woensdag 24 februari 2010

Optometrist

Omdat ik voor m’n ene oog de hele tijd een vlek zie zweven, ga ik naar de huisarts. Die kijkt me diep in de ogen en besluit dat er waarschijnlijk niets ernstigs aan de hand is. Wel raadt hij me aan even langs de optometrist te gaan. We hebben drie brillenwinkels in het dorp, maar mijn huisarts zegt dat bij Schippers een goede optometrist zit die “een halve oogarts” is.
Na een telefoontje kan ik woensdagmorgen langskomen. De halve oogarts heet Rob en is een knappe jonge man. Hij leest het briefje dat mijn dokter meegaf en ik mag meelopen naar de hoek met de dure apparaten. “Het verhaal is duidelijk”, zegt hij, tikkend op het briefje, “maar ik ga toch wat extra onderzoekjes doen om andere dingen uit te sluiten.”
Ik zit op een krukje vlak voor apparaat één. M’n kin in een kinvormig kuiltje en m’n voorhoofd tegen een beugel. Beide kregen eerst een nonchalante veeg met een alcoholdoekje. In het eerste apparaat kijk ik naar sterretjes. Het tweede meet de oogdruk. Ik ben verbaasd hoe weinig dat om het lijf heeft. Een klein pufje lucht in je oog, klaar. Het apparaat meet met een laser de tegendruk die je oog op dat pufje geeft, legt Rob uit. (Tenminste, zoiets was het) Tot zover is alles in orde.
Iets verderop mag ik laten horen hoe goed ik in de verte kan lezen. Niks mis mee, constateert de optometrist. “Dichtbij zult u waarschijnlijk een leesbrilletje nodig hebben..” Ik vraag hoe hij dat uit zo’n leestest-op-afstand kan concluderen en hij glimlacht verontschuldigend. Dat kan hij niet, maar eh, gezien mijn leeftijd...
Voor het volgende onderdeel krijg ik een druppeltje in m’n oog dat de pupil verwijdt. Door een kleine pupil valt er niet genoeg te zien van het netvlies daar achter. De druppel moet een kwartiertje inwerken en ik krijg een cappuccino. Ook uit een duur apparaat, schat ik in; hij is lekker.
Na bestudering van mijn netvlies is het duidelijk. Geen oogbeschadigingen, maar alleen een los dingetje op m’n netvlies. Doordat het glasvocht met de jaren iets loslaat van het netvlies, kunnen daar losse velletjes op komen. Floaters heten ze, of “mouches volantes” een mooi woord voor een irritant verschijnsel. Heel veel mensen hebben ze, maar deze zit midden in m’n gezichtsveld en dat is lastig. Waarschijnlijk leer ik er omheen/langs te kijken en met een beetje geluk zakt ie een beetje naar een minder prominente plek.

Als ik naar huis fiets, zie ik de wereld een beetje wazig en in de spiegel zie ik dat de druppel van de halve oogarts me er uit laat zien als een halve junk. Dát is morgen weer over. Ik hoop dat die floater ook binnenkort afzakt.

zaterdag 20 februari 2010

Pindakaas en rum

Donderdagavond gaat de telefoon. Het is E. vanuit de trein. Ze komt over een kwartier aan in Nijmegen. Of ik haar wil halen? Ze komt samen met haar Amerikaanse vriendin C. Die is op uitwisseling in Marseille en ach, dan is Nederland om de hoek. Een weekje bij E. in Den Haag wordt afgesloten met een bezoek aan ons. Kan C. ook iets van het platteland zien. Vrijdag fietsen de meiden naar de dijk en gaan shoppen in Nijmegen. ’s Avonds willen ze mee boodschappen doen. Pindakaas wil C. graag, want dat is in Frankrijk niet te betalen. Ze scoort twee grote potten bij Albert Heijn.
Na het afrekenen gaan we nog even langs de slijter om een kadootje voor iemand te halen. C. vertelt dat ze in Amsterdam foto’s had willen maken in een slijterij. Dat was niet de bedoeling en ze was nogal bot weggestuurd. Ook in een andere winkel mocht ze niet fotograferen. Toch wilde ze graag een wandje drank vastleggen, voor haar vriendje.
‘Onze’ slijter is een joviale jongeman en we vragen hem of het een bezwaar is als C. foto’s maakt. Dat is het niet. Integendeel.
Trots wijst hij z’n flessen Ketel 1 aan, de wereldberoemde Hollandse jenever. En daar net boven een witstenen kruik met een delfts blauw molentje. “Stuur dat maar rustig naar Amerika” lacht hij.
Als we ons kadootje afrekenen, nemen we er een miniflesje rum bij voor C. Gisteravond heeft ze ons verteld dat de mensen in Frankrijk wat afstandelijker zijn dan die in Nederland. Hier zijn ze aardig.
Morgen zetten we haar op het vliegtuig terug naar Marseille. Voor die tijd bevestigen we graag dat positieve beeld van Nederland.

vrijdag 12 februari 2010

Amsterdam?

De bus gaat niet vaak, dus het laatste stukje naar m’n vader loop ik. Ik bel vast dat ik er aan kom.
Het ijs in de sloten weerkaatst de zon. Helderblauwe lucht, ijskoude wind. Ik steek mijn duim op en meteen stopt er een auto. Een ouder echtpaar.
“Jij bent er één van Appel hè”, zeggen ze als ik instap. “Ga je je vader opzoeken?” Ik ken ze wel, maar weet niet meer welke naam er bij hoort. Als ze de naam noemen, zie ik meteen hun dochter voor me. Ze zat een klas lager dan ik. We waren geen vriendinnen.
We zijn er zo en ik krijg de groeten voor m’n vader mee. Hij is blij dat ik er al ben. We praten, eten wat, nemen zijn post door en praten nog meer. Dan is het al weer tijd om te gaan. “Nou al?” zucht ie en laat zich in z’n jas helpen. Zijn stramme handen laten zich met moeite in handschoenen wringen. Met kleine stappen lopen we samen naar de bushalte.
Als ik ingestapt ben, leun ik naar het raam om te zwaaien. Pas als we rijden zie ik T., een oude vriendin van mijn ouders. We groeten elkaar en drie zinnen later moet ze er uit. De chauffeur stopt vijftig meter vóór de halte, zodat ze voor haar deur kan uitstappen. “Kom je nog eens langs met je vader?” vraagt ze als ze veilig op de stoep staat. De chauffeur houdt de deur open tot ik het beloofd heb. “Als het wat minder koud is”. We rijden naar de halte, waar de bus draait en terugkeert. T. staat nog in de deuropening om naar me te zwaaien. Ik zwaai terug. In de spiegel lacht de chauffeur gemoedelijk.
Het is al jaren geleden ingelijfd bij Amsterdam, maar de plek waar ik geboren ben is toch echt een dorp.

vrijdag 5 februari 2010

Massage

Op m’n vrije vrijdag sta ik vroeg op, want ik heb een afspraak met mijn fysiotherapeute B. Twee maanden terug zaten de spieren in mijn nek en rug zo vast dat ik B. belde. Ik ken haar al vanaf mijn eerste zwangerschap – zij gaf gym – en ik mag haar graag. Toen ik een jaar of wat geleden mijn sleutelbeen brak, hielp zij me mijn rechterarm van een maximale heil-hitler-stand weer naar een volle hoera te krijgen.

Ik kon snel langskomen met mijn verknoopte spieren en B. begon de knopen er rustig uit te masseren. In een aantal sessies helpt ze niet alleen mijn spieren weer soepel te kneden, maar ze probeert er ook voorzichtig achter te komen waarom de boel zo vast zit.
We praten over dingen die me dwars zitten, hebben het over familieperikelen en onze gedeelde ontspannende hobby; zingen. Ik lig op mijn buik op de massagebank, mijn neus in een handig gat, waardoor mijn deel van de conversatie een beetje gesmoord klinkt.
Vandaag vraagt ze hoe het op m’n werk is. Ik vertel dat er wel wat frustrerende ontwikkelingen gaande zijn en ze informeert of ik er wel eens over denk om iets anders te gaan doen. “Tja”, mompel ik in mijn gat, “daar denk ik wel eens aan, maar erg reëel is het niet. Crisis, leeftijd…” en na een stilte zucht ik “Er zijn zó veel mensen die schrijven.”
“Er zijn zó veel mensen die masseren”, zucht B. terug en we schieten allebei in de lach.
Als ik vraag of ze last heeft van al die concurrentie vertelt ze dat ze dit jaar verkeerd in het telefoonboek staat; bij de B. van haar voornaam! En dat dat haar waarschijnlijk klanten kost. “Heb je geen website?” vraag ik. Nee, daar heeft ze geen zin in. “Ouderwets hè!” Maar ze heeft wel net een mooie flyer laten maken. Die komt op verschillende locaties te liggen. Ik hoop dat ie veel meegenomen wordt, en gelezen. Want B. is een goeie, die moet blijven!

dinsdag 2 februari 2010

Sneeuw

Ik ben eindredacteur van een luistertijdschrift voor blinde en slechtziende kinderen. Elke maand komt er een themanummer uit. Twee freelancers verzorgen de interviews en reportages, schrijven een column en denken mee over nieuwe onderwerpen.
Vandaag hebben we een bijeenkomst. A. en E. komen met het openbaar vervoer naar kantoor. De één met geleidehond, de ander met blindenstok. Ik verwacht ze om elf uur.
Tegen kwart voor elf kijkt een collega uit het raam en zegt: “Ik zie twee meiden met een hond lopen. Komen die voor jou?” Dat wist hij best. We zien ze voorbij gaan en vragen ons af of ze nog even de hond uit willen laten of dat ze gewoon verkeerd lopen. Aan hun lichaamstaal te zien is het het laatste.
Ik ren al jas aantrekkend naar buiten en zie dat ze al aarzelend omgekeerd zijn. “Hier is het welkomstcomité” , roep ik en loods ze door de sneeuw naar de deur. Binnen staat alles op z’n kop vanwege een verbouwing. Voorzichtig koersen we naar de kapstok en dan naar onze vergaderruimte. Ik hol nog eens heen en weer voor koffie en een bak water en dan kunnen we beginnen.
De hond mag onder werktijd niet geaaid worden, maar met z’n tuig af is het pauze. Hij legt z’n kop gezellig op mijn voeten terwijl wij ernstig alle onderwerpen doornemen die iedereen bedacht heeft. We stellen een gedegen lijst samen en dan is het lunchtijd.
De hond uitlaten is een hele onderneming, want boven de witte sneeuwwereld schijnt nu een vriendelijk zonnetje, dat voor A. en E. letterlijk verblindend is. We besluiten brutaal midden over het fietspad te lopen, want dat is tenminste sneeuwvrij. Om de paar minuten maken we een erehaag van drie vrouwen en een hond voor passerende fietsers. In het park knierpen we arm in arm over het pad en mag de hond even lekker rennen. Hij eet met veel smaak een drol en legt er keurig één terug. Dan keren we voorzichtig terug en maken onze vergadering af.
Als ik mijn gasten ’s middags naar de bushalte heb gebracht, ben ik er weer driedubbel van overtuigd. Wat hebben die meiden een lef, om voor onze interviews het land door te reizen. En wat is zo’n mooi wit pak sneeuw ongelooflijk desoriënterend als je haast niks ziet. Ik zie ze gezellig kletsend in de bus stappen en stop mijn hand, die al werktuiglijk wil zwaaien, in m’n jaszak. “Dag”, mompel ik, “goeie reis”

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...