn. Ze zitten er wat onwennig bij en excuseren zich uitgebreid als ze ons vragen om paspoorten, waar ze een kopie van maken. We hebben de indruk dat ze nog maar net begonnen zijn met het ontvangen van gasten in dit huis. Met hulp van de tolk leggen ze uit hoe alles werkt. We hebben de beschikking over twee verdiepingen. Boven zijn twee kamers met niets anders erin dan tatami matten en beddengoed. Beneden een keukentje en een kamer zonder stoelen, met een laag tafeltje en een grootbeeld televisie. De trap is gevaarlijk steil, maar verder is het een superplek om onze Kyoto-nacht door te brengen. De eigenaars vertrekken nadat ze ons hebben verteld waar een bushalte is en dat we morgenochtend de sleutel door de brievenbus kunnen gooien als we weg gaan.
traditioneel, Japans huis binnen

In de wandkast liggen genoeg platte matrasjes om er elk twee te nemen. Zo zijn onze bedden zachter dan die in onze uitvalsbasis in Fukuoka. We rusten een uurtje uit en dan besluiten we te gaan eten in de wijk Gion, die bekend staat als een plek waar je nog echte geisha’s kunt tegenkomen. We zien welgeteld één geisha, in het gezelschap van een oudere man.
Inmiddels is het donker geworden en zijn we aangekomen bij Pontocho, een smal straatje met aan beide kanten restaurants. Bij sommige zijn de menukaarten alleen in het Japans, we zien ook bordjes hangen waar op staat dat alleen Japans sprekende gasten welkom zijn. Andere restaurants geven juist aan dat er Engels gesproken wordt, of Frans. We kiezen uiteindelijk voor een kleine eetgelegenheid, met ruimte voor een stuk of 10 personen rond een bar. Daarachter zien we een bijzonder opgewekte kok en zijn maatje aan het werk. Ze maken van elk gerecht een kunstwerkje. We bestellen alle drie hetzelfde: tempura en sashimi. Het ziet er niet alleen mooi uit, maar het smaakt ook prima.

Mooi eten: tempura en sashimi

Aan één kant van Pontocho hebben veel restaurants aan de achterkant een terras dat uitkijkt op de rivier er achter. Voor dat uitzicht betaal je flink extra. Wij besluiten gewoon om te lopen nadat we hebben gegeten. Langs de rivier loopt een wandelpad. Er boven zie je de verlichte terrassen, maar je kunt ook gratis op de stenen langs de Kamo rivier gaan zitten. Een aparte plek.

We hebben goed opgelet toen we vanuit ons logeerhuis naar de bus liepen en mijn dochter heeft heel slim een fotootje gemaakt van de bushalte. Daarmee herkennen we nu makkelijk de plek waar we er uit moeten en in het donker vinden we ook zonder moeite het steegje terug waar we deze nacht wonen. Zachtjes om de buren niet te storen (de wanden zijn allemaal zo dun als bordkarton) installeren we ons en op de dubbele matrasjes slapen we heerlijk.

 

woensdag 1 juli 2015

Japan, Kyoto

 

Op 30 juni stak een man zichzelf in brand aan boord van de Shinkansen, de supersnelle Japanse trein tussen Tokio en Osaka. Er waren twee slachtoffers: de man zelf en een andere passagier, en er waren enkele tientallen gewonden. Als ik het bericht lees, schrik ik op. Op hetzelfde traject reden wij een paar weken geleden en vroegen ons af of hier nou nooit calamiteiten waren; de vertragingen bij de Shinkansen zijn per jaar in seconden uit te drukken. Dit jaar zijn daar ineens heel veel seconden bij gekomen. Een Japanse krant meldt: Alle diensten van de Tokaido Shinkansen lijn werden onmiddellijk na het incident geschorst, maar ze werden weer hervat om 14.09 u. Dat is ongeveer twee en een half uur na de gebeurtenis.

Als wij van Fukuoka naar Kyoto rijden, denken we nog dat er nooit iets mis gaat met deze treinen. Onze trein komt precies op tijd aan en we gaan meteen door met een lokale trein naar Arashiyama. Daar moet het beroemde bamboe-bos zijn, dat volgens de Lonely Planet gids een absolute aanrader is.
We lopen vanaf het station achter de massa aan over een leuk straatje met winkeltjes waar veel jonge vrouwen in kimono’s lopen en ook stoere riksja-rijders: sterke jongens (en een paar meiden) die hun karretje met één of twee passagiers de stijgende weg op trekken. Het valt me op dat er alleen Japanse toeristen in de riksja’s zitten. Zou dat zijn omdat Westerlingen gemiddeld veel (groter en) zwaarder zijn? Of zouden alle Europeanen, net als wij, een ongemakkelijk gevoel krijgen bij het idee om iemand zich zo voor jou te zien afbeulen?

 
We lopen zelf omhoog, tot de Togetsukyo bridge, waar we een tijdje op blijven staan om te kijken naar de kleine watervalletjes, de bosrijke berg verderop en de boten op de rivier. Een mooie plek. Meisjes in geisha-achtige kleren fotograferen elkaar met hun mobieltjes en willen ook best door ons gefotografeerd worden. Eerst met hun eigen mobieltje en dan met dat van H.

Op een plattegrond kunnen we zien waar het bamboebos is. We moeten een stukje klimmen. Hier is het wat minder druk dan vlakbij het station, maar de verstilde, serene plaatjes waarin het bos wordt aangeprezen, geven toch een iets andere sfeer dan de echte plek. Wel bizar, zo’n bos van enorme, kale bamboestengels. Als je omhoog kijkt, zie je de eindeloze, rechte stammen. Maar erg groot is het bos niet en naast ons, voor ons en achter ons zijn medetoeristen. We komen zelfs bekenden tegen! Een Duits echtpaar met wie we eerder in een bus in Fukuoka aan de praat raakten. Grappig.
Na het bamboebos willen we naar Iwatayama, het monkeypark waar je aapjes mag voeren vanuit een mensenkooi. We zijn gewaarschuwd dat het een flink eind klimmen is, dus ik zet me schrap. Een pad dat voornamelijk uit trappen bestaat, gaat de beboste berg op. Het is een vrij warme dag, maar in de schaduw van de bomen is het heerlijk. In een rustig tempo gaan we omhoog en sneller dan ik had verwacht, komen we bij de houten keet, waar je binnen zakjes fruit en pinda’s kunt kopen om door de grote, met gaas bedekte ramen aan de apen te voeren. Als het voer op is, gaan we naar buiten om van het uitzicht te genieten. We kijken over Kyoto, dat één van de weinige steden is waar niet alles in WOII is platgebombardeerd. Er staan nog oude gebouwen en er is nauwelijks hoogbouw. Kyoto heeft daardoor een heel ander karakter dan andere Japanse steden.

’s Middags bezoeken we de Golden Temple, ook weer een bezienswaardigheid die je beslist niet mag overslaan als je in Kyoto bent. De tempel is inderdaad prachtig, vooral ook door de ligging op een eiland, omringd door schilderachtige bomen. Je kunt niet bij het eiland komen, maar er wel omheen lopen om het elegante, glanzend gouden gebouw van alle kanten te bekijken.

Nu hebben we wel even genoeg gelopen en we besluiten om op het station onze koffers uit de locker te halen en ons hotel op te zoeken. Een traditioneel, Japans huis, dat een apart verhaal verdient

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...