zondag 23 augustus 2015

Kip, patat en appelmoes

Kip, patat en appelmoes
(Foto van internet, maar het lijkt er wel een beetje op)
Meestal eten we in de keuken, maar vandaag heb ik de grote tafel leeggeruimd en gedekt. Met z’n vieren eten we de traditionele combinatie kip, patat en appelmoes, maar dan wel met zelfgemaakte appelmoes, zelf gefrituurde frietjes en nog wat bakjes salade. Best gezond denk ik.
Mijn dochter vertelt over gisteren, toen ze ging zwemmen met een vriendin en haar zoontje van anderhalf. Een schattig, ondernemend jochie, waar de jonge, alleenstaande moeder haar handen aan vol heeft. We kennen haar wel: een kordaat persoon, die zich niet laat inpakken door de mooie ogen van haar kleine zoon.
Het gesprek gaat over opvoeden en E. herinnert zich hardop hoe ze vroeger van ons haar kommetje fruit leeg moest eten maar het stiekem door de wc spoelde omdat er banaan door zat. Daar houdt ze niet van. Wij herinneren ons het voorval niet en H. vraagt of ze ons echt zo streng vond. ‘Meestal niet’, zegt ze, ‘maar soms.’
We halen herinneringen op aan de tijd dat E. nog een kleuter was en op een keer een enge film zag over vampiers. ‘Ik zie het nog zo voor me’, vertelt ze, ‘hoe die vampier de trap af kwam.’
Ik weet het ook nog goed. Een onschuldig filmpje, gemaakt door schoolkinderen die zich verkleed hadden en elkaar zo filmden. Tot mijn verbazing bezorgden die beelden ons wekenlang slapeloze nachten, want de periode er na huilde E. elke nacht dat ze bang was en niet durfde te slapen.
Ze lacht: ‘Ja, het was een onbenullig filmpje, maar ik was wel heel bang voor vampiers.’
Dan gaat het gesprek verder over cadeautjes. Als er een verjaardag of Sinterklaasfeest naderde, zocht E. net zo lang het huis door, tot ze de cadeautjes had gevonden. Dat is tenminste wat zij zich herinnert. Ik vraag wat ze haar leukste cadeau vond en dat was een fiets. Die stond met een doek er over in de gang. Niet zo moeilijk om die te vinden dus.
‘Ik heb een paar keer een nieuwe fiets gekregen’, zegt ze, ‘maar die ene paarse vond ik zo mooi.’ Mijn zoon heeft zich nauwelijks met het gesprek bemoeid. H. vraagt of hij zich ook nog cadeaus kan herinneren. ‘Ik kreeg altijd de fietsen van E.’ zegt hij droog. En dat klopt.
Dan vraagt hij of het oké is dat hij naar boven gaat.
Prima’, zeg ik, ‘neem je wel even wat spullen mee naar de keuken?’
Want we zijn dan wel zo’n beetje klaar met opvoeden, maar aan sommige dingen moet je je kinderen toch altijd even blijven herinneren.

vrijdag 14 augustus 2015

Muziek in de Honigfabriek

Voor de oude Honigfabriek staat een rondlopend muurtje waarop een rijtje mensen zit. Ze komen net als wij voor de muziekvoorstelling. H. sluit zich aan bij de rij op het muurtje, maar ik loop een stukje verder, waar aan de muur van het gebouw een touwconstructie gemaakt is die me nieuwsgierig maakt. Er hangt een bord bij. Daarop lees ik dat dit de sluiertuin is, vorig jaar ontworpen en opgezet: “het vormt de groene en beeldbepalende entree voor alle nieuwe initiatieven die op het Honigterrein worden ontplooid. In dit concept wordt de tuin gezien als een habitat, waar de gebruiker, de natuur en het gebouw elkaar ontmoeten.”

foto van een bloeiende sluiertuin (2014)
Sluiertuin na aanleg in 2014
De touwen zijn bedoeld om klimplanten langs omhoog te laten groeien, maar helaas zijn de meeste klimmers jammerlijk omgekomen door droogte. Ik bedenk dat het een leuk initiatief is, maar dat er misschien te optimistisch gedacht is over het onderhoudsvrije karakter. De groene entree is eerder geelbruin. Om kwart over acht mogen we het gebouw in en we komen in een ruimte terecht met in het midden een klein podium waarop drie muzikanten klaar zitten. Eén met een gitaar, één met een accordeon en één achter een grote vibrafoon. Ze zijn geconcentreerd alsof ze nu al gaan beginnen, maar de aanvangstijd is half negen stipt. Dan zullen de deuren ook dicht gaan.

Terwijl de drie blokken met stoelen om het podium heen zich vullen met publiek, komt uit geluidsboxen een brom die steeds zwaarder lijkt te worden. We kijken naar de binnenkomende mensen en naar de jonge musici en hun instrumenten. Juist als ik me begin af te vragen of ik de gitaar zachtjes met de bromtoon mee hoor klinken, zegt de man die naast me zit “ik denk eigenlijk dat het stiekem al begonnen is.” Inderdaad zien we dat er iets veranderd is op het podium. De houding van de drie is nu heel actief. Zachtjes beginnen ze elk op hun instrument losse tonen te spelen die in het begin haast samenvallen met de brom.

Minimal music. Eerst speelt de gitarist een trage melodie, die uit lukrake, losse noten lijkt te bestaan en zich steeds herhaalt. Dan worden sommige noten ineens door de accordeon gespeeld of door de vibrafoon. Het is spannend om te volgen wie welk stukje van de melodie speelt. Het stuk ontwikkelt zich langzaam tot er een solo van de vibrafoon uit ontstaat. Langzaam, snel, hard, zacht, we krijgen alles te horen wat er met zo’n instrument kan. Dan zijn we terug bij de hardnekkige bromtoon, die nu verandert in gebabbel van een mensenmenigte. Daar doorheen begint een nieuw muziekstuk.

Vijf kwartier duurt de voorstelling en al die tijd is er vanuit de boxen achtergrondgeruis. De brom, het gemompel, een soort snelweggeluid, scheepstoeters, vage radiogeluiden. Na een half uur begin ik te verlangen naar momenten van stilte. Mag er nooit een mooie muzikale klank wegsterven in het niets? Nee dus.

Het is geen makkelijke muziek. “In een mixtape gaan drie helden op zoek naar de onmogelijkheden van het instrument”, lees ik later in de flyer waarvoor het in het zaaltje te donker is. Ik weet niet zo goed wat ik er van vind. Steeds als er vloeiende muziek uit de instrumenten dreigt te komen, wordt dat snel afgewisseld met iets ongemakkelijks. Soms interessant, soms mooi, maar soms ook saai. Na drie kwartier hoor ik om me heen zo veel stoelen kraken dat ik zeker weet dat ik niet de enige ben voor wie het wel een beetje lang duurt.  

Om kwart voor tien lopen we weer naar buiten. Het was … bijzonder. En ook al was het niet helemaal wat we verwacht hadden, we hadden deze voorstelling van de NJO Muziekzomer toch niet willen missen.
foto van de drie musici
Dominique Vleeshouwers, Vincent van Amsterdam, Aart Strootman

                                                                                                                            

zaterdag 8 augustus 2015

Ooievaars

“Hé kijk, een ooievaar. En nóg één. Het is een paartje.”
Paartje ooievaars

We fietsen met z’n tweeën van Nijmegen naar Zwolle langs een zelf uitgezette knooppuntenroute. Vannacht hebben we ongeveer halverwege in een hotel in Zutphen overnacht en nu zijn we weer op weg. Drie dagen blijven we weg en het voelt helemaal als vakantie. Behalve dat het prachtig fietsweer is, is dit gebied langs de IJssel een leuke plek. We fietsen door weilanden, langs bomenrijen en bosjes, door kleine dorpen en langs landgoederen met dure landhuizen. En steeds komen we weer even de rivier tegen of we zien verderop de dijk slingeren.

Als we het dorp Gorssel naderen, zien we steeds meer ooievaars. Eerst wijzen we ze elkaar enthousiast aan. Maar als we voorbij een weiland gefietst zijn waar er minstens tien op hun lange poten rondlopen, kijken we alleen nog maar. Twee bij een sloot. Eén met een jong op een wagenwiel-nest. Weer een paartje in een weiland.

In het dorp vinden we een terras waar we stoppen voor koffie. Ik ga meteen even naar de w.c. Na een kwartiertje stappen we weer op en bij de eerste ooievaars die we daarna zien, zegt H. “Hier is het ooievaarsdorp. Daarom zijn er zo veel. Dat vertelde de man van het restaurant me net.”

“Is dat hier?” Ik ben verbaasd. Toen ik meer dan twintig jaar geleden voor de allereerste keer alleen op pad ging om een interview te houden voor het gesproken kindertijdschrift Hardop, was dat in het Ooievaarsdorp. Maar de naam Gorssel doet geen belletje rinkelen. Topografie is niet mijn sterkste kant, maar ik zou me die naam toch moeten kunnen herinneren?
 
Het interview herinner ik me nog goed. Met het karakteristieke geklepper van de ooievaars op de achtergrond had ik een leuk gesprek met een van de medewerkers over de dieren. Hij wees me het homostel aan dat daar boven op een paal een keurig nest had. Daar werden regelmatig eieren in gelegd van stellen die het niet zo nauw namen met broeden. ‘Jos en Frank’ broedden en voedden zorgzaam verschillende nesten jongen. Ik vond het een mooi verhaal.

Als we weer thuis zijn, zoek ik het op. Het ooievaarsdorp waar ik voor het interview heen ging, was Het Liesveld in Groot-Ammers. Gorssel was een ‘buitenstation’, waarvandaan jonge ooievaars van het project in Groot-Ammers werden uitgezet. De vogels blijven inmiddels uit zichzelf terugkomen om in deze buurt te nestelen. Twee jaar geleden is het buitenstation wegens succes gesloten. Maar Gorssel blijft dus echt wel een ooievaarsdorp.

ooievaar

 

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...