vrijdag 28 maart 2014

Onverwacht uitje

“Heb je zo ook zin om iets te eten?” Mijn zoon is al op donderdagavond thuisgekomen omdat hij tentamenweek heeft. Hij is in de weekenden nog steeds liever thuis dan op zijn studentenkamer in Leiden. Niet zo zeer uit liefde voor zijn ouders, maar vooral omdat hij graag met z’n vrienden uit deze omgeving optrekt. Maar samen lunchen vindt ie wel gezellig. En ik ook.
We hebben eigenlijk wel zin in een kop soep, maar de voorraadkast heeft niets te bieden. In de broodtrommel zit nog een restje brood van een soort waar hij niet zo dol op is.
“We kunnen ook in het dorp een broodje gaan eten”, zeg ik en dat vindt hij een goed idee.
Op de fiets gaan we naar het winkelcentrum. J. weet toevallig dat de ijssalon sinds kort ook een lunchmenu heeft. We lopen er binnen en bekijken staand de kaart.

Focaccia met brie,
Italiaanse bol met oude kaas, tomaat en rucola,
Bruscetta met mozarella en geroosterde tomaat…

Mijn zoon wordt niet blij van deze lunchkaart; hij houdt niet van kaas. We verontschuldigen ons en lopen weer naar buiten.
“Zullen we dan naar Bakker Bart of naar dat Franse ding tegenover de Blokker?” vraag ik. Hij haalt een dobbelsteen uit zijn zak.
“Even is Bakker Bart”, zegt hij en laat de steen rollen. Ik kijk. Het is een dobbelsteen met Japanse tekens. Tja, je bent student Japans of je bent het niet.
“Het is een vijf”, verklaart hij en we lopen met de fietsen aan de hand richting Blokker. J. grinnikt: “Eigenlijk kon ik natuurlijk gewoon kiezen, want je kunt toch niet controleren of het echt een vijf was.” Natuurlijk heb ik het volste vertrouwen in zijn eerlijkheid. Bovendien was het niet mijn idee om te dobbelen. Hij had van mij best mogen kiezen. Toch lacht ie triomfantelijk als ik symbolisch protesteer.
  

We vinden een plekje in de zon en uit de wind en als we daar zo achter onze koffie en broodjes zitten, maak ik een zomerse foto die ik pesterig naar mijn hard werkende echtgenoot stuur. Ik geniet van mijn lunch, de zon en van ons gesprek, dat nergens op slaat. J. spreekt Japans, wat ik niet versta, dus antwoord ik in het Spaans. Een grappig alternatief voor iemand die niet zo’n talent heeft voor koetjes en kalfjes. Het eindigt met een overdenking over talen en hun eigenschappen en dan vragen we om de rekening.

Langzaam fietsen we in het zonnetje weer naar huis. Gezellig, zo’n onverwacht uitje met z’n tweeën. Moeten we vaker doen.

zaterdag 22 maart 2014

Vergadering met honden


Ik heb met mijn twee collega-redacteuren afgesproken op station Utrecht. A. komt het eerst aan, op spoor 19 en ik ben op tijd om haar daar op te pikken. Samen lopen we naar de andere kant van het station, waar we een strategische plek kiezen om op E. te wachten. Ik zie een bankje met twee lege zitplaatsen waar we gaan zitten. De geleidehond van A. zoekt een plekje tussen haar voeten en die van de mevrouw die al op het bankje zat. Die zegt niets, maar stapt even later op. Misschien houdt ze niet van honden.
Ik let op of ik E. aan zie komen, maar voordat ik haar ontdekt heb, begint er iemand te kwispelen en aan z'n riem te trekken. Dwars door de langslopende mensenstroom trekt A's hond haar met een vaartje naar z'n collega geleidehond aan de overkant. E. Is aangekomen.
 
Voordat we een plek zoeken waar we met een kop koffie kunnen praten, wil A. graag de hond even laten plassen. Zou er ergens een strookje gras in de buurt zijn?
We vragen het aan de man achter de inlichtingenbalie. Het is een vraag die niet in z'n repertoire zit en hij moet een tijd nadenken. "Of een goot of zoiets", zegt A. en grinnikt er meteen achteraan "ik begin al af te dingen". De man weet het niet, dus nemen we de dichtstbijzijnde trap naar buiten om op verkenning te gaan.

Geen gras te bekennen. Wel een strook zand, maar daar staan wegwerkers op te werken. We lopen een louche tunneltje door, waar je een pieslucht en vieze hoekjes verwacht, maar nergens is een plek waar je een hond fatsoenlijk kunt laten plassen. We gaan maar weer het station in, langs de inlichtingenman die belangstellend vraagt of het gelukt is. Niet dus. Ik vraag hem welke uitgang we moeten hebben voor het Plaza hotel, want dat zou een goede plek zijn om rustig te vergaderen. Het is helemaal aan de andere kant van het station. En daar, bedenkt hij, zouden we wel eens meer kans op een strook gras kunnen maken.
Het klopt. Door de regen loop ik voorop richting gras. Af en toe roep ik achterom:"hier oversteken", of "naar links". De honden geven keurig alle stoepjes aan en als we bij het drassige stukje gras zijn, wordt er na enige aarzeling dan toch een forse plas gedaan. "Hèhè!" Nu kunnen we dan op weg naar de koffie.

Hotel Plaza is warm, droog en gastvrij. De obers schuiven voor ons twee van de kleine tafeltjes aan elkaar en brengen ons koffie en water voor de honden. Een tijd later waarschuwen ze ons dat er straks een groot gezelschap komt. We kunnen onze lunch beter nú bestellen. Inderdaad stroomt de lobby vol mannen in pakken. Hun geroezemoes is oorverdovend. Gelukkig zijn we klaar met vergaderen.
Onzeker tuurt E. naar de donkere menigte. "Ik moet eigenlijk nog even naar het toilet. Kan ik daar nog wel door?" Ik stel haar gerust. "Ze stáán allemaal. Die gaan wel voor ons opzij." We betalen de rekening en dan loop ik weer voorop, onverschrokken de zee van nette pakken in. "Pardon, mogen we erdoor?" Honden en baasjes volgen en even later sta ik voor de wc deur met twee aangelijnde geleidehonden, die bij elk geluid achter die deur hun oren spitsen. Ze trekken hun riemen in de war van enthousiasme als E. en A. weer naar buiten komen. Het regent niet meer als we terug naar het station lopen. E. gaat naar haar perron en ik help A. om haar bus te vinden. Als ze ingestapt is, zoek ik mijn trein op.
Thuis zie ik dat A. een berichtje op Facebook heeft geplaatst. "Vergaderd met lunch in Utrecht Nu met de achtbaan naar huis... of is dit gewoon een buschauffeur die bijna weekend heeft?" 


vrijdag 14 maart 2014

Begrafenis in Ransdorp

Het is fijn dat m’n broer en schoonzus me komen ophalen bij het station. Mijn trein is op tijd en zij ook; het is pas half 10 als we bij de kerk van Ransdorp aankomen. We blijven een tijd in de auto zitten, want het is koud buiten.

Tegen kwart over tien stappen we uit en lopen om de kerk heen. Voor de ingang staan kleine groepjes mensen en verderop in het straatje zien we juist de auto met de kist aankomen. Letterlijk stapvoets, want voor de wagen uit loopt de naaste familie van de overledene.
Als we de kleine kerk binnengaan, is er nog net een bankje voor ons vrij. Voor nog volgende binnenkomers worden klapstoeltjes aangedragen die er vrij gammel uitzien. Ze moeten even later weer opzij als de kist binnengedragen wordt met m’n oude ome Jaap, omringd door zijn kleinzoons. We staan voor hem op.
Voor in de kerk staat een kleine vrouw te wachten tot iedereen op z’n plaats zit. “Een vrouwelijke dominee…” zegt mijn schoonzus fluisterend, “of is ze van de uitvaartdienst?”
De jonge vrouw is inderdaad de dominee. Dat is overduidelijk zodra ze haar mond open doet. Met een zalvende stem die me aan lang geleden doet denken, heet ze ons welkom. “De kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, de verdere familie, de dorpsgenoten.” Ze spreekt over de overledene met alleen zijn achternaam, wat vreemd afstandelijk klinkt. Dan wordt er gezongen. Liederen uit de bundel “Johannes de Heer”, die mijn oom zelf heeft uitgekozen.
Dat vertelt mijn neef, zijn oudste zoon, als die even later het woord krijgt. Hij vertelt ook dat zijn vader bij de begrafenis geen preek met mooie verhalen over hemzelf wilde. Nee, het moest gaan over Jezus. Van die taak kwijt de vrouwelijke dominee zich op gedragen toon.
Mijn gedachten dwalen terug naar afgelopen herfst, toen ome Jaap zijn 90e verjaardag vierde. Oud en broos zat hij toen te genieten. Iedereen die hem kwam feliciteren keek hij aandachtig aan om zeker te weten wie hij voor zich had. Achteraf gezien was het een afscheid van iedereen. Nu komen we hem de laatste eer bewijzen.
Als de preek is afgelopen, zucht mijn schoonzus naast me opgelucht. “Dit is de meest christelijke begrafenis die ik ooit heb meegemaakt”, fluistert ze. Ze komt zelf niet uit een gelovig nest en ik probeer me voor te stellen hoe je dán tegen zo’n kerkdienst aankijkt
Op het kleine kerkhof naast de kerk wordt ome Jaap na de dienst begraven en dan is er koffie en kunnen we onze neven en nichten condoleren.
Gehuild wordt er niet. Er heerst de typische, weemoedige sfeer die hoort bij een begrafenis van iemand die klaar was met z’n leven. Het is een goede gelegenheid om familie te ontmoeten die je verder niet zo vaak ziet.

Na genoeg condoleances, gesprekken en broodjes brengt mijn broer me weer naar de veerpont achter het Centraal Station van Amsterdam. Intussen is het mooi weer geworden. Met mijn gezicht naar de zon op de pont voelt het bijna als een lekker dagje uit.

vrijdag 7 maart 2014

Stedentrip naar Leiden


Twee dagen Leiden. 
Onze eerste stedentrip sinds mijn nieuwe heup.
We moeten een beetje zuinig zijn met onze loopkilometers, want die zijn beperkt. De mijne tenminste, dus H. zet me om te beginnen af bij de Pelikaanhof, het studentencomplex. Mijn zoon is blij met z’n basgitaar die we hem komen brengen. Hij begint er meteen op te spelen en vergeet me koffie aan te bieden. Geeft niet, we zijn tóch van plan om straks ergens koffie te gaan drinken.
Als H. de auto geparkeerd heeft, komt hij me halen en lopen we door een winkelstraat naar hotel Rembrandt, waar we ons koffertje alvast neerzetten. Het hotel is midden in het centrum, op de Nieuwe Beestenmarkt. Dichtbij molen De Valk, die ik eigenlijk wel wil bezoeken. Maar vandaag gaan we naar het Oudheidkundig Museum. Er is een tentoonstelling over Petra, een oude woestijnstad in Jordanië.
Vanaf het hotel lopen we eerst naar Grand Café Van Buuren. Een ruim café waar ze lekkere koffie hebben en fijne zitbanken. We zijn er eerder geweest. “Ik herinner me niet dat er vorige keer ook zo veel leuke jongens in de bediening liepen”, zeg ik tegen H. en hij merkt op dat ze allemaal een baardje hebben. Zo’n modieuze “week-niet-geschoren” baard. “Staat ze goed”, vind ik en dan komt één van de mannen onze koffie brengen.
H. zegt iets positiefs over het interieur en de jongen heeft wel zin in een praatje. Hij vertelt dat ze meer panden hebben, nog één in Leiden en twee in Den Haag. Hij werkt alleen in dit café; maar niet full time, want hij heeft ook nog een ander baantje. En hij doet cursussen om sportinstructeur te worden. Dat wil hij echt graag. Dan moet hij verder om andere gasten van koffie te voorzien. Ik kijk hem na. Sportinstructeur… z’n uiterlijk en z’n enthousiasme heeft ie alvast mee.
Na de koffie lopen we naar het Oudheidkundig Museum en daar bekijken we Petra. Een mooie tentoonstelling over een boeiende stad uit de oudheid. Maar na drie verdiepingen slenteren en alle trappen daartussen, ben ik blij als ik weer even kan zitten. Gewoon in de hal op een richel, tussen allemaal oudere dames van een reisgezelschap, terwijl H. de museumwinkel bekijkt.
Een half uur later kan ik wel weer verder. We lopen richting hotel en komen wel drie boekwinkels tegen. Een filiaal van Polare dat tot onze verbazing open is, iets verderop tot onze nog grotere verbazing een aparte winkel van De Slegte, en dan nog een losse boekwinkel, waar we naar binnen gaan en allebei een boek kopen. Voor straks in het hotel. Want als we daar aangekomen zijn, heb ik voorlopig echt even genoeg gewandeld.

Het valt helemaal niet tegen wat er al kan. Een tentoonstelling bezoeken en dan nog tot half vier door de stad sjouwen. Vanavond uit eten met onze zoon en verder gewoon lekker lezen op onze ruime hotelkamer. Voorlopig zijn we hier best tevreden mee!  

zondag 2 maart 2014

Weekje vakantie

We hebben allebei een weekje vrij en in die week willen we van alles.
Om te beginnen moeten er een fiets en een basgitaar naar zoonlief in Leiden en daar knopen we dan een extra dagje Leiden aan vast, want daar is wel het een en ander te doen. Er zijn veel musea om te bezoeken, een botanische tuin (waar we we kort geleden nog zijn geweest), maar er zijn ook twee werkende molens waar je kunt kijken en er is een boekenzolder ‘tegen de boekenloosheid’. Je kunt in Leiden een muurgedichtenwandeling maken, een oude wagenmakerij bezoeken en er zijn regelmatig jamsessies in café “De Twee Spieghels”.

Wat we van al die dingen gaan doen, weten we nog niet, maar we hebben al wel een hotelletje geboekt, want we kunnen het J. niet aandoen om onderdak te vragen in zijn bescheiden studentenkamer.
Een dagje Amsterdam overwegen we ook, want daar woont de vriend die de bekleding van onze oude, afgedankte stoelen een nieuw leven moet gaan geven in de vorm van een paar nieuwe krukken. We aarzelen nog om een afspraak met hem te maken, want er moet ook het één en ander in en om ons eigen huis gebeuren.

De muur van de wc gaat een ander kleurtje krijgen. Vanmorgen hebben we bij de Gamma verf uitgezocht en gekocht. En de tuin staat in dit vroege voorjaar te roepen om een heleboel activiteit.
Toen we van de Gamma terugkwamen deden we even een rondje tuin. Tussen de dode staken van veel planten komt het groen al onstuitbaar de grond uit. Struiken hebben dikke knoppen en planten die normaal in de winter afsterven, hebben die nu triomfantelijk overleefd. Op kale stengels komen groene nieuwe blaadjes. Maar wacht even, die kale stengels moeten eigenlijk afgeknipt, anders wordt het zo’n uit z’n krachten gegroeid zooitje. Kortom, veel te doen in onze tuin.

Als we na ons rondje een kop koffie hebben gedronken, neemt H. een snoeischaar en gaat aan de slag. Ik sta erbij te kijken en constateer dat er niet zo veel is dat ik in dit stadium kan doen. Ik mag dan met m’n nieuwe heup alweer een aardig eindje kunnen wandelen en een nog groter eind fietsen; het bukken is nog steeds een uitdaging. En bij deze klus moet er veel gebukt worden.
Jammer dan, maar ik besluit niet bij de pakken neer te gaan zitten. Binnen hebben we nog een grote, houten kast die uitpuilt van oude, je-weet-nooit-wat-je-hier-nog-mee-kunt spullen. Die moet nodig eens uitgemest worden. En voor de meeste planken hoef ik niet door de knieën.

We gaan ons echt niet vervelen in deze vakantieweek. Geen van beiden.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...