maandag 27 april 2020

Woningsdag met kabouters

Woningsdag. Geen vrijmarkt, maar met z’n allen vanaf je balkon het Wilhelmus zingen, online kleedjesverkoop (eh, dat heet toch gewoon Marktplaats?) en om vier uur een nationale toost. Tja, je moet toch wat, maar het lijkt me een recept voor een supersaaie, een beetje treurige Koningsdag. Ik probeer te bedenken hoe je dat een beetje gezelliger kunt maken. In elk geval kleinschaliger dan ‘met heel Nederland’, want daar kan ik me gewoon te weinig bij voorstellen.

Ik verzin een éénpersoons-optocht. Vrolijk verkleed op een fiets vol vlaggetjes een rondje door de wijk. H. moet hard lachen als ik zo hardop zit te brainstormen. Als ik maar niet denk dat hij meedoet. Dat denk ik helemaal niet, ik zit me alleen af te vragen of ik zélf wel mee wil doen. Of het eigenlijk leuk is en of ik het dúrf. Maar ik ben al begonnen met het maken van een grote, opvallende hoed.

Terwijl ik daarmee bezig ben, krijg ik ineens een inval: een tuinkabouterwedstrijd voor onze straat. Dát moet het worden. En de eenpersoons-optocht is dan de jury.
Kijk, dat is een plan waarmee je aan de slag kunt: voor iedereen die meedoet een grappig, klein kadootje en als hoofdprijs een taart. En wat als er niemand meedoet? Dan eten we de taart zelf op en die kleine kadootjes raak ik wel ergens kwijt. Ik maak een A-4 met een aankondiging, die ik overal in de brievenbus stop en bovendien zondagavond nog in de buurtpreventie-app rondstuur…

Maandagmorgen vroeg koop ik in het dorp een bescheiden, roze frambozentaart met slagroom. Ik kleed me in rood-wit-blauw, versier de nieuwe, rode fiets van H. waar zo’n handig kratje voorop zit. Daar stop ik 22 kleine kadootjes in en voor de zekerheid nog tien twixen. Tot mijn verbazing trekt H. het stokoude Paus-kostuum aan dat al tig jaar achterin een kast ligt. Hij gaat ermee in de tuin staan.
Daar ga ik, met een toetertje en een belachelijke hoed op naar de hoek van de straat. Daar keer ik om en begin: “Toeoeoet … Tuinkabouterjury!!”

En kijk, daar staan ineens m’n serieuze schuin-over buurvrouw en haar dochter in kabouter-pose samen onder een paraplu in de voortuin. Een paar huizen verderop zit een kabouterfamilie een kabouter-ontbijtje te doen. Nog wat verder twee schattige kindjes met rode puntmutsjes bij een kabouter-speelhuisje. Een kabouter-gezin met een strijkplank op het parkeerplaatsje. Een ouder kabouter-echtpaar dat een lied zingt, een zonnende strand-kabouter, een kabouter-jongere in een kruiwagen. Ieder gezelschap mag een kadootje uit de krat pakken en gaat op de foto. Inclusief twee schilders in witte overalls op een ladder. De straat ziet er feestelijk uit met al die grappige tuin-tafereeltjes.

Al toeterend fiets ik van het eind van de straat terug naar huis. Daar bekijk ik alle foto’s, terwijl H. de taart voor me uit de koelkast haalt: “Meteen uitreiken! Zegt hij. Nu is iedereen nog buiten!” Dus daar ga ik weer: “Toeoeoet, Prijsuitreiking!!”
De schattige kindjes krijgen de troostprijs en het zingende echtpaar de taart. Meteen word er een groot mes gehaald om de taart in piepkleine kabouterpuntjes te snijden. Een buurvrouw komt met een kan koffie en kabouterbekertjes. En terwijl we keurig de anderhalve meter afstand in acht nemen, ontstaat er een gezellig feestje op straat.

zondag 26 april 2020

Fineliners en kleurpotloden

Wij zijn helemaal geen woeste feestvierders. Veel avonden zitten we gewoon lekker thuis op de bank. Krantje lezen, film kijken, een blogpost schrijven, een boek lezen…
Maar soms is het zo leuk om een avondje naar de bios te gaan, of met vrienden samen te eten of een weekendje rondwandelen in een andere stad… Kan allemaal effe niet.
We hebben geduld, we hebben Netflix, we hebben een boekenkast vol boeken en ook een boekje, een paar fineliners en een grote doos kleurpotloden.










zaterdag 18 april 2020

Boodschappen

In normale tijden deden H. en ik vaak samen op zaterdag boodschappen. Eerst een lijstje maken, dan naar Albert Heijn, de groentewinkel en de Lidl. H. kan echt genieten van boodschappen doen. Hij kuiert op z’n gemak door álle gangen van de winkels en koopt vaak meer dan we nodig hebben. Ik wil zo weinig mogelijk voedsel weggooien en probeer het dus altijd binnen de perken te houden.
“Oké, asperges, maar wanneer gaan we die dan eten?”
“Nou, vanavond.”
“Maar vanavond zouden we die bieten eten die nodig op moeten.”
“Ah joh, we zien wel.”
En dan gaan de asperges tóch mee, omdat ze goedkoop zijn. Maar soms krijg ik gelijk. Of we veranderen gewoon het plan.

Nu is alles anders. Boodschappen doe je niet meer samen, maar alleen. De afgelopen weken deed H. de grote boodschappen en ben ik alleen in winkels geweest voor kleine tussendoor dingetjes. Vandaag stelt H. voor om samen boodschappen te gaan doen. “Nee joh,” zeg ik automatisch, maar hij zegt dat we toch ook gewoon samen naar het dorp kunnen fietsen en dan ieder naar een andere winkel gaan. Dat doen we.
Ik doe een rondje groentewinkel. Het is er rustig en overzichtelijk, met duidelijke spelregels en weinig klanten. Dan moet ik naar het Kruidvat. Daar is, net als overal, het mandje verplicht, staan op de grond pijlen en lijnen, en zijn de schappen zorgvuldig zó neergezet dat je maar langs één pad de winkel door kunt. Ik loop tot halverwege de winkel. Daar staat een ouder echtpaar eindeloos te twijfelen over een product en ik móet ze wel passeren in het 1 meter brede gangetje. Na een tijdje wachten, glip ik snel langs het stel, m’n rug naar ze toegekeerd. Bij de kassa zijn twee rijen naast elkaar, met anderhalve meter strepen ervoor op de grond, maar tussen de rijen maar een halve. Ik ben blij als ik de winkel weer uit ben.

Ik ga kijken of de fiets van H. er nog staat, maar op het pleintje voor de Appie is het druk. Mensen houden elkaar in de gaten en slalommen zorgvuldig om elkaar heen. Sommigen hebben een ander anderhalve meter gevoel dan ik en komen dichter bij dan me lief is. En ineens overvalt me een gevoel van treurigheid. Al die mensen die elkaar zien als een mogelijke bron van gevaar! Dat is toch niet zoals het hoort te zijn. Dat is toch niet normaal. Ik duw mijn fiets van het pleintje, stap op en rij het centrum uit. Daar haal ik diep adem en fiets dan met een omweg naar huis. Hoe lang gaat dit nog duren?

maandag 13 april 2020

Paasweekend

Daar gaan ze met z’n tweeën in het kleine, witte autootje van E.
Onze kinderen waren allebei hier, het paasweekend. J. was er al een paar weken, omdat zijn kamer in Leiden te klein is voor deze langdurige coronaperiode van binnenblijven. E. kwam na wat aarzelen toch ook hierheen voor een onderbreking van haar eenzame thuiswerken-met-minimale-sociale-contacten. Ze voelde zich een beetje schuldig vanwege de oproep om er vooral niet op uit te gaan met Pasen. Maar het was toch wel fijn om een lang, zonnig weekend de beschikking te hebben over een tuin met terras en een ruim huis - en vooral om mensen te zien. Levende mensen in plaats van mensen op een schermpje.
Versgebakken scones bij het ontbijt.
We maakten er dan ook een gezellig weekend van. ’s Morgens samen ontbijten met versgeperst sinaasappelsap en warme, versgebakken scones. Vrijdag een monopoly-spel bestellen dat zaterdagmorgen al werd bezorgd, zodat we het ’s avonds konden spelen. Met z’n tweeën deelnemen aan een gezamenlijke online sportsessie met vriendinnen van E. (‘Mag er een moeder meedoen?’ ‘Natúúrlijk!’)

Toen ze vrijdag aankwam, wilde E. geen knuffel. Ze was zó gewend geraakt aan afstand dat het gewoon te eng was om zo dichtbij anderen te komen. Maar vanmorgen (maandag) bood ze toch aan om mijn wenkbrauwen te epileren (‘het is wel een zooitje, jouw wenkbrauwen’) en ik masseerde haar schouders, die vastzitten van de hele dag met de laptop aan de keukentafel en de stress.

Om een uur of vier vanmiddag is het tijd om terug te gaan naar Amsterdam. Omdat J. na zoveel weken bij z’n ouders wel weer even behoefte heeft om een paar dagen in z’n eigen omgeving te zijn, is zijn zus zo vriendelijk om hem mee te nemen en een omweg te maken. Later in de week ga ik hem ophalen, want de trein vindt niemand een fijn idee. Het kan goed heel rustig zijn, maar je weet het gewoon niet.

Dus stouwen ze het fiatje van E. vol met hun spullen en vertrekken. E. klaar voor weer een paar weken eenzaam thuisblijven. J. op weg naar een paar dagen lekker alleen zijn.
We zwaaien ze samen uit. ‘Goeie reis!’

dinsdag 7 april 2020

Een droom:


Ik ben in een huis (mijn huis?) waar veel mensen rondlopen. Het is lastig om van iedereen genoeg afstand te houden.
De bel gaat en er staat een man voor de deur. Het is een oom die ik al lang niet gezien heb (hij is dan ook al jaren dood). Enthousiast steekt hij me zijn hand toe, die ik automatisch aanpak. Meteen realiseer  ik me dat dat niet klopt. “Oh nee,” zeg ik en wil mijn hand terug trekken, maar dat lukt pas als oom klaar is met uitgebreid schudden.

Weer gaat de bel en nu staat daar onze Japanse vriendin Y. Samen met haar ouders. Ze buigen zich naar voren om me hartelijk te begroeten, maar ik steek allebei m’n handen in de lucht. Vriendelijk lachend zeg ik “No hands please!” Ze kijken me verward aan. “Corona,” verduidelijk ik, maar ze blijven me vol onbegrip aanstaren. Dan ren ik naar het toilet waar ik me opsluit en fanatiek mijn handen was.

Als de wekker gaat, blijf ik even stil liggen nadenken over deze droom. Het is vreemd om te weten dat in de werkelijke wereld iedereen onmiddellijk zou begrijpen waarom je elkaar nu geen hand moet geven. Dan gaat de wekker voor de tweede keer en ik moet opstaan, want het is een gewone werkdag. Nou ja, voor zover er íets gewoon is op het moment. Straks hebben we een afdelingsoverleg via teams. Ieder vanuit z’n eigen huis. Voor de derde keer al. Het begint te wennen.

zaterdag 4 april 2020

Project studeerkamer

De kleinste slaapkamer van ons huis hebben we als slaapkamer gekozen. De grotere kamer op de middenverdieping noemen we de studeerkamer. Er staan twee grote boekenkasten en een hoekbureau met een vaste computer en een printer. Maar er liggen ook overal stapels boeken en papieren, een oude monitor, een ongebruikt toetsenbord, een verzameling pennen, usb-sticks, verstofte dozen met oude foto’s die er al jaren op wachten om uitgezocht te worden en meer.

Als H. thuis werkt, doet hij dat op de studeerkamer. Ik doe er ’s morgens m’n tien-minuten-sport-sessies. J. zit er soms ’s nachts te chatten met vrienden in een andere tijdzone. En als op andere plaatsen in het huis iets in de weg ligt, komt dat vaak hier terecht. Kortom, het is er meestal nogal een bende.

Er zijn plaatsen in het huis die netjes elke week schoongemaakt worden. Daar hoort de studeerkamer niet bij. Deze week zag ik in de hoek achter de computer zoveel stof liggen, dat er toch echt een keer actie ondernomen moest worden. Dat voornemen wachtte nog op de uitvoering toen E. vertelde dat ze graag een paar dagen hierheen wilde komen. Ze zit al weken heel veel alleen thuis en houdt zich netjes aan alle corona-richtlijnen, maar nu wil ze toch wel heel graag even wat meer ruimte en een beetje menselijk contact. We denken allemaal dat dat moet kunnen. Alleen heeft ze dan dinsdag wel een ruimte nodig waar ze ongestoord kan bellen en videovergaderen. H. zegt dat dat op de studeerkamer kan, maar E. zegt voorzichtig dat ze het daar eigenlijk een beetje vies vindt.

Het kan makkelijk anders opgelost worden en een dag later blijkt het handiger uit te komen als ze pas aan het eind van de week komt. Maar ze heeft me wel het laatste zetje gegeven om op zaterdagmorgen met de stofzuiger en een emmer sop aan de slag te gaan. Terwijl buiten de zon schijnt, ruim ik op, gooi ik weg, zuig ik stof, zit ik op m’n knieën onder het bureau te poetsen tot die hele rommelkamer schoon, fris en netjes is.  Na een paar uur spoel ik een zwart sopje door de wc, zet de stofzuiger terug onder de trap en ga ik met koffie en een koekje buiten in de zon zitten. Project studeerkamer afgerond. Ik denk dat ik m’n volgende online vergadering zelf aan dat schone bureau ga zitten met m’n laptop.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...