woensdag 27 april 2011

Laatste avond in Santo Domingo

New York noemen ze de stad die nooit slaapt; Santo Domingo is de stad die 's nachts wakker wordt. 's avonds gaan alle deuren open die in de warmte van de dag gesloten zijn. Ik loop door donkere straatjes en overal zie ik achter de open deuren hoe mensen wonen. Achter open geveltjes met tralies zijn kleine kamers met bankstellen en televisies. Sommige zijn volgestouwd met meubels, in andere staan alleen twee schommelstoelen. of opgeslagen rommel. Het is een beetje alsof je door een openluchtmuseum loopt.
Waar overdag een muur met vier houten panelen was, blijkt nu een gezellig restaurant of café te zijn. Overal zijn winkels open. Gezinnen zitten in parken en op pleinen. Tienermeisjes nemen foto's van elkaar in verleidelijke poses.
Het Parque Colon, bij mij op de hoek, is een centraal punt. Altijd staat er een rij taxi's, er vertrekken paardenkoetsjes, er lopen snoepverkopers en er zijn terrasjes waar mensen bier drinken. Overal komt muziek vandaan. Er lopen veel mensen in uniformen. Legerkleding, politie-uniformen, maar ook veel mannetjes met een id-kaart aan een touwtje om hun nek en een overhemd met het logo van het ministeria del cultura. Die klampen je aan met de vraag of je informatie wilt. Vervolgens wijzen ze een sieradenwinkeltje aan waar je naar binnen kunt om gratis het bijbehorende 'museum' te bezoeken. Of ze vertellen iets over de monumenten die je kunt gaan bezichtigen.
Dan zijn er ook nog de verkopers van cd's, riemen en sieraden.
Wil ik cd's kopen? Merengue, salsa? Waar kom ik vandaan? Nederland? Een blijde lach: “Ah, Amsterdam! Daar woont mijn zus. Ik ben er geweest, en ik ga er weer heen in Augustus! Uit Nederland, wat leuk. Mijn zus is getrouwd met een Nederlander. Se llama Bah.”
Hóe heet ie?? Bah?
Oh, Bas. Ja, dat is een Hollandse naam.
En omdat ik uit Nederland kom heeft hij een speciale aanbieding voor me. Een doosje sieraden voor maar 500 peso's. Jaaaja, ik hoef ze niet.
Hij doet net zo lang doosjes open tot ik een ketting zie die ik wel mooi vind. Ik koop hem voor 300 en weet dat dat nog aan de hoge kant zit. Maar ja, hij heeft familie in Amsterdam hè.
Ik blijf nog een tijd zitten kijken naar alles op het plein wat me na twee weken zo bekend is.
Dan loop ik langzaam terug naar mijn hotel. Langs de snoepverkopers, langs de koetsjes en de taxi’s, langs het oude bedelvrouwtje dat ik een paar keer geld heb gegeven, langs de enkele souvenirwinkel die nog tot laat open is… Ik ga mijn koffer inpakken.

dinsdag 26 april 2011

Columbus


Waar je ook loopt in de Zona Colonial, overal staan historische gebouwen. Gave, 16e eeuwse forten en muren, indrukwekkende kolossen van kerken, maar ook ruïnes, waar honden in de schaduw van stukken muur slapen.
Langs de rivier die de Oost- en Westkant van de stad scheidt, staat een groot stuk van de oude stadsmuur. Je kunt er op een paar plaatsen door. Brede trappen leiden naar de open poorten in de geweldig dikke muren. Je kunt je hier goed voorstellen hoe de stad in de tijd van Columbus geweest moet zijn.
Ik bezoek het Alcazar de Colon. Hier heeft Christopher Columbus gewoond met zijn gezin. Er is een Engelse audiotour en dat is wel prettig. Columbus, Colon, is hier een held. Hij heeft de stad gesticht. De oorspronkelijke bewoners, de Taina indianen, worden ook genoemd. Er liggen voorbeelden van hun geavanceerde werktuigen. Maar waar ze gebleven zijn, daar wordt niet over gerept.
Vanaf een groot balkon kijk je uit over het plaza Espana. Het oude koetshuis staat een stukje verderop, daar heb ik het toegangskaartje gekocht, want mijn reisgids (uit 2009) zei wel dat het fort vrij toegankelijk is, maar ze hebben hier inmiddels echt wel ontdekt dat er geld te verdienen is aan die goeie ouwe Columbus.
Behalve het fort, bezoek ik ook nog het museum Casas reales; koningshuizen. Nog meer geschiedenis. Ook hier een audiotour. Ik bestudeer alle reisroutes van onze beroemde ontdekkingsreiziger en ik hoor de geschiedenis van Francis Drake, die begon als piraat en schurk. De verteller in mijn koptelefoon wordt er geëmotioneerd van en op de achtergrond klinken illustratief kanonschoten en zeemansgebrul. Dan heb ik even genoeg van de zestiende eeuw. Ik ga naar buiten en wandel voor de laatste keer naar de 21e eeuwse Caribische Zee. Morgen ga ik terug naar huis.

maandag 25 april 2011

Een man van vele talen

Ik loop naar buiten om te gaan lezen in het park.
"Hello", roept iemand, "where are you from? Russia?" "No, Hollanda" roep ik achterom. "Hollanda? I lived in Venlo! Do you know Venlo?" Een man met puntige oren haalt me in. "Really?" vraag ik.
Ja, en hij heeft ook in Duitsland gestudeerd. Spreekt hij Nederlands? "Goedemiddag, eet smakelijk en links voorsorteren."
Francisco spreekt alle talen. Wil ik Engels met hem spreken? Frans? Duits? Hij spreekt het allemaal. Het is vreemd om een Dominicaan Duits te horen spreken.
Hij vertelt dat ie een uitzondering is hier. De meeste Dominicanen willen alleen maar eten, drinken, luieren en kinderen maken. Maar hij wil meer bereiken, daarom heeft hij veel talen geleerd en doet hij nu een computeropleiding. Zal hij me de school laten zien?
Okee, ik loop mee.
Maar het is een heel eind lopen, en onderweg ziet hij in een café een vriend die hij lang niet heeft gezien. Even begroeten. Ik word voorgesteld aan de vriend en nog een man. Ze doen iets juridisch. Zo zien ze er ook uit; strak in het pak. We zitten in zo 'n donker café waar ik altijd aan voorbijloop. Wil ik bier? Water? Ook goed. Galant wordt de fles voor me geopend.
De mannen praten met elkaar en richten zich af en toe in het Engels tot mij.
Dan worden er telefoonnummers uitgewisseld. Goed om je te zien, zeggen ze tegen Francisco, en dat het nu zo goed met je gaat. De mannen omhelzen elkaar en schudden mij hartelijk de hand.
Francisco holt weer voor me uit. Kijk, hier is de school. En nu zal ik een plek laten zien waar je 's middags rustig in de schaduw kunt zitten. Hij legt het verschil uit tussen een restaurant en een comedor; de laatste is voor de locals.
We zitten op een terras en ik eet een beetje gekruide rijst. Francisco zal me Spaanse woorden leren die ik wil weten. Ik wil weten wat de mannen van de guagua altijd roepen. Meteen trekt hij me aan mijn arm mee naar de stoep, waar er eentje passeert. Triomfantelijk kijkt ie me aan als de man in het busje z'n riedel afsteekt. Het zijn de straatnamen waar de guagua langs gaat. Maar dan heel snel.
Hij kletst maar door in alle talen, schrijft van alles voor me op. Ik word een beetje moe van hem.
Na tien happen rijst heb ik genoeg. Eigenlijk wil ik nu gewoon rustig m'n boek gaan lezen. Ik zeg dat ik met de guagua terug wil naar de Zona Colonial.
Dan begint Francisco over zijn geldproblemen en of ik hem - niet om ergens voor te betalen maar uit de goedheid van mijn hart - niet een bijdrage voor zijn studie wil geven?
Ik geef hem wat geld en dan zegt hij dat ik de rijst moet laten inpakken. Anders gooien ze het weg, zegt hij, en buiten stond daarnet nog een vrouw die het graag zou willen hebben. "Por llevar" moet ik zeggen tegen de ober. De rijst wordt netjes voor me ingepakt.
We lopen de comedor uit en er komt juist een guagua aan. Francisco houdt het busje aan en zegt tegen de chauffeur waar ik heen moet. Ik red het wel alleen hè.
Zeker. En anders word ik wel geholpen. Als het busje bij de Puerta del Conde stopt, zijn er minstens vier passagiers die naar me gebaren dat dit mijn uitstapplek is.
Aardig.

zondag 24 april 2011

Plaza de la cultura

"Met het reusachtige Teatro Nacional en vier grote musea vertegenwoordigt dit plein Dominicaanse kunst, cultuur en geschiedenis", staat in mijn toeristenboekje. Ik ga er heen met de guagua. Ik loop over de hoofdstraat waaraan dit complex moet liggen, en zie rechts van me een aantal grote gebouwen. Maar er loopt een lang hek om het terrein. Hoe kom ik daar door? Aha, ergens is een kleine poort in het hek. Er staat een bewaker bij, maar die houdt me niet tegen. Zo druk als het buiten het hek was, zo stil is het hier. Het terrein is groot en open en ziet eruit als een soort bouwplaats. Overal staan een soort lege tentjes van metalen buizen met daaraan doeken waarop 'Ministerio de Cultura' staat. Ik kom langs een gebouw waar Teatro Nacional op staat. Dit is dus de goede plek. Maar waar is het museum van de moderne kunst? Ergens in de leegte staan twee mannen te praten en die wijzen me waar ik heen moet. Over ongelijke steenbrokken loop ik langs nog meer buizententjes en dan hoor ik kinderen. Een grote groep schoolkinderen staat voor het volgende gebouw en jawel, dit is het museum dat ik zoek. Het lijkt dicht, maar als ik tegen de donkere, glazen deur duw, gaat die open. Ik sta in een enorme, lege ruimte. Twee mensen in uniform zien me binnenkomen en wijzen dat om de hoek de receptie is. Daar koop ik een kaartje. De schone kunst mag hier dan theoretisch erg belangrijk zijn, het museum is uitgestorven. In m'n eentje dwaal ik door grote zalen. Marmeren vloeren, witte muren en aan die muren per zaal twee of drie schilderijen. Lullige portretjes, grote abstracte doeken, fotocollages ... er zijn maar een paar dingen die ik mooi vind. Ik verbaas me vooral aan de absolute leegte hier. Na een tijdje stromen er tientallen kinderen in schooluniformen de trap op. Net als in de jardin botanica zijn dat de enige andere bezoekers die ik tegenkom. Kunst en cultuur is kennelijk vooral iets voor schoolkinderen.

zaterdag 23 april 2011

Guagua

Ik ken nu de belangrijkste grote Avenida's in dit deel van Santo Domingo en dat maakt het mogelijk om met de guagua te reizen.
Een guagua is een kleine bus, iets groter dan bij ons een negenpersoons busje. Het zijn ongelooflijk afgeragde dingen met links een dubbele rij stoelen en rechts een enkele, maar aan elke stoel zit een leuning die in het middenpad uitgeklapt kan worden. In de open deur van het busje staat een man, half binnen, half buiten. Overal waar langs de weg iemand stil straat, lijkt stil te staan of (misschien) aan komt lopen, stopt de guagua en loopt de man van de deuropening naar mensen toe om ze het busje in te praten. Mensen worden van de overkant gehaald, andere auto's tegengehouden zodat nieuwe passagiers kunnen oversteken. Dat gaat allemaal met veel geroep en gebaren.
Als ik instap is er nog ruimte genoeg. Ik blijf staan om te betalen, maar andere passagiers wijzen dat ik kan gaan zitten. Betalen doe je bij het uitstappen. Ik zit rechts voorin, voor de open deur. Voor me is nog een stoel. Er stappen steeds meer mensen in. Ik kijk om en tel er een stuk of vijftien. Maar de bijrijder blijft maar mensen binnenhalen. Als ik denk dat er echt niemand meer bij kan, wordt er nog opgeschoven of iets uitgeklapt. Op het stoeltje naast mij kruipen twee giechelende schoolmeiden.
Het gaat langzaam. Het verkeer zit vast, alles rijdt chaotisch kriskras door elkaar. Als niet alles eenrichtingverkeer was, zou het levensgevaarlijk zijn. Verkopers banen zich een weg tussen de auto's door en verkopen rustig hun handel door de open ramen.
Ook alle ramen van de guagua staan wijd open, maar we komen zo langzaam vooruit, dat dat weinig frisse lucht oplevert. Het is plakkerig warm, het ruikt naar uitlaatgassen maar vooral naar een zoetig mengsel van fruit en iets kruidigs. Met z’n drieën op twee stoeltjes zitten we niet echt comfortabel. Toch geniet ik van deze gekke busrit.
Na een half uur zijn we bij de rand van mijn wijk. Ik zie waar ik ben, maar had niet bang hoeven te zijn om het te missen. De chauffeur gebaart dat ik er hier uit moet. De meisjes naast me staan op om me door te laten. Ik stap over hun stoel heen naar de uitgang en geef de man aan de deur op goed geluk 50 peso's. Ik krijg er keurig 25 terug. Glimlachend loop ik terug naar mijn hotel. Leuke ontdekking, die guagua.

Luie dag

Zaterdag heb ik veel gelopen en zondag neem ik een luie dag.
Na het ontbijt loop ik naar een park in de buurt met in mijn tas een boek. Ik zoek een goed plekje uit om te gaan zitten lezen, maar verderop klinkt pianomuziek en ik loop nieuwsgierig een stukje verder.
Er staat een grote, witte partytent om de hoek, voor de ingang van een kerk. mensen met drankjes en hapjes lopen er rond en onder de tent staat een wit bankstel, een tafel met witte versiersels en bloemen er op en ook nog een tafeltje met een enorme, witte taart in drie verdiepingen.Een bruiloft, denk ik, en ik ga ergens zitten vanwaar ik de kerkdeur kan zien. Ik ben benieuwd hoe een Dominicaans bruidspaar er uit ziet.
Naast me komt een vrouw zitten die vriendelijk groet. "Een bruiloft?" vraag ik haar, maar nee, het is een doopfeest.
Het moet een belangrijke baby zijn, want er staan verschillende persmensen vlakbij de ingang van de kerk. Twee mannen met grote camera’s op hun schouder en iemand met een microfoon met zo’n grote, ronde stofkap, waarmee ze op televisie altijd de politici achtervolgen. Voor de kerkdeur worden twee lange stokken neergezet met vlaggen er aan. De Dominicaanse en een Japanse. Er verzamelen zich buiten ook veel Japanse gasten. Ze begroeten elkaar met twee stijve buigingen. Niemand raakt elkaar aan. Grappig, de Dominicanen raken elkaar juist voortdurend aan. Een van de Japanse mannen, gedistingeerd grijs en strak in het pak, draagt een grote pot met een jong boompje er in. Om de pot zit een sierlijk lint. Een geboorteboom, die samen met de baby groot moet worden.
Zodra alle gasten in de kerk verdwenen zijn, komt er een vrachtwagentje aan. Alle prachtige, witte attributen uit de feesttent worden afgebroken en ingeladen. Wat ze met de resten van de taart doen, zie ik niet. Een hoop mensen hier zouden er maar wat blij mee zijn.
Uit de kerk klinkt gezang. Een ijsverkoper met z'n karretje wacht geduldig tot de kerk weer uit gaat. Ik verlaat het park zonder dat ik aan m'n boek toegekomen ben.
Ook deze luie dag brengt helemaal vanzelf ervaringen mee.

vrijdag 22 april 2011

Jazz

Terwijl ik op een terrasje zit te eten, zie ik dat op het plein er naast een podium wordt opgebouwd. Ik betaal, slenter er heen en ga op een bankje zitten kijken. op een bank naast me installeert zich een gezin met kinderen. Er komt een koeltas te voorschijn met frisdrank en wijn. De kinderen rennen over het plein. Ook op andere banken zitten mensen met kinderen. "Mira, Mira" , hoor je de hele tijd; "kijk!"
Er komt een vrouw langs met bossen bloemen en lichtgevende buisjes in de aanbieding. Op het podium hangt iemand aan een stellage met grote lampen. Er rijdt een vrachtwagentje dwars over het plein tot voor het podium. Stapels plastic stoeltjes worden uitgeladen en even later is een deel van het plein veranderd in een openlucht zaaltje. het is al donker, maar de lampen verlichten het podium. Er worden microfoons getest en hier en daar gaan mensen op de stoeltjes zitten. De voorste rij is door de kinderen ingepikt, maar die moeten wel steeds even opspringen om een rondje te rennen.
Ineens begint het echt. Een presentatieduo houdt een jolig praatje, waarbij de oudere man zijn jonge, vrouwelijke collega kennelijk vergelijkt met Jennifer Lopez. Ze kletsen een tijd heen en weer en achter hen wachten geduldig de artiesten: een gitaartrio. Ze brengen een soort Spaans smartlappenrepertoire met veel amor en corazon. De zanger haalt het soms maar net. Na zes nummers zijn ze klaar. Weer het presentatieduo met een lange, onbegrijpelijke introductie.
Dan wordt het leuk: een jazz orkestje. Een geweldige percussionist geeft met z'n conga's een Zuidelijk tintje aan de muziek. Lekker om naar te luisteren op een zoele avond op een plein in Santo Domingo. Het is heerlijk buiten en ik blijf zitten tot de jazz is afgelopen. Dan loop ik het plein over en ga een smalle straat in. Hier is het donker en stil, maar bang ben ik niet. Ik voel me inmiddels aardig thuis in dit stukje van de stad. Een paar straten verder is het Parque Colon, waar op bijna alle bankjes nog mensen van de koele avondlucht genieten, en nog een stukje verderop is mijn hotel. Met een hoofd vol muziek ga ik daar lekker nog een stukje schrijven en dan naar bed.

donderdag 21 april 2011

Amor en Corazon

Het is vrijdag. De dag na mijn bezoek aan Azua.
Ik heb vanmorgen een lange wandeling langs de zee gemaakt en heb weer een nieuw stuk van Santo Domingo verkend. “Hé Linda”, wordt er af en toe naar me geroepen en ik weet nu wat dat betekent. Het is mijn huidskleur, blank, en het is een compliment.
“Te amo”, hoor ik ook wel eens, “ik hou van je”. Zomaar in het voorbijgaan. De mensen hier hebben de liefde dan ook nogal voor op de tong liggen. Vooral vrouwen begroeten elkaar regelmatig hartelijk met “hola, mi amor”, dat ze al uit de verte naar iemand roepen en dat dan gevolgd wordt door een stevige omhelzing.Ik ben exotisch hier en dus interessant. Op zo’n wandeling langs de zee krijg ik makkelijk aanspraak. Vandaag liep Jorge met me op. Hij is veiligheidsmedewerker bij een van de grote kantoorgebouwen hier en ik denk dat dit zijn middagpauze is. “Waar kom je vandaan?” is de bekende openingsvraag, en of ik Spaans spreek. Half in het Engels, half in het Spaans vertelt Jorge me zijn levensverhaal. Geen vrolijk verhaal. Hij heeft in New York gewoond en hard gewerkt, is daar getrouwd en weer gescheiden en heeft twee kinderen die hij nooit meer ziet. Zijn vrouw heeft een ander en toen hij dat ontdekte, was hij er zo van ondersteboven dat hij zijn werk niet goed meer deed en zijn baan verloor. Inmiddels heeft hij weer werk, maar zijn hart is gebroken. “Mi corazon”. Hij houdt dramatisch zijn handen tegen zijn borst terwijl hij dat vertelt.
Als ik op mijn beurt vertel dat ik getrouwd ben met een lieve man in Nederland en daar ook twee kinderen heb, zucht hij dat mijn man een gelukkig mens moet zijn.
Intussen zijn we een stuk langs het water gelopen en is hij terug bij het gebouw waar hij werkt. We nemen hartelijk afscheid en hij steekt de drukke weg over.
Bijzonder, wat mensen je zomaar allemaal vertellen hier, tijdens zo’n vluchtige ontmoeting.
Als ik ’s middags op weg naar mijn hotel door winkelstraat “El Conde” loop, kom ik een bekende tegen: de eigenaar van het winkeltje in Azua, die afgelopen woensdag Carina voor me heeft opgebeld. Een beetje verbaasd begroeten we elkaar. Wat toevallig!

Terug naar Santo Domingo.

In het Plan-kantoor is het rustig. Carina is net naar huis om met haar kinderen te eten. Ik kan op haar wachten in een lokaaltje dat als kantine en archief dient.
Martha is daar ook, iemand brengt haar rijst met bonen. Ik heb in de auto de andere helft van mijn ontbijt-kipburger opgegeten en hou het bij water. We proberen een gesprek maar ik kan Martha’s Spaans moeilijk verstaan. Spaans lezen vind ik makkelijker dan het verstaan, zeg ik. Ja. De uitspraak is overal verschillend. Ze heeft een idee. Zij zal mij wat Spaans leren en dan leer ik haar wat Engels. We wisselen een paar woorden uit en Martha is opgetogen als ze "My name is Martha" kan zeggen. Ze is aardig.
Carina komt binnen. Zuchtend over haar vier drukke kinderen, waar haar oppassende moeder helemaal gek van wordt. We hebben het over onze kinderen en dan is het ineens bijna tijd voor de bus. Met de Plan-auto gaan we naar de halte en daar nemen we afscheid.
De chauffeur is dezelfde als op de heenweg. Terug kan ik niet echt naar buiten kijken, want ik zit aan het gangpad. Niet erg. Ik heb al zo veel gezien vandaag!
Ik eet een zoet cakeje dat ik op de valreep gekocht heb en drink water. In de drukke middagspits doen we er nu bijna 2.5 uur over. Net als op de heenweg ben ik de enige blanke in de bus. Bij het uitstappen voelt een oudere vrouw die achter me zat voorzichtig en nieuwsgierig even aan mijn arm.
In het busstation komen er meteen taxichauffeurs op me af, maar ik wil lopen. Nu alle kadootjes er uit zijn, is mijn tas niet zwaar.
Ik weet de weg, maar soms twijfel ik. Hier ziet alles er iedere dag anders uit. Waar een paar dagen geleden dichte rolluiken waren met fruitstalletjes er voor, zie ik nu ineens een grote winkel met muziekinstrumenten. Als cartobeet vind ik het een hele prestatie om in deze bewegende stad mijn weg te vinden. Maar het lukt.
En als ik door de bekende straat van mijn hotel loop, voelt het zowaar een heel klein beetje als thuiskomen.

dinsdag 19 april 2011

De rivier

Het kleine huis van de Los Santos Family met de kleurige reclameteksten erop klopt met het beeld van de foto’s die Plan me jaarlijks stuurt, maar wat ik zeker niet verwacht had, was die autoweg. Regelmatig moeten we het gesprek onderbreken omdat er een vrachtauto langs ronkt of een knallend brommertje passeert.
We krijgen een dulce, een zoet hapje van kokos en suiker. Lekker.
Wil ik nog meer zien? Ja, de rivier waar Leonel altijd gaat zwemmen met zijn vrienden. Ook daar gaan we met de Plan auto heen. Een mooie plek. De rivier is ondiep, zoals de beekjes die ik ken uit Frankrijk of Zuid-Limburg, maar dan wel veel breder. Hij stroomt kabbelend over de stenen.
Kun je hier zwemmen? vraag ik. Ja, verderop is een dieper stuk.
Hier en daar staan magere paardjes aan een vastgepind, lang touw. Die kunnen hier wat gras eten.
Aan de overkant van de rivier komt een Jeep aan rijden. Tot mijn verbazing rijdt ie voorzichtig de rivier in. Hij komt naar onze kant. In het midden verdwijnt de auto tot halverwege de portieren in het water. Ik vertel de anderen dat dit bij ons echt nooit zou kunnen en vraag Martha of ze een foto wil maken. (Omdat mijn toestel het niet doet, heeft Martha beloofd foto’s te maken en die op te sturen). Martha is de hele tijd op de achtergrond aanwezig. Zij kent de mensen en de plek en weet waar we heen moeten.
Dan is het tijd om terug te gaan. Voordat we afscheid nemen, vraag ik voorzichtig aan tolk Hector of er iets op tegen is te vragen of ik het huisje van binnen mag zien. Nee hoor, dat kan best. We lopen er omheen naar een deur aan de achterkant. Het is toch groter dan ik dacht. Binnen is het eerste dat ik in de donkere ruimte zie een brommer.
De lamellen worden een beetje opengeklapt en ik zie tegen een muur een grote wandkast staan. Verder is er niet zo veel. Het lijkt op een garage bij ons, met een ruwe, stenen vloer en kale wanden. In een hoek staat op een tafeltje een enorme, zilverkleurige trofee. Bovenop een poppetje met een hockeystick. De beker is ooit gewonnen door Leonels moeder. Ongevraagd zet Martha hem voor me op de foto.
Tijd om te gaan. Ik geef iedereen een hand. Leonel, zijn oma, zijn oom, zijn zusjes.
Ik beloof weer te schrijven en ik zal foto’s sturen van onze rivier en van een Nederlandse school.
Over de hobbelige weg rijden we terug naar het kantoor van Plan.

maandag 18 april 2011

De school

De school is een eenvoudig gebouw met twee klaslokalen.
Eerst gaan we naar de kleuters. Een enthousiaste, jonge juf laat zien wat ze allemaal doen. Er zijn speelhoeken en er zijn prentenboeken, ik krijg een dun, slap exemplaar van Roodkapje in m'n handen. Het is belangrijk dat de kinderen leren spelen, het is het begin van hun scholing. Alle kleutertjes worden gemobiliseerd om met me op de foto te gaan. Ze gaan braaf bij elkaar staan, maar ze hebben natuurlijk geen idee wie die rare, blanke mevrouw is.
Als we naar het tweede lokaal lopen, dat verderop staat, hollen de kleuters mee naar buiten en verdwijnen alle kanten op. Het is elf uur. De ochtendklas is afgelopen.
De grotere kinderen zitten in net zo'n simpel, lemen gebouwtje aan tafeltjes. Er is een schoolbord dat helemaal vol geschreven is. De juf vertelt dat ze zo graag een basketbalveld willen. En hekken waarbinnen veilig gespeeld kan worden, want overal waar we komen, loopt vlakbij die drukke autoweg.
Na het bekijken van de school gaan we nog een paar huizen langs waar oudere halfbroers- en zussen van Leonel wonen. De zussen zijn verlegen, zeggen alleen zachtjes hun naam en geven een hand. De oudere broers zijn er niet. Zeker ergens aan het werk? Dan stappen we weer in de Plan- auto en rijden weg. We passeren de kleuterjuffen, die ons nazwaaien.
De juffen zijn allemaal vrijwilligers, vertelt mijn tolk. Sommigen zijn vroeger zelf sponsorkind geweest. Ook Leonel heeft een tijdje werk voor Plan gedaan: foto’s maken van kinderen om naar hun sponsors te sturen. Maar nu doet hij na schooltijd ander werk; hij verzorgt mangobomen.
Al snel zijn we terug bij het huisje.

Ontmoeting

Morgen zal ik mijn Plan sponsorkind ontmoeten. Ik slaap slecht in een warme, kale hotelkamer waar het stikt van de muggen.
Om zes uur wordt het licht buiten. Ik sta op en ga de douche proberen. Koud, dacht ik al. Maar het is niet erg, ik fris er van op. Met een broodje van gisteren en water ontbijt ik en dan ga ik voor de deur zitten lezen. Tot de Plan-taxi met Carina er is.
Vanuit het kantoor gaan we met z'n vieren op pad: Martha, die de communidad goed kent, Hector, mijn tolk, de taxichauffeur en ik. Martha is een vrolijke, stevige dame die alleen Spaans spreekt maar zeker van plan is Engels te leren. Hector is een vriendelijke, kleine, donkere man met een heel groot hoofd.
Ik ben bang dat ik op m'n kleine broodje niet ver kom en vraag of ik ergens een ontbijt kan kopen. Dat kan, ze brengen me bij de Pica Pollo, een soort hamburgertent zoals je hier op elke hoek vindt. En zo eet ik voor het eerst van mijn leven om negen uur ‘s morgens een hamburger met kip.
Het is een half uur rijden naar de communidad. Als we voor het huis aan de weg stoppen, zie ik Leonel meteen. Samen met zijn oma wacht hij op me. In de schaduw voor het huis gaan we op plastic stoeltjes zitten en we praten onwennig via tolk Hector. Soms lukt het met een paar zinnen rechtstreeks in het Spaans.
Wat wil je vragen, zegt Hector tegen mij en ook tegen Leonel. Hij wil iets weten over de geschiedenis van Nederland. Lieve help, wat vertel je dan?
Ik vertel over de zee, over koeien en kaas en onze tweede Wereldoorlog.
Leonel vertelt ernstig over de bevrijding van de Dominicaanse Republiek. En hoe belangrijk 27 februari is, de dag dat ze een onafhankelijke republiek werden.
Ik geef de kadootjes die ik heb meegenomen. De schriften hebben kleurige kinderplaatjes voorop. Ik hoop dat ze er iets aan hebben. De t- shirts zijn in elk geval groot genoeg.
Oma geeft iedereen een kokosnoot vol kokoswater/melk met een rietje. Voor haar heb ik kleine zeepjes meegenomen.
Ik vraag naar het dagelijks leven van Leonel en hij blijkt een heleboel (half)broers en zussen te hebben, waarvan er een paar hier wonen en anderen een stuk verderop. Het zijn hier allemaal grote families, vertelt Hector.
Na een tijdje weten we geen vragen meer voor elkaar. Martha en Hector gaan me de school laten zien die met Plan-geld gebouwd is en Leonel gaat mee in de taxi.

zondag 17 april 2011

Azua

Aangekomen in Azua ontmoet ik mijn Plan contactpersoon Carina.
Carina is net zo blij om mij te zien als andersom.
‘Ik was zo bang dat je zou besluiten om toch niet te komen’, zegt ze. In het kantoor van Plan International krijg ik koffie. En uitleg over het werk van de organisatie. We praten een tijdje en dan brengt ze me naar mijn hotel. Met de Plan taxi. Ze praat met een mannetje buiten en vertelt later dat ze onderhandelde. De prijs is 1150 pesos, meteen te betalen. De man schrijft een reçu voor me uit, waarop staat, dat de gast Plang betaald heeft.
Carina wijst me verderop nog het restaurant waar ik kan eten en waarschuwt om niet in het donker rond te gaan lopen. Dan is ze weg. Ik ga mijn kamer bekijken. Een lege, witte ruimte met een groot bed, een tv, een eenvoudige badkamer en een airco. Het is een losstaand huisje met aan alle kanten glasloze ramen met lamellen. Terwijl ik rondkijk, gaat er in de auto die pal naast mijn huisje staat een radio aan met keiharde, dreunende muziek.Ik ga buiten de boel verkennen.
Het is tegen vijven. Ik loop langs de autoweg in de richting van het restaurant, maar het is nog te vroeg om te gaan eten. De autoweg stinkt naar diesel en stof. Ik sla een zijweg in en klim omhoog. Het is een beetje een desolate plek.
Er zijn veel lege huizen. Voortdurend komen er jongens, en soms meisjes, op brommertjes langs. Ze zitten er met twee, drie, en zelfs een keer vier tegelijk op.
Iedereen kijkt naar me. Soms groet iemand en groet ik terug.
Een kleine jongen loopt achter me aan en dan naast me. Na een tijdje durft hij me iets te vragen maar ik versta hem niet. Ik zeg dat ik niet zo veel Spaans spreek. "Saluda camarada", zegt hij dan en duwt een enorm hek open waar hij door verdwijnt.
Weer bij de autoweg. Mannen op scootertjes gebaren of ik mee wil rijden. Vrachtwagens volgestapeld met juten zakken razen voorbij. Om zes uur ga ik naar het restaurant. Twee vrouwen zitten op schommelstoelen in de schaduw. De oudste komt naar me toe. Eten? Ze somt het menu op en dan nog eens langzamer. Ik kies rijst met kip. Terwijl ik wacht, komen ze met z’n tweeën bij me aan tafel zitten.
Het wordt een moeizaam gesprek, want behalve dat mijn Spaans op beginnersniveau is, spreken ze hier een soort dialect. Maar de vrouwen kennen Plan en snappen dat ik voor mijn sponsorkind kom- Dan willen ze graag dat ik hun souvenirwinkeltje bekijk. Ik koop een flesje rum. Of ik het meteen op wil drinken of meenemen, vragen ze. Nou nee, meenemen maar.
Het eten ziet er mooi uit en is wel lekker. Rijst, bonensaus en stukjes gebakken kip. En een salade met heel veel citroen.
Terug bij het hotel.
Er zitten twee mannen op plastic stoeltjes een paar meter van mijn deur. Ik vraag of ze nog een stoel hebben (in de kamer is er geen) en een van hen staat op en geeft me de zijne. Okee.
Ik zit voor mijn deur en schrijf.
Er rijden auto’s de binnenplaats op die kriskras geparkeerd worden. Ergens staat muziek aan. Verderop lopen mensen rond te praten. En twintig meter verderop is de autoweg. Om 8 u. is het te donker om verder te schrijven. Ik ga naar binnen. Daar stikt het van de muggen. Ik hul me in het laken en ga lezen. En dan vroeg slapen. Morgenochtend om 8 uur komt Carina me ophalen.
Slapen?
Ik lig.
Om me heen geluiden, gepraat, muziek, af en toe een gillend auto-alarm en regelmatig geronk van auto’s die de binnenplaats op en af rijden. Het is klam in de kamer en heet. Maar als ik de airco een graad lager zet, voel ik een koude luchtstroom door het dunne laken. Ik leg me er bij neer dat ik wakker lig en probeer toch zo goed mogelijk uit te rusten. Af en toe slaap ik even. Zo wordt het donderdag.

Bus

Het busstation is groot en druk. Aan loket 10 kan ik een kaartje naar Azua kopen. Het is kwart over 1. Mijn bus moet volgens de dienstregeling tussen kwart voor en twee uur vertrekken. Maar waar komt ie? Ik bestudeer mijn ticket en vraag aan m'n buurman of er een haltenummer op staat. Nee, het staat er niet op. Ik begrijp dat het omgeroepen wordt. Oei, als ik dat maar snap; tot nu toe versta ik weinig van het getoeter door de luidsprekers.
Om half twee denk ik Azua te horen omroepen. Ik loop met de meute mee naar een bus en jawel, het is de goede. Aan de zijkant staan kleppen open van de bagageruimte waar allerlei bagage wordt ingeladen. Ik heb alleen een schoudertas en die neem ik mee de bus in.
Binnen is het donker. Voor alle ramen zijn donkerblauwe gordijnen zorgvuldig dicht getrokken. Ik snap waarom: als de zon twee uur lang op de ramen knalt, kan daar geen airco tegenop.
Maar het is bewolkt, ik doe m'n gordijntje toch open en kijk. De hele weg.
Eerst de drukte van de stad; Ik zie kleine, krottige huisjes tegen de heuvel leunen in de buitenwijk. Dan het droge land. Het mooie eiland van de reisgidsen is niet hier. Overal in de berm ligt rommel. Een stuk niks en dan een dorpje. Piepkleine bouwvallen staan naast protserige paleisjes. Veel huizen zijn bont gekleurd. Overal langs de weg staan verkopers, negen van de tien keer verkopen ze bananen. Er zijn open cafe's vol mensen, er zitten eenzame zwervers langs gaashekken, er zijn talloze kleine winkeltjes met flesjes 'echte cola' en water. Zelfs in de bus ruikt het naar stof.
Al om half vier stopt de bus in Azua. Ik hoor het de chauffeur duidelijk zeggen, maar stap weifelend uit. Is dit busstation Azua?
Ik sta voor een klein winkeltje. Verder zie ik huizen. Bewoonde, lege, half ingestorte en half af gebouwde. In het winkeltje vraag ik waar ik kan bellen. Ik laat het briefje zien met naam en nummer van mijn Plan-contactpersoon.
‘Carina P.!’ Roept hij, ‘es mi amiga’. Hij belt voor me en zet een stoel neer waarop ik kan wachten en hij wijst van welke kant ze zal komen. ‘Five minutes’.
En inderdaad, vijf minuten later parkeert aan de overkant een auto: de taxi van Plan International. Ik herken het logo. Ik bedank de winkelier, steek over en daar maak ik kennis met Carina.

zaterdag 16 april 2011

El mar

Ik loop de straat van mijn hotel uit, regelrecht naar de zee.
Het is bewolkt en na honderd stappen begint het zowaar zachtjes te regenen. Ik wacht even onder een grote boom tot het stopt. Dan loop ik door tot de grote, drukke verkeersweg waarachter de rotskust en de zee zijn. Om over te steken sluit ik me aan bij een paar jongens, die me meteen in het Engels beginnen te vertellen hoe dat oversteken hier moet. Vol bravoure houdt er een nadrukkelijk een auto tegen: zo doe je dat.
Mooi, ik ben aan de overkant. Ik volg de weg een stuk en dan kan ik dichter naar het water. Er staat een stevige wind en de golven slaan tegen de rotsblokken. Het is heerlijk om zo langs de zee te lopen. De kust kronkelt van en naar de weg en aan de overkant daarvan staan grote gebouwen: hotels, kantoren, een casino...
Op sommige plekken komt bij elke golfslag een fontein omhoog. De lucht is zout. Ik loop langzaam, het duurt nog een paar uur voordat ik voor twee dagen naar Azua vertrek en mijn tas ligt al ingepakt klaar.
Ik word ingehaald door een zingende, zwarte jongeman. Hij groet en begint een praatje. Over de geschiedenis van het eiland. De onafhankelijkheidsdag op 27 februari en hoe belangrijk die is. Of ik het eiland mooi vind, wanneer ik gekomen ben en hoe lang ik blijf… Dan begint het te regenen, en niet zo zachtjes. We rennen naar de overkant van de weg ( kijk, zo moet het) om onder een afdak te schuilen.
De man vertelt dat hij radioverslaggever is van sportwedstrijden. Hij laat me zijn ID zien. Een geplastificeerd kaartje met pasfoto en gegevens. Zo een dragen heel veel mensen hier bij zich, vaak aan een koord om hun nek. Leuk beroep, en hij is er duidelijk trots op.
Als de regen is opgehouden lopen we samen terug. Als ik me begin af te vragen of en wanneer hij om geld zal vragen, staat hij stil. Hij moet hier linksaf. 'encantado' hij geeft me een hand en loopt weg. Ik was voor niets zo achterdochtig, hij wilde gewoon een praatje.
Ik kom lekker uigewaaid in het hotel terug, waar ik nog even een paar e-mails de wereld in stuur. Nu neem ik tot morgenavond afscheid van m'n i-pad. Ik ga op weg naar Azua, 100 kilometer westelijker dan Santo Domingo. Morgen zal ik mijn sponsorkind ontmoeten.

vrijdag 15 april 2011

Wandeling naar het busstation

Het is ruim drie kilometer lopen naar het busstation van Caribe Tours. Ik wil er heen om
-te verkennen
-een dienstregeling te halen
-een bestemming te hebben bij het lopen door de stad.
Ik loop door smalle straatjes met hoge stoepen waar ik vaak even af moet omdat er iets in de weg staat.
Rommel, vuilnis, karretjes met bananen, mango,'s ananas en kokosnoten. Fruit verkopen ze hier overal. Ik zie meisjes met grote, ronde kommen vol bananen op hun hoofd, die ze op de grond zetten als iemand iets wil kopen. Op veel plaatsen ruikt het naar sinaasappels. De verkopers schillen de oranje buitenschil er af, maar laten het wit er om. Zo door midden gesneden worden ze gekocht en leeg gesabbeld.
Ik kom langs een mooi, rond park met aan een kant een stuk ruïne. In een halve cirkel rondom ligt een paar meter diep een stenen bak, misschien een soort gracht? Onder wijd vertakte loofbomen staan banken voor iedereen die even in de schaduw wil zitten. Ik doe het eventjes, maar loop dan weer verder.
Een paar keer moet ik de weg vragen omdat ze hier niet royaal zijn met straatnaambordjes. Het is warm en ik probeer zo veel mogelijk in de schaduw te blijven. Regelmatig zie ik mensen onder een paraplu lopen. De Avenida de 27 febrero, waar het busstation ligt, is een stinkende, drukke autoweg in twee etages. Voordeel is dat beneden de schaduw van de bovenweg valt. Ik zoek zoveel mogelijk parallelweggetjes, maar het geraas en getoeter is overal te horen.
Dan: het busstation. Het is er groot en koel. Ze hebben een dienstregeling en toiletten. Ook handig. Ik ga even in de wachtruimte zitten om af te koelen. “Taxi?” hoor ik van verschillende kanten, maar ik hoef geen taxi. Ik koop een flesje koud water en loop weer terug.
Als ik weer langs het park kom, zijn daar drie mannen met muziekpapier in de weer. Ze halen instrumenten te voorschijn: een trompet, een altsax en een hobo, en ze gaan oefenen. Een vrij ingewikkeld muziekstuk, dat af en toe flink ontspoort. Dan stoppen ze, wijzen elkaar dingen aan, discussiëren over een maat of noot, tellen af en doen het stuk over. Ik zit een bank verderop, luister en schrijf. Na een half uurtje doen de drie hun muziekinstrumenten weer in de koffers en verlaten druk pratend het park. Ik ga de andere kant op.
Een stuk dichter bij mijn hotel zie ik ineens een horde scholieren naar buiten komen in blauw met grijze schooluniformen. Ik bedenkt hoe ik ze kan vragen waar ik pennen en schriften kan kopen (om mee te nemen naar Azua), maar voordat ik iemand iets gevraagd heb, kom ik langs een piepklein, donker winkeltje waar ‘agendas’ op een aanplakpapier staat. Er gaan scholieren naar binnen en het lijkt alsof daar schoolspullen verkocht worden.
Ik ga het winkeltje in en haal het schrift uit mijn tas waar ik de hele dag in schrijf. Ik wijs er op en vraag of hij zoiets verkoopt. Ja, er zijn schriften en ze kosten 12 pesos. Ik wil er twintig. En ook twintig pennen. Ze worden netjes geteld en de winkelier schrijft plechtig een bon voor me uit. ‘Comercial Bruno’, staat er op, ‘Soluciones de Oficinas’. Een heuse kantoorboekhandel!
Tevreden loop ik met mijn aankopen naar het hotel terug.

Barnsteen en larimar.

Ik wandel naar de Puerto Flotante. Deze brug doet z'n naam eer aan; hij zweeft hoog boven de straatjes er omheen. Het is even zoeken waar ik er op kan. Langs een uitgesleten paadje naast een asfaltweg. Een louche plek. Er lijken hier een paar daklozen te wonen. Twee mannen slepen met een lichaam. Slapend? Dood? Ik loop over de brug. Het uitzicht wordt belemmerd door grof gaas. Het frisse briesje laat zich daardoor gelukkig niet tegenhouden. De brug is lang en ik loop er langzaam over naar de andere kant van de rivier. Daar kijk ik vanuit de hoogte neer op een schuine oever, bezaaid met afval. Vlakbij staan krotten van huisjes. Een jonge vrouw die een paar tanden mist, roept iets naar me. Ik versta haar niet, maar begrijp dat ze me waarschuwt. De wijk waar ik heen loop is niet veilig. Ik besluit terug te lopen. Een tijdje later, terug in het toeristische centrum, word ik in het Engels aangesproken. Een man wil me geheel belangeloos (zegt hij) iets van de cultuur van zijn stad laten zien. Al vertellend over Columbus en de zijnen, loodst hij me mee naar een souvenirwinkel en daar doorheen naar een werkplaats. Daar laat hij me ruwe brokken barnsteen zien en het halfedelgesteente larimar. Het is natuurlijk de bedoeling dat ik in de winkel sieraden koop van deze steensoorten. Er is niets bij dat ik echt wil hebben en ik verlaat de winkel. Weer wat geleerd over de geschiedenis en cultuur van deze stad.

Op reis


Op twee april ben ik 's morgens in alle vroegte op vliegveld John F. Kennedy in New York.
Ik sta een beetje beverig op m'n benen. Zes uur teruggevlogen in de tijd en na die verlengde dag maar een paar rommelige uurtjes slaap, op een bank in een openbare ruimte...
Ik moest om vier uur (vanmorgen) inchecken op terminal 3 voor de vlucht naar Santo Domingo. Bij aankomst gisteravond had ik die terminal al verkend. Een kale, naargeestige ruimte met een rij ongemakkelijke stoeltjes. Ik vluchtte voor de nacht naar een luxere ruimte met restaurantjes en banken en wist daar een van te veroveren.
Nu ben ik weer op terminal 3. Na het afleveren van mijn koffer kan ik vanuit die enge hal door naar een andere hal. Weer wachten.
Een oude dame loopt moeizaam naar een stoeltje naast me en gaat zitten. Een man zet een aantal koffers om haar heen en verdwijnt. Meteen komt iemand in uniform naar de dame om naar haar papieren te vragen. Er is iets ingewikkelds met haar paspoort. Hij neemt het mee, komt even later terug met meer papieren en zegt dat ze naar gate 7 moet. Hij probeert haar nog iets uit te leggen, maar haar Engels is niet zo goed. Het uniform verdwijnt en ik vraag de dame of ze ook naar de Dominicaanse Republiek gaat.
Jawel.
En dan voer ik met haar mijn allereerste Spaanse gesprek:
Santo Domingo is een mooie stad.
De Dominicaanse Republiek is zonnig en warm, je wordt er bruin.
En ze heeft een nicht in Holland (of was het een neef).
Holland is mooi, maar nat.
Dan komt er weer iemand in uniform. Hij neemt de dame mee in een rolstoel. Daag.
Een half uur later kan ik door de douane. Elektronische apparatuur in een mandje, tas door de scanner, schoenen uit en: deze had ik nog niet gehad. Met een vochtig, rond koffiefiltertje worden mijn beide handpalmen afgeveegd en het papiertje gaat daarna in een scanmachientje.
"waar controleer je me nu op?" vraag ik nieuwsgierig, "Op drugs?" hm, something like that, zegt de douaneman ontwijkend. Ik heb blijkbaar geen drugs aan m'n handen want ik mag verder.
Bij gate 7 word ik begroet door de Dominicaanse dame van daarnet. "kom hier zitten" gebaart ze. En dat doe ik. Daar zitten we nu te wachten op vlucht DL493. Nog vijf uurtjes, dan ben ik in de Dominicaanse Republiek.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...