maandag 26 september 2011

Waar vuur is, is rook

Helemaal doorgerookt kom ik binnen.
Ik kon het niet laten: een zachte nazomeravond, al een paar dagen geen regen, bijna de hele voorraad brandhout nog intact. Eindelijk breken de tijden aan om vuurtjes te stoken.
Jammer genoeg krijg ik niemand enthousiast om mee te doen, maar in m’n eentje is het ook fijn: eerst een blok hout met de bijl in dunne flinters splijten. Dan midden in de vuurschaal een krantenprop, de spaanders er omheen zetten, daar omheen een wigwammetje van dunne takken en tenslotte wat dikkere takken.
Tussen de lagen zit genoeg ruimte voor de luchttoevoer en dus ook om die ene lucifer door te steken waarmee het vuur aan moet. Jammer, met één lucifer lukt het niet vandaag, ik laat em te vroeg vallen. Maar met het volgende vlammetje gaat de prop meebranden en dan heb ik al gauw een knetterend vuurtje. Als het goed brandt, gooi ik er het rommelige snoeihout in dat al twee jaar ligt te drogen. Het zijn stukken met bochten en zijtakken die zich niet goed laten stapelen. Ergerlijk! Tevreden zie ik ze in vlammen opgaan.
Op mijn hurken zit ik in het vuur te porren. Strategisch nieuw hout opleggen, brandende stukken verschikken om meer lucht te geven. Hele dunne takjes midden in het vuur gooien om te zien hoe ze onmiddellijk vlam vatten en krom trekken. Ik hoor een dik blok zachtjes sissen omdat er toch nog ergens vocht in zit. Af en toe schieten er vonken de lucht in. Mijn gezicht gloeit en hoewel het geen rokerig vuur is, waait er af en toe een vlaag mijn kant op en begin ik steeds meer naar rook te ruiken.
Na een uur stop ik met nieuw hout opgooien. Nog één keer pak ik de pook om alle brandende stukken zó te keren dat ze helemaal op kunnen branden. Dan laat ik de gloeiende vuurschaal achter en ga naar binnen. Morgen kan de as in de compostbak. Heel goed voor de tuin.
En zo geef ik mezelf toch nog de illusie dat ik met een avondje pyromanen iets nuttigs heb gedaan.

maandag 19 september 2011

Verzamelen


Dit jaar leverde ons kleine appelboompje een geweldige oogst op. Al vroeg in augustus begonnen ze bij een stevige wind uit de boom te vallen en kwamen we tot de conclusie dat ze geplukt moesten worden.
Van de beschadigde exemplaren maakten we appelmoes en de gave appels zetten we in een grote, platte doos in een hoek van de kamer om na te rijpen. Een mooi gezicht. Twee weken later kwam er een platte doos met peren bij, in overleg met de buren van hun boom gehaald.
Intussen begonnen ook de hazelnoten te rijpen. Op internet vond ik de bevestiging van mijn vermoeden dat ook de nootjes van een Turkse hazelaar eetbaar zijn. Zo’n boom hebben we naast ons waterterras staan, en bij een fietstochtje kwam ik er ook één tegen langs een openbaar fietspad. Naast de dozen fruit kwam een krant te liggen met daarop uitgespreid de verse hazelnootjes. Ze moeten goed drogen voordat ze een beetje lekker zijn.
Het verzamelen werkt verslavend. Na de ontdekking van de Turkse hazelaar, let ik bij elke wandeling en fietstocht op de bomen langs de route en er blijken verrassend veel notenbomen in de buurt te staan. Walnotenbomen bedoel ik dan. De meeste staan in tuinen, maar hebben vaak wel wat takken die bijvoorbeeld boven de stoep hangen, zodat je hier en daar een losse noot kunt vinden. Maar mijn favoriet staat gewoon in het niemandsland langs een landweggetje. Daar heb ik inmiddels genoeg walnoten verzameld om weer een nieuwe categorie bij m’n verzameling te voegen. Een dienblad vol.
De voorraad appels is al aardig geslonken, maar noten blijven er nog steeds bij komen.
Vorige week hoorde ik op de radio een enthousiaste man vertellen over het verzamelen van eetbare paddenstoelen in Nederland. “Is het niet gevaarlijk om zomaar paddenstoelen te eten die je vindt?” werd hem gevraagd, maar dat wuifde hij nonchalant weg.
Ik denk niet dat ik snel het bos in zal gaan om een maaltje paddenstoelen te plukken, maar ik weet wel een plek waar tamme kastanjes groeien. Die zullen inmiddels ook wel rijp zijn. Misschien wordt het toch wel tijd voor een boswandeling. Tenslotte is de doos appels bijna leeg. De verzameling kan wel weer een beetje aanvulling gebruiken. Tamme kastanjes dus. En die zijn het lekkerst als je ze poft.
Heb ik meteen een excuus om me weer eens aan een andere verslaving te wijden: vuurtje stoken.

donderdag 15 september 2011

Daan Bovenberg


Op woensdagmiddag heb ik een afspraak bij de kapper.
Ik mag even plaatsnemen in één van de makkelijke stoelen die om een laag tafeltje staan. Er zit al een moeder met twee kleine jochies en een vader van een wat grotere jongen die al geknipt wordt. Met een kop koffie zit ik goedgehumeurd te wachten en kijk hoe de jongste van de twee broertjes op z’n knieën voor de tafel gaat zitten om een voetbaltijdschrift door te bladeren. Een jaar of drie is ie, met een dikke bos krullen en een kennelijke interesse in voetbal. “PSV”, zegt hij in zichzelf, en dan begint ie zachtjes te zingen: “ Alle mensen gaan naar het stadion, naar het stadion… naar PSV”. Hij is helemaal verdiept in zijn voetbalgedachten, wijst foto’s aan en roept af en toe enthousiast “GOAL!” of “PSV!”
“Ssst” , zegt zijn moeder als het een keer erg luid wordt, “niet zo hard!” Maar hij laat zich niet uit zijn concentratie halen.
Als hij weer een bladzij omslaat, kijkt tot z’n verrukking een heel elftal hem aan vanaf een grote foto. “Daan Bovenberg!” juicht de kleine voetbalfan. “Allemaal Daan Bovenberg”, en zijn kleine vingertje zweeft langs alle mannen op de foto.
Nu komt grote broer zich er toch even mee bemoeien. Hij legt zijn eigen tijdschrift opzij en loopt naar het tafeltje. “Nee”, zegt hij vriendelijk. “Niet allemaal. Dít is Daan Bovenberg. Alleen deze.” En hij wijst op de foto.
Dan gaat hij terug naar z’n stoel. Een beetje verlegen kijkt ie opzij naar de wachtende vader, die het glimlachend gevolgd heeft. “Ik heet zelf ook Daan.” Zegt hij zacht. En met een klein lachje: “maar niet Bovenberg”.
Even later komt een jonge kapper naar de jongens toe lopen “Wie gaat er mee de autostoel halen?” Blijkbaar zijn ze hier eerder geweest; de tijdschriften zijn vergeten en de twee jongetjes huppelen mee naar achteren. Daar wordt een hoge stoel vandaan gehaald met een autostuur er aan. Daan die niet Bovenberg heet, mag sturen terwijl z’n haar netjes wordt opgeschoren.
Ik heb mijn koffie op en zie met bewondering hoe handig de kapper al kletsend met de kleine mannen z’n werk doet. Lang kan ik niet blijven kijken, want ik ben aan de beurt om geknipt te worden. Bijna een half uur later dan de afgesproken tijd, maar dat merk ik dan pas.
Ik denk dat ik de volgende keer maar weer op een woensdagmiddag ga.

vrijdag 9 september 2011

Hek

Ik doe mijn hardloopschoenen aan en vertrek voor een conditierondje.
Aan het eind van de straat, na het bruggetje, sla ik rechtsaf en loop het smalle voetpad op dat daar sinds een paar maanden vlak langs het ganzenmeertje loopt. Links van me is een brede strook gras waarvan de helft gemaaid is. Op de andere helft bloeit kamille en klaver en… ineens zie ik dat er een gloednieuw hek staat tussen de asfaltweg en de bloeiende berm. Een meter hoog, met metalen spijlen, glanzend donkergroen gelakt.
Al lopend vraag ik me af waarom dat hek er neergezet is. Als bescherming? Dat auto’s niet het meertje in rijden? Dat lijkt me sterk. Tussen weg en water zijn vele meters gras. Dat kinderen niet de weg op rennen? Onzin. De huizen waar die kinderen wonen staat aan de andere kant van de weg, waar geen hek is. Is het om de ganzen en eenden van de straat te houden? Maar bij elk zijweggetje, steigertje, bushokje en zelfs bij een brievenbus heeft het hek een onderbreking.
Ik besluit dat het hek er staat omdat dat mooi is. Vínd ik het mooi? Ach, echt lelijk vind ik het niet, maar om nou te zeggen dat het een verbetering is...
Als ik er al ver voorbij ben, blijft dat glimmende hek in mijn hoofd zitten. Wie bedenkt zoiets? Iemand zoekt uit welk materiaal, hoe hoog, welke kleur. Het moet vervoerd, stevig in de grond gezet met uitsparingen op de goede plekken. En dat allemaal voor het mooi?
Misschien is er wel een hele logische, gegronde reden om daar een stevig hek te zetten.
Thuisgekomen heb ik het druk met andere dingen en vergeet het hek. Tot we aan tafel zitten. Ik vertel H. over mijn theorieën en hij zegt prompt: “O, dat hek is tegen het parkeren. Anders zijn ze bang dat iedereen daar z’n auto in het gras zet.”
Daar is ie dan, de gegronde reden. En uiteindelijk is het dus tóch voor het mooi. Want zo’n berm vol veldbloemen met een hek er langs is beslist mooier dan een platgereden veld vol auto’s. Toch?

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...