Posts tonen met het label Azua. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Azua. Alle posts tonen

dinsdag 19 april 2011

De rivier

Het kleine huis van de Los Santos Family met de kleurige reclameteksten erop klopt met het beeld van de foto’s die Plan me jaarlijks stuurt, maar wat ik zeker niet verwacht had, was die autoweg. Regelmatig moeten we het gesprek onderbreken omdat er een vrachtauto langs ronkt of een knallend brommertje passeert.
We krijgen een dulce, een zoet hapje van kokos en suiker. Lekker.
Wil ik nog meer zien? Ja, de rivier waar Leonel altijd gaat zwemmen met zijn vrienden. Ook daar gaan we met de Plan auto heen. Een mooie plek. De rivier is ondiep, zoals de beekjes die ik ken uit Frankrijk of Zuid-Limburg, maar dan wel veel breder. Hij stroomt kabbelend over de stenen.
Kun je hier zwemmen? vraag ik. Ja, verderop is een dieper stuk.
Hier en daar staan magere paardjes aan een vastgepind, lang touw. Die kunnen hier wat gras eten.
Aan de overkant van de rivier komt een Jeep aan rijden. Tot mijn verbazing rijdt ie voorzichtig de rivier in. Hij komt naar onze kant. In het midden verdwijnt de auto tot halverwege de portieren in het water. Ik vertel de anderen dat dit bij ons echt nooit zou kunnen en vraag Martha of ze een foto wil maken. (Omdat mijn toestel het niet doet, heeft Martha beloofd foto’s te maken en die op te sturen). Martha is de hele tijd op de achtergrond aanwezig. Zij kent de mensen en de plek en weet waar we heen moeten.
Dan is het tijd om terug te gaan. Voordat we afscheid nemen, vraag ik voorzichtig aan tolk Hector of er iets op tegen is te vragen of ik het huisje van binnen mag zien. Nee hoor, dat kan best. We lopen er omheen naar een deur aan de achterkant. Het is toch groter dan ik dacht. Binnen is het eerste dat ik in de donkere ruimte zie een brommer.
De lamellen worden een beetje opengeklapt en ik zie tegen een muur een grote wandkast staan. Verder is er niet zo veel. Het lijkt op een garage bij ons, met een ruwe, stenen vloer en kale wanden. In een hoek staat op een tafeltje een enorme, zilverkleurige trofee. Bovenop een poppetje met een hockeystick. De beker is ooit gewonnen door Leonels moeder. Ongevraagd zet Martha hem voor me op de foto.
Tijd om te gaan. Ik geef iedereen een hand. Leonel, zijn oma, zijn oom, zijn zusjes.
Ik beloof weer te schrijven en ik zal foto’s sturen van onze rivier en van een Nederlandse school.
Over de hobbelige weg rijden we terug naar het kantoor van Plan.

maandag 18 april 2011

De school

De school is een eenvoudig gebouw met twee klaslokalen.
Eerst gaan we naar de kleuters. Een enthousiaste, jonge juf laat zien wat ze allemaal doen. Er zijn speelhoeken en er zijn prentenboeken, ik krijg een dun, slap exemplaar van Roodkapje in m'n handen. Het is belangrijk dat de kinderen leren spelen, het is het begin van hun scholing. Alle kleutertjes worden gemobiliseerd om met me op de foto te gaan. Ze gaan braaf bij elkaar staan, maar ze hebben natuurlijk geen idee wie die rare, blanke mevrouw is.
Als we naar het tweede lokaal lopen, dat verderop staat, hollen de kleuters mee naar buiten en verdwijnen alle kanten op. Het is elf uur. De ochtendklas is afgelopen.
De grotere kinderen zitten in net zo'n simpel, lemen gebouwtje aan tafeltjes. Er is een schoolbord dat helemaal vol geschreven is. De juf vertelt dat ze zo graag een basketbalveld willen. En hekken waarbinnen veilig gespeeld kan worden, want overal waar we komen, loopt vlakbij die drukke autoweg.
Na het bekijken van de school gaan we nog een paar huizen langs waar oudere halfbroers- en zussen van Leonel wonen. De zussen zijn verlegen, zeggen alleen zachtjes hun naam en geven een hand. De oudere broers zijn er niet. Zeker ergens aan het werk? Dan stappen we weer in de Plan- auto en rijden weg. We passeren de kleuterjuffen, die ons nazwaaien.
De juffen zijn allemaal vrijwilligers, vertelt mijn tolk. Sommigen zijn vroeger zelf sponsorkind geweest. Ook Leonel heeft een tijdje werk voor Plan gedaan: foto’s maken van kinderen om naar hun sponsors te sturen. Maar nu doet hij na schooltijd ander werk; hij verzorgt mangobomen.
Al snel zijn we terug bij het huisje.

Ontmoeting

Morgen zal ik mijn Plan sponsorkind ontmoeten. Ik slaap slecht in een warme, kale hotelkamer waar het stikt van de muggen.
Om zes uur wordt het licht buiten. Ik sta op en ga de douche proberen. Koud, dacht ik al. Maar het is niet erg, ik fris er van op. Met een broodje van gisteren en water ontbijt ik en dan ga ik voor de deur zitten lezen. Tot de Plan-taxi met Carina er is.
Vanuit het kantoor gaan we met z'n vieren op pad: Martha, die de communidad goed kent, Hector, mijn tolk, de taxichauffeur en ik. Martha is een vrolijke, stevige dame die alleen Spaans spreekt maar zeker van plan is Engels te leren. Hector is een vriendelijke, kleine, donkere man met een heel groot hoofd.
Ik ben bang dat ik op m'n kleine broodje niet ver kom en vraag of ik ergens een ontbijt kan kopen. Dat kan, ze brengen me bij de Pica Pollo, een soort hamburgertent zoals je hier op elke hoek vindt. En zo eet ik voor het eerst van mijn leven om negen uur ‘s morgens een hamburger met kip.
Het is een half uur rijden naar de communidad. Als we voor het huis aan de weg stoppen, zie ik Leonel meteen. Samen met zijn oma wacht hij op me. In de schaduw voor het huis gaan we op plastic stoeltjes zitten en we praten onwennig via tolk Hector. Soms lukt het met een paar zinnen rechtstreeks in het Spaans.
Wat wil je vragen, zegt Hector tegen mij en ook tegen Leonel. Hij wil iets weten over de geschiedenis van Nederland. Lieve help, wat vertel je dan?
Ik vertel over de zee, over koeien en kaas en onze tweede Wereldoorlog.
Leonel vertelt ernstig over de bevrijding van de Dominicaanse Republiek. En hoe belangrijk 27 februari is, de dag dat ze een onafhankelijke republiek werden.
Ik geef de kadootjes die ik heb meegenomen. De schriften hebben kleurige kinderplaatjes voorop. Ik hoop dat ze er iets aan hebben. De t- shirts zijn in elk geval groot genoeg.
Oma geeft iedereen een kokosnoot vol kokoswater/melk met een rietje. Voor haar heb ik kleine zeepjes meegenomen.
Ik vraag naar het dagelijks leven van Leonel en hij blijkt een heleboel (half)broers en zussen te hebben, waarvan er een paar hier wonen en anderen een stuk verderop. Het zijn hier allemaal grote families, vertelt Hector.
Na een tijdje weten we geen vragen meer voor elkaar. Martha en Hector gaan me de school laten zien die met Plan-geld gebouwd is en Leonel gaat mee in de taxi.

zondag 17 april 2011

Bus

Het busstation is groot en druk. Aan loket 10 kan ik een kaartje naar Azua kopen. Het is kwart over 1. Mijn bus moet volgens de dienstregeling tussen kwart voor en twee uur vertrekken. Maar waar komt ie? Ik bestudeer mijn ticket en vraag aan m'n buurman of er een haltenummer op staat. Nee, het staat er niet op. Ik begrijp dat het omgeroepen wordt. Oei, als ik dat maar snap; tot nu toe versta ik weinig van het getoeter door de luidsprekers.
Om half twee denk ik Azua te horen omroepen. Ik loop met de meute mee naar een bus en jawel, het is de goede. Aan de zijkant staan kleppen open van de bagageruimte waar allerlei bagage wordt ingeladen. Ik heb alleen een schoudertas en die neem ik mee de bus in.
Binnen is het donker. Voor alle ramen zijn donkerblauwe gordijnen zorgvuldig dicht getrokken. Ik snap waarom: als de zon twee uur lang op de ramen knalt, kan daar geen airco tegenop.
Maar het is bewolkt, ik doe m'n gordijntje toch open en kijk. De hele weg.
Eerst de drukte van de stad; Ik zie kleine, krottige huisjes tegen de heuvel leunen in de buitenwijk. Dan het droge land. Het mooie eiland van de reisgidsen is niet hier. Overal in de berm ligt rommel. Een stuk niks en dan een dorpje. Piepkleine bouwvallen staan naast protserige paleisjes. Veel huizen zijn bont gekleurd. Overal langs de weg staan verkopers, negen van de tien keer verkopen ze bananen. Er zijn open cafe's vol mensen, er zitten eenzame zwervers langs gaashekken, er zijn talloze kleine winkeltjes met flesjes 'echte cola' en water. Zelfs in de bus ruikt het naar stof.
Al om half vier stopt de bus in Azua. Ik hoor het de chauffeur duidelijk zeggen, maar stap weifelend uit. Is dit busstation Azua?
Ik sta voor een klein winkeltje. Verder zie ik huizen. Bewoonde, lege, half ingestorte en half af gebouwde. In het winkeltje vraag ik waar ik kan bellen. Ik laat het briefje zien met naam en nummer van mijn Plan-contactpersoon.
‘Carina P.!’ Roept hij, ‘es mi amiga’. Hij belt voor me en zet een stoel neer waarop ik kan wachten en hij wijst van welke kant ze zal komen. ‘Five minutes’.
En inderdaad, vijf minuten later parkeert aan de overkant een auto: de taxi van Plan International. Ik herken het logo. Ik bedank de winkelier, steek over en daar maak ik kennis met Carina.

Wie gebruikt er nou niet z'n Vensterrecht

Na twee weken vakantie in Duitsland zijn de paprika's en de tomaten in de achtertuin rijp en rood. Best fijn om weer thuis te zijn, na e...