Posts tonen met het label taalcoach. Alle posts tonen
Posts tonen met het label taalcoach. Alle posts tonen

zaterdag 11 februari 2017

Taalcoach


Geconcentreerd begint N.: “I would – nee – ik wil … heel goed Nederlands lernen, but-”
“Maar. Niet but,” verbetert haar man H.
Vorige week kwam ik voor het eerst bij N. als taalcoach en H. kwam er gezellig bij zitten en had van alles te vragen over zijn eigen taalopdrachten. Hij is al langer in Nederland en spreekt de taal beter, maar N. was in Syrië lerares Arabisch en is op een hoger niveau ingestapt bij de Nederlandse les.
De twee steken elkaar de loef af. Zij doorziet meteen bepaalde patronen en kan invuloefeningen grammatica maken zonder dat ze de betekenis van alle woorden begrijpt. Hij heeft een veel grotere woordenschat en is beter in het spreken van de taal.

Een paar dagen na die eerste les kreeg ik een mailtje van de coördinator bij Vluchtelingenwerk. Er was een verzoek van N. en H. of ik taalcoach van allebei kon zijn. Wat vond ik daarvan?
Behalve dat het onvermijdelijk was – ik kan H. moeilijk wegsturen in zijn eigen huis – vond ik het helemaal geen slecht plan. Er moet veel geoefend worden met praten en ze kunnen niet alleen van mij, maar ook van elkaar veel leren.

Nu ben ik er dus voor de tweede keer. We oefenen zinnen met een aantal werkwoorden. N. schrijft elke zin op, maar H. wordt er ongeduldig van. Het is hem te makkelijk. Ook als we even later oefeningen in zijn taalboek doornemen, is hij ongeduldig. Wat hij niet begrijpt, wil hij al snel overslaan en wat hij te makkelijk vindt, raffelt hij af.
De voorbeeldzinnen die ik van tevoren heb bedacht en opgeschreven voor N. om verschillende werkwoorden te oefenen, vindt hij geweldig. Het zijn huis- tuin- en keukenzinnen: “Ik loop naar de winkel”, “de kinderen lopen op straat”. Hij wil meer van zulke zinnen. Gewone taal waarmee je met de buurman kunt praten. Ik beloof dat ik er voor volgende week een heleboel zal opschrijven.

Na twee uur praten, invullen, lezen en uitleggen is het genoeg. Ik maak aanstalten om naar huis te gaan, maar N. vraagt of ik wil blijven eten. Ik aarzel even, maar omdat ik vandaag toevallig alleen ben, zeg ik ja. Daar zit ik op de bank bij een Syrische familie. N. staat in de keuken, H. schilt aardappels, de kinderen zitten verderop in de kamer samen met de broer van H. die net is binnengekomen en iedereen spreekt Arabisch.

Toch voel ik me redelijk op m’n gemak. Ik schrijf Nederlandse zinnen over wat er om me heen gebeurt en als we na een uurtje aan tafel gaan, zeg ik dat het voor hen in het begin zo geweest moet zijn als nu voor mij; ik begrijp niets van de taal die ze met elkaar spreken. Ze knikken. Dat was moeilijk. Maar nu lukt het al best om te communiceren in het Nederlands (waar N. ook een hoop Engels doorheen mengt). Het eten is lekker en weer een uurtje later trek ik mijn jas aan om nu toch echt naar huis te gaan. Ik geef H. het papier met de zinnen die ik heb opgeschreven en hij knikt tevreden. Die gaat hij oefenen.
Samen zwaaien ze me uit als ik weg fiets. Tot volgende week!

woensdag 11 november 2015

Taalcoaching en de voorrechten van blanke mensen


Op woensdagochtenden ben ik taalcoach. Ik ga op de fiets naar F. en in haar kleine bovenwoning proberen we ons op haar taaloefeningen te concentreren met een bijna tweejarige tweeling om ons heen.
foto NRC voorpagina  7 nov.
Voordat ik weg ga, lees ik in de krant van afgelopen zaterdag een interview door met vier vrouwen over ‘white privilege’. Het artikel had nogal wat reacties opgewekt en ik had het gemist. De reacties maakten me nieuwsgierig. De geïnterviewde vrouwen, allemaal meer of minder zwart, bestrijden de ‘witte vanzelfsprekendheid’ waarmee witte mensen de wereld bekijken. Het superioriteitsgevoel van de blanken. Ook witte mensen die zich tegen racisme uitspreken, worden door de vier gehekeld. Typerend citaat: ‘Je kunt pas werkelijk spreken van emancipatie als Zwarte Piet verandert omdat een zwarte zegt dat hij moet veranderen; anders is het een gunst van een witte.’

Met een zucht sla ik de krant dicht. Wat kun je hier nu mee als je toevallig als blanke geboren bent? Ik begrijp het punt wel en ik kan me voorstellen dat het heel ergerlijk is voor een donker persoon als in de schminckdoos op school ‘huidskleur’ de kleur van een blanke minderheid in de klas is. Maar ze zijn wel erg streng.

Terwijl ik mijn spullen bij elkaar pak, denk ik aan F. Ze komt uit Guinee en heeft een donkere huid. Ik help haar om Nederlands te leren. Stel ik me daarmee superieur op? En heeft dat iets met die kleur te maken? Op de fiets blijft het interview door mijn hoofd malen. Wat zijn mijn eigen vooroordelen? Denk ik ook zo sterk vanuit mijn eigen, witte wereld? Waarschijnlijk wel. Het is toch vrij normaal om vanuit je eigen referentiekader te denken. Misschien moet ik me daar toch meer bewust van zijn. Beter nadenken over hoe ik me opstel tegenover mensen met een andere huidskleur.

Ik zet mijn fiets op slot en ga de trap op naar de voordeur van F. Als ik heb aangebeld, duurt het een tijdje voordat de deur opengaat. De eerste keer was ik bang dat er niemand thuis was, maar inmiddels weet ik dat er eerst een traphekje losgemaakt moet worden waar twee kleine ukjes op af gaan om door het kiertje te kruipen. Mama F. moet ze voorzichtig wegduwen tot het hekje weer vastgemaakt is. Daarna kan ze de trap af om de deur open te doen.

Ik zet mijn schoenen tussen de kleine kinderschoentjes bij de voordeur en loop achter F. aan naar boven. Daar kijken twee glunderende gezichtjes door de spijlen naar beneden. Als ik door het hekje ben, hangt de kleine R. meteen aan mijn been en broertje I. komt met een grote speelgoedauto aan die hij ondersteboven zet om aan de wielen te gaan draaien.

Samen met F. ga ik aan tafel zitten om in haar taalboek wat opdrachten door te nemen. Het eerste half uur lukt dat goed. Daarna beginnen de kinderen steeds harder om aandacht te vragen. Tot het boek opzij gaat. Elk met een kind op schoot praten we over de tweeling. Dat ze zo slecht eten en vaak ziek zijn. Hoe het op het kinderdagverblijf gaat, dat boodschappen doen lastig is omdat het rekje onder de dubbele kinderwagen het begeven heeft. Ik vertel over mijn eigen kinderen toen ze klein waren. Zing liedjes voor de tweeling: ‘klap eens in je handjes, blij blij blij’.

We zijn twee moeders, waarvan de één een nieuwe taal leert.  Ze doet het goed, al heeft ze moeite met de zinsvolgorde en de verleden tijd. We begrijpen elkaar prima.
Anderhalf uur later loop ik de trap weer af. Ik trek mijn schoenen aan en bedenk dat ik helemaal vergeten ben om me bewust te zijn van huidskleuren en ‘white privilege’. We waren veel te druk bezig met taallessen en aandacht vragende kindjes.
Dat lijkt me eigenlijk nog niet zo verkeerd.

Wonderlijk dat iets tegelijk sappig én droog kan zijn

Zondagmorgen. We zijn laat opgestaan, maar omdat de tijd vannacht een uur terug is geschoven, zitten we toch nog voor tien uur aan het ontbi...