vrijdag 27 november 2015

Zorgverzekering

“Laat deze brief niet aan je ouders lezen!”
Dat staat met grote letters op de envelop die op de mat ligt. De brief is gericht aan mijn zoon J., die in Leiden op kamers woont, maar in de weekenden hier is. Ik bekijk de envelop fronsend. Het is niet mijn gewoonte om de post van mijn volwassen kinderen open te maken. Lijkt me logisch. Maar heeft de afzender van deze brief er iets mee te maken wat onze afspraken zijn over privacy en post? 
Als hij thuis komt, geef ik J. de brief en zeg erbij dat ik het een raar opschrift vind. Hij haalt zijn schouders op, maakt hem open, kijkt er een paar seconden naar en zegt dan “Het is van een zorgverzekeraar die me als klant wil. Zal ik hem meteen bij het oud papier gooien? Of wil je hem lezen uit wraak?”
Ik wil hem wel lezen.
Dit is de eerste zin: “Ouders niet in de buurt? Goed, dan kunnen we beginnen…”
Dan volgt een betoog waarom de aangeschreven student er goed aan doet om zich te verzekeren bij Besured Zorgverzekering. Op de opmerkingen over ouders wordt niet teruggekomen.  In de bijbehorende folder staat zelfs: ‘Kijk snel (of laat je ouders kijken) op de website’.
Waarom ergert deze manier van aanspreken me zo?
Daar moet ik een tijdje over nadenken. Allereerst vind ik het kinderachtig. Zo’n eerste zin past meer bij basisschoolkinderen dan bij studenten. Maar ik denk dat het me vooral tegenstaat dat er een bondje wordt gesuggereerd tégen de ouders. ‘Jij en ik hebben een geheimpje dat je ouders niet mogen weten.’ En dat terwijl het gaat over geld en gezondheid. Zaken waarvan je hoopt dat je kind er open met je over kan praten. Zoiets.
Als ik op ‘Besured’ google, zie ik dat ik niet de enige ben die het een rare manier van reclame maken vind. Op de site ‘klachtenkompas’ schrijft iemand:
‘Mijn zoon van 18 heeft een envelop ontvangen met opdruk "Laat deze brief niet door je ouders lezen". De brief begint met "zijn je ouders uit de buurt? Mooi dan kunnen we beginnen (oid). De inhoud gaat over een zorgverzekering voor studenten. Hiermee wek je wantrouwen tov ouders terwijl vertrouwen juist heel belangrijk is voor jonge volwassenen.’
Ik zie dat de post vandaag pas is geplaatst. Vandaag viel ook die rare brief op de mat. Het zal me dus niet verbazen als er binnenkort meer commentaar te vinden is. Van ouders waarschijnlijk. Die maken zich drukker over dit soort zaken dan de studenten die als schoolkinderen worden benaderd. Zij halen gewoon hun schouders op en mikken zo’n brief in de oud-papierbak.

 

zaterdag 21 november 2015

Likeurtje bottelen

We hebben met vrienden een eetafspraak gemaakt voor vandaag. Toen ik het op de weekkalender zette, zag ik dat dit weekend de bramenlikeur klaar is. Die staat vanaf half augustus in een donkere voorraadkast te wachten tot ie gezeefd en gebotteld mag worden. Leuk, dan kunnen we die meteen met z’n allen proeven.
Gisteravond haalden we de weckpot tevoorschijn, half gevuld met een drabbig geheel van bramen, opgeloste suiker, een vanillestokje en brandewijn. Toen we het mengsel net in de pot hadden gedaan, ging ik af en toe even roeren. Het duurde weken voordat er niets meer te zien was van de laag suiker. Na verloop van tijd dacht niemand meer aan de bramenlikeur in wording. Tot ik dus de genoteerde datum op de kalender terugzag.
Voorzichtig goten we de vloeistof door een fijn zeefje. De verlepte bramen bleven achter in de weckpot. De likeur paste precies in de groene fles waar ooit Becherovka in heeft gezeten. Ik was nieuwsgierig genoeg om meteen een beetje te proeven en het smaakt helemaal niet gek. Mijn dochter vroeg hoeveel procent alcohol er in het drankje zat en tja, daar had ik niet meteen een antwoord op.
Ik weet dat er in de gebruikte brandewijn 30% zit. Met de andere ingrediënten verdun je dat natuurlijk, maar komt er ook weer alcohol vrij als je zo’n fruit met suiker mengsel een tijd laat staan? Op internet vond ik een ingewikkeld uitgelegde formule die er op neerkwam dat de hoeveelheid alcohol gelijk blijft en dat dus het percentage omlaag gaat als je er andere dingen bij doet. In de praktijk: de totale hoeveelheid ingrediënten is drie keer zo veel als de hoeveelheid brandewijn. Dus moet je het percentage delen door drie. Mijn bramenlikeur bevat ongeveer 10% alcohol.
Dit betekent dat het niet superlang houdbaar is, wat weer de conclusie met zich mee brengt dat het helemaal niet erg is als het flesje vanavond leeg gaat. Behalve dat we lekker voor onze gasten gaan koken, zetten we ook de borrelglaasjes klaar. Proost.

Recept bramenlikeur:
250 gram bramen
250 gram suiker
250 ml. brandewijn
1 vanillestokje


Was de bramen voorzichtig en doe ze in een glazen pot. Verdeel de suiker er overheen en giet daarna de brandewijn erbij. Doe er een (half) vanillestokje of een zakje vanillesuiker bij. Zet de pot op een donkere plek, roer in de eerste weken een paar keer door en vergeet hem dan. Noteer op een kalender of in je agenda wanneer er drie maanden om zijn. Dan kun je de likeur door een fijne zeef in een fles gieten. (Je kunt voor het zeven ook een koffiefilter gebruiken)

woensdag 11 november 2015

Taalcoaching en de voorrechten van blanke mensen


Op woensdagochtenden ben ik taalcoach. Ik ga op de fiets naar F. en in haar kleine bovenwoning proberen we ons op haar taaloefeningen te concentreren met een bijna tweejarige tweeling om ons heen.
foto NRC voorpagina  7 nov.
Voordat ik weg ga, lees ik in de krant van afgelopen zaterdag een interview door met vier vrouwen over ‘white privilege’. Het artikel had nogal wat reacties opgewekt en ik had het gemist. De reacties maakten me nieuwsgierig. De geïnterviewde vrouwen, allemaal meer of minder zwart, bestrijden de ‘witte vanzelfsprekendheid’ waarmee witte mensen de wereld bekijken. Het superioriteitsgevoel van de blanken. Ook witte mensen die zich tegen racisme uitspreken, worden door de vier gehekeld. Typerend citaat: ‘Je kunt pas werkelijk spreken van emancipatie als Zwarte Piet verandert omdat een zwarte zegt dat hij moet veranderen; anders is het een gunst van een witte.’

Met een zucht sla ik de krant dicht. Wat kun je hier nu mee als je toevallig als blanke geboren bent? Ik begrijp het punt wel en ik kan me voorstellen dat het heel ergerlijk is voor een donker persoon als in de schminckdoos op school ‘huidskleur’ de kleur van een blanke minderheid in de klas is. Maar ze zijn wel erg streng.

Terwijl ik mijn spullen bij elkaar pak, denk ik aan F. Ze komt uit Guinee en heeft een donkere huid. Ik help haar om Nederlands te leren. Stel ik me daarmee superieur op? En heeft dat iets met die kleur te maken? Op de fiets blijft het interview door mijn hoofd malen. Wat zijn mijn eigen vooroordelen? Denk ik ook zo sterk vanuit mijn eigen, witte wereld? Waarschijnlijk wel. Het is toch vrij normaal om vanuit je eigen referentiekader te denken. Misschien moet ik me daar toch meer bewust van zijn. Beter nadenken over hoe ik me opstel tegenover mensen met een andere huidskleur.

Ik zet mijn fiets op slot en ga de trap op naar de voordeur van F. Als ik heb aangebeld, duurt het een tijdje voordat de deur opengaat. De eerste keer was ik bang dat er niemand thuis was, maar inmiddels weet ik dat er eerst een traphekje losgemaakt moet worden waar twee kleine ukjes op af gaan om door het kiertje te kruipen. Mama F. moet ze voorzichtig wegduwen tot het hekje weer vastgemaakt is. Daarna kan ze de trap af om de deur open te doen.

Ik zet mijn schoenen tussen de kleine kinderschoentjes bij de voordeur en loop achter F. aan naar boven. Daar kijken twee glunderende gezichtjes door de spijlen naar beneden. Als ik door het hekje ben, hangt de kleine R. meteen aan mijn been en broertje I. komt met een grote speelgoedauto aan die hij ondersteboven zet om aan de wielen te gaan draaien.

Samen met F. ga ik aan tafel zitten om in haar taalboek wat opdrachten door te nemen. Het eerste half uur lukt dat goed. Daarna beginnen de kinderen steeds harder om aandacht te vragen. Tot het boek opzij gaat. Elk met een kind op schoot praten we over de tweeling. Dat ze zo slecht eten en vaak ziek zijn. Hoe het op het kinderdagverblijf gaat, dat boodschappen doen lastig is omdat het rekje onder de dubbele kinderwagen het begeven heeft. Ik vertel over mijn eigen kinderen toen ze klein waren. Zing liedjes voor de tweeling: ‘klap eens in je handjes, blij blij blij’.

We zijn twee moeders, waarvan de één een nieuwe taal leert.  Ze doet het goed, al heeft ze moeite met de zinsvolgorde en de verleden tijd. We begrijpen elkaar prima.
Anderhalf uur later loop ik de trap weer af. Ik trek mijn schoenen aan en bedenk dat ik helemaal vergeten ben om me bewust te zijn van huidskleuren en ‘white privilege’. We waren veel te druk bezig met taallessen en aandacht vragende kindjes.
Dat lijkt me eigenlijk nog niet zo verkeerd.

zondag 8 november 2015

Gezellig samen blazen

Het is zeldzaam zacht buiten. Gewapend met bezems, een grashark, snoeischaren en meer gaan we aan de slag in de voortuin. Het lage muurtje aan de straat krijgt een korte, groene coupe in plaats van de woeste slierten klimop die de stenen overwoekerden. Tegelijk met de afgeknipte klimop, vegen we de herfstbladeren op waar de stoep vol mee ligt. Het is een dankbaar klusje: met een grashark haalt H. de bladeren bij elkaar in een paar grote stapels die ik vervolgens in de groenbak schep. Zo gebeurd.

Als de groenbak vol zit en de voortuin er best netjes uitziet, gaan we een eindje fietsen. We zijn niet de enigen die het lekker weer vinden om buiten te zijn. Behalve dat we veel andere fietsers tegenkomen, horen we op verschillende plaatsen tuinbezitters in de weer met hun apparatuur. Bladblazers vooral. We vragen ons hardop af waarom iemand toch een bladblazer zou gebruiken voor iets dat zo makkelijk met een simpele grashark kan.

Door de kale struiken bij een boerderijtje zie ik iemand in de weer met zo’n lawaaimonster en het valt me op dat deze er vrij zwaar uitziet. De man zwaait het apparaat eindeloos heen en weer om een paar vierkante meters gras bladvrij te maken. Misschien is het toevallig een onhandige tuinier, maar als ik dit zo zie, kost het werken met een bladblazer meer energie dan met een lichte hark. Nog afgezien van de elektriciteit!

Weer thuis google ik op ‘bladblazers’ en vind een paar leuke wetenswaardigheden. Bijvoorbeeld dat vorig jaar een theatercollectief in Tilburg het muziekspektakel ‘de BladBlazerSymfonie’ presenteerde. En dat er een website is waar mensen hun klachten over de herrie en zinloosheid van bladblazers kunnen deponeren: www.bladblazen.nl.
Maar wat je vooral vindt met dit trefwoord, is een eindeloze lijst van winkels die bladblazers in vele soorten en maten verkopen. “Als in de herfst de bladeren weer vallen is het vaak niet meer te doen om alles aan te harken en in een ton te scheppen. Met een blazer blaas je alle bladeren eenvoudig bij elkaar,”


Die tekst moet de lezer overtuigen van het nut van het apparaat. Wat er vervolgens met de bladeren moet gebeuren, blijft onduidelijk. Toch in die ton scheppen? Of gewoon weer laten wegwaaien zodat je morgen lekker weer met de bladblazer kunt blazen? Het schept zo’n fijne band met de buurt, leuk samen blazen. Misschien moeten we die ouderwetse grashark dan toch maar eens inwisselen voor zo’n gezellig blaasapparaat.

 

 

zondag 1 november 2015

Halloween


Hij ziet er uit als een halve edammer kaas, maar het is de helft van een pompoen. Ik heb hem gekocht aan een kraampje langs de weg, waar je gewoon het geld in een blikje kon gooien en een pompoen uitzoeken. Kleintjes voor vijftig cent en de grootste voor twee euro. Ik hou van dat vertrouwen en betaal netjes de prijs die op het geschreven karton staat dat aan het kraampje hangt.
Helaas valt ie een beetje tegen. Niet dat de pompoen niet goed is, maar deze gele jongen heeft gewoon wat minder smaak dan de traditionele oranje soortgenoten die je nu overal met halloween-gezichten ziet liggen. Hij is net iets wateriger. Daar kwamen we achter toen we soep van de eerste helft maakten. Nu zijn we gewaarschuwd en maken de tweede lichting wat pittiger.

In de schuur ligt al weer een oranje exemplaar. Die roosteren we volgende week in de oven. Ondanks de halloweengezichten op de groenteafdeling zijn we bij het boodschappen doen vergeten om snoep mee te nemen. Ik was het van plan, voor alle zekerheid, hoewel er vorig jaar geen kinderen aan de deur kwamen op 31 oktober.  Als ik er achter kom dat we niets in huis hebben om aan de deur uit te delen, haal ik m’n schouders op. De meeste kinderen in onze buurt zijn net iets te groot om verkleed langs de deuren te gaan en om snoep te bedelen.
We zijn net klaar met de afwas als de bel gaat. Buiten klinkt in de verte gegil en gelach. We kijken elkaar aan. Opendoen? En dan zeggen dat we vergeten zijn om snoep te kopen? Dat is teleurstellender dan gewoon niet te reageren op de bel. We besluiten tot het laatste. Na een paar minuten gluur ik onder de luxaflex door. Niemand bij de voordeur. Ik doe de luxaflex nog wat strakker dicht en het licht in de keuken uit.

Als kind deed ik niet aan Halloween, maar we liepen wel Sint Maarten op elf november. Verkleed en met lampions met echte kaarsjes erin. Soms, als het hard waaide, ging er zo’n lampion in de fik. Dat maakte het extra spannend. Ik woonde in een dorp en je wist ongeveer wat je bij welk huis kon verwachten. Hier zijn ze gul met snoep, hier krijg je alleen een gezond appeltje en dáár kun je beter niet aanbellen want dan komt er iemand met een groot mes achter je aan. (Zeiden ze. Ik hoorde niet bij de dapperen die zoiets uit durven te proberen)
Ik baal ervan dat we het snoep vergeten zijn. Liever zou ik hebben dat onze deur bekend staat als de plek waar je iets lekkers kunt verwachten. Of iets leuks, zoals een paar jaar geleden; toen kwam er een groepje aan de deur dat brutaal in koor riep: “Snoep of je onderbroek!” H. deed de deur snel wijd open, riep: “Dan maar mijn onderbroek!” en deed net of hij die uit wou gaan trekken. Dat leverde een hoop gegil en gegiechel op.

Volgend jaar zorg ik dat er iets in huis is om uit te delen. Zul je zien dat er dan weer niemand op het idee komt om bij ons aan te bellen.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...