“Maak er eens een wat mooiere opstelling van”, zegt dirigent W. De alten wat meer naar links ja, en de sopranen een beetje naar voren… Gehoorzaam schuifelen we naar de plek waar hij ons hebben wil. “En nu de bassen en de tenoren er om en om achter, zodat je mij kunt zien.” Weer geschuifel, gegrinnik en tenslotte een zucht van W: “Oké, zo moet het nu maar even.” Het is gewoon een repetitie, maar onze dirigent wil het koor toch steeds strak opgesteld voor zich hebben. Dus dit is een terugkerend tafereel, waar volgens mij niemand het nut van inziet, en waarom we W. dus vaak vriendelijk uitlachen.
Dan gaan we aan de slag. Een requiem, waar echt lastige stukken tussen zitten. Sommige akkoorden zijn zó spannend, dat ze in het begin nergens naar klinken. Als na een paar herhalingen dan alles op z’n plek valt, wordt het ineens mooi. En dan roept W. “Ga nu maar allemaal door elkaar staan.” Iedereen komt in beweging en zoekt een andere plek; ik ga tussen een bas en een tenor staan. Nu moet iedereen z’n eigen stem zingen zonder de steun van de eigen stemgroep. Hier hou ik van! En ik ben niet de enige. Je hoort nu beter het geheel en daardoor gaat iedereen meer op elkaar inspelen.
“Ja, het begint te komen,” zegt W. tevreden. Dan bekijkt ie een beetje verbaasd de opstelling die nu ontstaan is. “Nou zitten we iedere keer zó moeilijk te doen over twee nette rijen,” zegt hij, “en als ik dan zeg dat iedereen door elkaar moet staan, wordt het spontaan een kooropstelling!” Maar lang duurt dat niet, want voor het volgende lied gaan we er eerst maar eens bij zitten, want met dit nummer beginnen we vandaag voor het eerst. Daar gaat ie weer: een lastige melodielijn van de bassen wordt apart genomen, een stukje waar de alten niet uitkomen, een moeilijk akkoord oefenen we net zo lang tot het goed zit…
“Met de eeuwigheid verweven,” heet het requiem dat we instuderen. Een ernstige titel voor een ernstig muziekstuk. Maar al zou je het misschien bij zo’n stuk niet denken, er wordt soms behoorlijk hard gelachen tijdens de repetities. Of gegniffeld, als we weer eens op de centimeter precies neergezet worden. En genoten, vooral als we juist helemaal door elkaar staan.
Posts tonen met het label zingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zingen. Alle posts tonen
zondag 9 februari 2020
maandag 14 oktober 2019
Zo kan een koor dus ook klinken
In de St. Martinuskerk in Cuijk zijn de houten banken net zo
oncomfortabel als in andere kerken. Maar de akoestiek in zo’n kerk is dan weer
geweldig. Er is al aardig wat publiek als we binnenkomen, maar we kunnen nog
makkelijk een plaats voorin vinden. Over een kwartier zal het voorprogramma
beginnen: een optreden van het Boxmeers Vocaal Ensemble. En daarna het
Nederlands Kamerkoor.
De Boxmeerse mannen worden geleid door een frêle dirigente.
Ze zingen goed. Op één lied na, waarbij de bassen kennelijk veel moeite hebben
met hun partij. Ze worden ondersteund door een fagot, maar omdat zo’n
instrument niet meegaat als een koor een tikkeltje zakt, wordt het onzuiver.
Hun laatste nummer is een gospel. En deze groep oudere mannen in zwarte pakken
heeft het ritme er lekker in zitten.
Dan neemt het Nederlands Kamerkoor hun plaats in. Twaalf
zangers en zangeressen, ook geheel in het zwart. Ze nemen plaats achter twaalf
muziekstandaards. Zo’n plaatje roept bepaalde clichéverwachtingen op. Een koor.
In een kerk. Plechtige zang, melodieuze akkoorden. We weten echt wel dat hier
iets anders gaat gebeuren, maar zijn toch verrast.
Het eerste lied (van Messiaen) heeft bijzondere
samenklanken. Bij het tweede (van Poulenc) gaat de traditionele koor-opstelling
op de schop. Er zijn geen vier stemgroepen meer, maar onverwachte afwisselingen
van solo’s, twee- en vierstemmige stukjes, vraag- en antwoord. De meest
wonderlijke melodieën vlechten zich door elkaar. Spannend. En het wordt nog
vreemder. Eén van de volgende liederen bestaat uit vreemde klanken, gegil,
gegrom, zacht geneurie en doordringende staccato-uitroepen.
Dan brengt een melodieuze kerkzang weer even rust in de
tent. Een van de koorleden kondigt het volgende lied aan. Opgedragen aan een
aantal mensen met uitheemse namen ‘en nog vele anderen die verdwenen zijn’. Het
begint met een hoge, bijna krijsende roep van een sopraan. Andere stemmen
vallen in. Het is bijna geen zingen meer wat ze doen. Heftige, harde kreten, soms
van een enkele stem, soms van twaalf tegelijk. Afgewisseld met onheilspellende,
lage bromtonen. Hoe langer het doorgaat, hoe beklemmender het wordt. Een
aanklacht tegen onrecht. Indrukwekkend. Ik wil dat het voorbij is en ik wil dat
het doorgaat.
Zo kan een koor dus ook klinken.
Als de laatste tonen van een weer melodieuzer lied zijn weggestorven, krijgt het Nederlands Kamerkoor een staande ovatie. Even later lopen we een beetje confuus de kerk uit. Wát een muziek. Om een tijdje helemaal stil van te zijn.
Als de laatste tonen van een weer melodieuzer lied zijn weggestorven, krijgt het Nederlands Kamerkoor een staande ovatie. Even later lopen we een beetje confuus de kerk uit. Wát een muziek. Om een tijdje helemaal stil van te zijn.
zondag 26 mei 2019
Maasvensters, lentefestival.
We zitten tussen de grafzerken, want dit grasveld was ooit een kerkhof. Nou ja, vlak voor het kerkje, waar we zitten, is eerst een gewoon stuk gras, maar een stukje verderop zien we de graven. De nieuwste zijn uit de jaren zeventig. De oudste onleesbaar, want er is een boom dwars door de steen gegroeid.
Binnen in het kerkje is het koud, dus we zijn blij dat we even naar buiten kunnen. Gekleed in blauw en wit zitten we een beetje te praten, te neuriën en te wachten op de volgende groep die naar ons komt luisteren. Maasvensters heet het lentefestival waar we aan meedoen. We hebben met ons projectkoor een kort programma van vijf liederen over Nijmegen. Ongeveer een kwartier.
Het publiek is in zes groepen verdeeld en zij maken onder leiding van een gids een wandeling in en rond Overasselt, waarbij ze behalve een prachtige omgeving en allerlei speelse natuur-kunst ook een theatervoorstelling tegenkomen, een dansvoorstelling, een ijscoman en muziek. Voor ons betekent deze opzet dat we zes keer ons programma zingen, steeds voor een andere groep.
In de verte zien we een groep mensen aankomen. Voorop loopt een gids met een vlaggetje en dat is voor ons het signaal dat we weer naar binnen moeten. Daar wachten we tot het publiek in de smalle kerkbankjes is geschoven. Dan zingen we voor de derde keer het repertoire. Het gaat steeds soepeler en de kunst is om niet op de automatische piloot te gaan.
De akoestiek is geweldig hier en het publiek ook. Elke groep is enthousiast en twee keer krijgen we zelfs een staande ovatie. Tijd voor toegiften is er niet, behalve die ene keer dat er iemand jarig blijkt te zijn en we gezellig “Lang zal ze leven” inzetten. Na de zesde ronde zijn we allemaal moe, maar heel tevreden.
Met z’n allen gaan we nog even naar de afsluiting, met een band en een drankje. Dan begint het projectkoor uit elkaar te vallen. De een na de ander vertrekt. “Tot ziens, tot de volgende keer,” zeggen we tegen elkaar. Want we zijn dan wel geen vast koor, maar komen elkaar steeds weer tegen bij allerlei projecten. En dat is altijd weer leuk!
Binnen in het kerkje is het koud, dus we zijn blij dat we even naar buiten kunnen. Gekleed in blauw en wit zitten we een beetje te praten, te neuriën en te wachten op de volgende groep die naar ons komt luisteren. Maasvensters heet het lentefestival waar we aan meedoen. We hebben met ons projectkoor een kort programma van vijf liederen over Nijmegen. Ongeveer een kwartier.
Het publiek is in zes groepen verdeeld en zij maken onder leiding van een gids een wandeling in en rond Overasselt, waarbij ze behalve een prachtige omgeving en allerlei speelse natuur-kunst ook een theatervoorstelling tegenkomen, een dansvoorstelling, een ijscoman en muziek. Voor ons betekent deze opzet dat we zes keer ons programma zingen, steeds voor een andere groep.In de verte zien we een groep mensen aankomen. Voorop loopt een gids met een vlaggetje en dat is voor ons het signaal dat we weer naar binnen moeten. Daar wachten we tot het publiek in de smalle kerkbankjes is geschoven. Dan zingen we voor de derde keer het repertoire. Het gaat steeds soepeler en de kunst is om niet op de automatische piloot te gaan.
De akoestiek is geweldig hier en het publiek ook. Elke groep is enthousiast en twee keer krijgen we zelfs een staande ovatie. Tijd voor toegiften is er niet, behalve die ene keer dat er iemand jarig blijkt te zijn en we gezellig “Lang zal ze leven” inzetten. Na de zesde ronde zijn we allemaal moe, maar heel tevreden.
Met z’n allen gaan we nog even naar de afsluiting, met een band en een drankje. Dan begint het projectkoor uit elkaar te vallen. De een na de ander vertrekt. “Tot ziens, tot de volgende keer,” zeggen we tegen elkaar. Want we zijn dan wel geen vast koor, maar komen elkaar steeds weer tegen bij allerlei projecten. En dat is altijd weer leuk!
maandag 26 juni 2017
Carabinieri
Van onder het tentdoek komen we achter het schip vandaan. Een groot, houten schip dat op het gras gebouwd is. Aan twee kanten van de romp is een metalen trap. De helft van ons blijft bij de eerste trap staan en met de anderen loop ik om de achterkant van het schip heen naar de andere trap. Naast die trap stellen we ons op in een rij langs de zijwand. Zes carabinieri: donkerblauwe broeken, zwarte baretten, zwarte jacks en daar overheen feloranje reddingsvesten.
We wachten. Op het schip is de voorstelling nu een uur bezig. Er is een paar duizend liter water in het ruim gelopen, mensen zijn overboord geslagen in de storm. Nog één meisje is er over. Ze herhaalt haperend het recept dat een vriend haar heeft verteld voordat hij wegdreef in het water. “Aardappels … uien…. knoflook …. Haar stem wordt zachter: “en natuurlijk wat olie om alles in te bakken…”
De piano zet in en wij beginnen te zingen terwijl we de trap op lopen. Aan twee kanten stellen we ons achter het publiek op en zingen het lied van de wenende carabinieri. Halverwege het lied draaien we ons om en lopen het schip in – daar moet het meisje uit het water gehesen worden. Een reddingsdeken wordt om haar heen geslagen en zo zingt ze haar laatste lied. Dan nemen we haar mee de boot af en daarmee is de voorstelling afgelopen.
Als projectkoor doen we maar aan een heel klein deel van de voorstelling mee. Dit is de vijfde keer in een weekend en deze laatste keer was wat ons betreft de beste. Samen met de spelers kijken we naast de boot naar het publiek dat nu ook van de trappen af komt. Te weinig publiek jammer genoeg, maar ze zijn steeds onder de indruk.
Mooi om aan zo’n project mee te doen. Over een maand is er weer zo’n weekend met vijf keer ‘Lampedusa’. Hopelijk is het dan mooi weer en komt er meer publiek op af. De voorstelling verdient het.
We wachten. Op het schip is de voorstelling nu een uur bezig. Er is een paar duizend liter water in het ruim gelopen, mensen zijn overboord geslagen in de storm. Nog één meisje is er over. Ze herhaalt haperend het recept dat een vriend haar heeft verteld voordat hij wegdreef in het water. “Aardappels … uien…. knoflook …. Haar stem wordt zachter: “en natuurlijk wat olie om alles in te bakken…”
De piano zet in en wij beginnen te zingen terwijl we de trap op lopen. Aan twee kanten stellen we ons achter het publiek op en zingen het lied van de wenende carabinieri. Halverwege het lied draaien we ons om en lopen het schip in – daar moet het meisje uit het water gehesen worden. Een reddingsdeken wordt om haar heen geslagen en zo zingt ze haar laatste lied. Dan nemen we haar mee de boot af en daarmee is de voorstelling afgelopen.
Als projectkoor doen we maar aan een heel klein deel van de voorstelling mee. Dit is de vijfde keer in een weekend en deze laatste keer was wat ons betreft de beste. Samen met de spelers kijken we naast de boot naar het publiek dat nu ook van de trappen af komt. Te weinig publiek jammer genoeg, maar ze zijn steeds onder de indruk.
Mooi om aan zo’n project mee te doen. Over een maand is er weer zo’n weekend met vijf keer ‘Lampedusa’. Hopelijk is het dan mooi weer en komt er meer publiek op af. De voorstelling verdient het.
zaterdag 17 september 2016
Meedoen aan Prateur 2016
(zie ook Syrische liederen met hindernissen)
“Er komt weer een groep aan. Iedereen op z’n plek!” De jonge acteurs kruipen in de tent op het toneel. Wij, de koorleden, stellen ons op achter een deurtje op de wenteltrap. We horen het publiek binnenkomen. Gepraat, geschuif met stoelen, en na een tijdje valt de stilte van vlak voor de start. In de smalle, warme koker van de wenteltrap staan we te wachten. Er wordt zachtjes nog een beetje gefluisterd, maar als we de eerste woorden van de voorstelling horen, concentreert iedereen zich.
“Jongens, komen!” roept Jenske naar de tent waar hier en daar ledematen uitsteken. “Ik tel tot drie!” Maar iedereen blijft in de tent. Wel komen de koorleden tevoorschijn en pas als we beginnen te zingen, kruipen er aan alle kanten kleurige jonge mensen uit de tent. Zo begint het stuk.
Onze dirigent heeft vandaag een dubbelrol. Omdat de violist zich heeft ziekgemeld, moet hij ook de instrumentale muziek verzorgen waar die niet gemist kan worden. Een half uur voor de voorstelling werden nog koortsachtig de scènes doorgenomen waar hij op een contrabas bij zou spelen. Nu het publiek erbij is, lijkt het vanzelfsprekend dat er op de goede momenten muziek klinkt. Zelf merken we dat een aantal dingen weer moeten wennen. We spelen de korte voorstelling zes keer per avond. Het publiek ziet behalve dit stuk nog vijf andere dingen op verschillende locaties. Soms staat al na een paar minuten de volgende groep voor de deur en soms zit er wat langer tussen.
Na de derde ronde kijken we elkaar tevreden aan. Het begint steeds soepeler te lopen. En na de vierde komt de regisseur ons vertellen dat het prima gaat. Nog een kleine aanwijzing en daar komt alweer een groep publiek. Als de zes voorstellingen van deze avond erop zitten, ruimen we samen snel alle klapstoelen op, want overdag wordt de ruimte voor andere dingen gebruikt. Dan verdwijnt de een na de ander naar buiten. “Tot morgen,” wordt er geroepen. Met een deel van het koor gaan we nog even wat drinken; het is tenslotte vrijdagavond.
Bij een biertje nemen we door wat er allemaal misging en we geven onze dirigent schouderklopjes omdat hij z’n onverwachte rol als muzikant er zo onverschrokken bij nam. Al met al zijn we best tevreden over de avond, al kan het natuurlijk altijd nóg beter. Er komen nog kansen genoeg. Morgen weer zes voorstellingen en volgende week nóg vier avonden. En wie weet wat voor verrassingen díe nog allemaal brengen. Maar nu leunen we even lekker achterover. Wat er morgen gebeurt, zien we dan wel weer.
“Jongens, komen!” roept Jenske naar de tent waar hier en daar ledematen uitsteken. “Ik tel tot drie!” Maar iedereen blijft in de tent. Wel komen de koorleden tevoorschijn en pas als we beginnen te zingen, kruipen er aan alle kanten kleurige jonge mensen uit de tent. Zo begint het stuk.
Onze dirigent heeft vandaag een dubbelrol. Omdat de violist zich heeft ziekgemeld, moet hij ook de instrumentale muziek verzorgen waar die niet gemist kan worden. Een half uur voor de voorstelling werden nog koortsachtig de scènes doorgenomen waar hij op een contrabas bij zou spelen. Nu het publiek erbij is, lijkt het vanzelfsprekend dat er op de goede momenten muziek klinkt. Zelf merken we dat een aantal dingen weer moeten wennen. We spelen de korte voorstelling zes keer per avond. Het publiek ziet behalve dit stuk nog vijf andere dingen op verschillende locaties. Soms staat al na een paar minuten de volgende groep voor de deur en soms zit er wat langer tussen.
Na de derde ronde kijken we elkaar tevreden aan. Het begint steeds soepeler te lopen. En na de vierde komt de regisseur ons vertellen dat het prima gaat. Nog een kleine aanwijzing en daar komt alweer een groep publiek. Als de zes voorstellingen van deze avond erop zitten, ruimen we samen snel alle klapstoelen op, want overdag wordt de ruimte voor andere dingen gebruikt. Dan verdwijnt de een na de ander naar buiten. “Tot morgen,” wordt er geroepen. Met een deel van het koor gaan we nog even wat drinken; het is tenslotte vrijdagavond.
Bij een biertje nemen we door wat er allemaal misging en we geven onze dirigent schouderklopjes omdat hij z’n onverwachte rol als muzikant er zo onverschrokken bij nam. Al met al zijn we best tevreden over de avond, al kan het natuurlijk altijd nóg beter. Er komen nog kansen genoeg. Morgen weer zes voorstellingen en volgende week nóg vier avonden. En wie weet wat voor verrassingen díe nog allemaal brengen. Maar nu leunen we even lekker achterover. Wat er morgen gebeurt, zien we dan wel weer.
zaterdag 10 september 2016
Syrische liederen met hindernissen
“A ya zein, a ya zein el agibeen”
De melodie van het Arabische liefdesliedje is niet zo moeilijk, maar die tekst, uit je hoofd, dat valt niet mee. Maar ons projectkoor staat voor niets. Iedereen heeft z’n huiswerk goed gedaan en de eerste avond dat we met elkaar het nieuwe project doorzongen, klonken de drie Syrische melodieën na een ruim uur al best goed.
We doen mee met Prateur (2016), twee series voorstellingen in Nijmegen ‘die de oude stad met de nieuwe stad verbinden’. Het publiek gaat per avond langs zes locaties en ziet daar steeds een andere, korte voorstelling. Vandaag doen we een doorloop van ‘ons’ stuk, samen met de acteurs en de twee regisseurs. Er zijn minder acteurs dan eigenlijk de bedoeling was, want, zo vertelt regisseur Khadiye , een aantal asielzoekers die meededen is plotseling verplaatst naar een AZC in Den Helder. Ja, zo kun je dus ineens uit de theaterproductie verdwijnen…
We druppelen binnen in het zaaltje waar we oefenen en als iedereen binnen is, legt Khadiye uit wat er in de eerste scène gebeurt en hoe het koor daarin moet gaan passen. Op een bepaald moment moeten we ons over de ruimte verspreiden en dan zingen we ons eerste lied. We doen het een paar keer en dan komen er wat regieaanwijzingen bij. Als de acteurs druk heen en weer lopen, zou het mooi zijn als het koor ook beweegt: let op de acteurs en ruil op dít moment met iemand anders van plek.
In een volgende scène wordt ons gevraagd om samen met de acteurs een dicht blok te vormen en halverwege het lied dat we zingen achteruit te lopen, los van hen, om al doorzingend ergens anders een eigen blok te vormen.
Het zijn eenvoudige opdrachten, maar ik merk dat het erg lastig is om een lied te zingen dat toch nog vrij nieuw is en tegelijkertijd andere dingen te doen. Net als veel koorgenoten raak ik onderweg de draad kwijt en smokkel vaag neuriënd hele stukken van het lied.
Zo krijgt elk van onze drie liederen een aantal hindernissen en terwijl we braaf de regieaanwijzingen volgen, worstelen we met onze partijen. In de korte pauze die we tenslotte krijgen, nemen de meeste koorleden wanhopig hun bladmuziek erbij om nog eens goed te kijken wat er allemaal misging. Ik vraag me af waar ik aan begonnen ben. Deze voorstelling gaan we acht avonden zes keer per avond doen. Wordt dat een beetje de moeite waard?
Terwijl we pauzeren, komt er iemand binnen die door alle acteurs hartelijk omhelsd wordt. Het is een van de asielzoekers die helemaal uit Den Helder hierheen is gekomen. Hij zou vioolspelen in het stuk en is vastbesloten om dat dan ook te gaan doen. Na de pauze voegt hij zich bij de acteurs. Bij een laatste, complete doorloop gaat het zingen weer beter dan tijdens de losse stukjes daarvoor. Ik krijg weer moed. Als we allemaal thuis de boel nog eens doornemen, komt het vast wel goed.
De sessie is afgelopen en ik sta klaar om weg te gaan. Naast me staat Khadiye aan iemand te vertellen dat de violist misschien mee kan doen en dan het beste een paar weken in de buurt kan logeren. Voor ik het weet hoor ik mezelf vragen of het een probleem is om een logeeradres te vinden en zeggen dat ik ruimte genoeg heb. ‘Ik moet het wel voor alle zekerheid even thuis overleggen,’ zeg ik er vlug achteraan. Khadiye reageert blij verrast en we wisselen telefoonnummers uit.
Onderweg naar huis hoop ik dat H. het geen slecht idee vindt om twee weken een onbekende Syriër in huis te hebben. Maar hij vindt het prima.
Dus als ze het rondkrijgen met het AZC in Den Helder, hebben we mogelijk binnenkort een tijdje een uitheemse huisgenoot. Meedoen aan een zangproject kan tot allerlei onverwachte dingen leiden.
(Het logeren ging niet door omdat de violist ook bij iemand in de stad terecht kon, wat handiger was. Maar onverwachte dingen waren er nog volop in het hele traject)
De melodie van het Arabische liefdesliedje is niet zo moeilijk, maar die tekst, uit je hoofd, dat valt niet mee. Maar ons projectkoor staat voor niets. Iedereen heeft z’n huiswerk goed gedaan en de eerste avond dat we met elkaar het nieuwe project doorzongen, klonken de drie Syrische melodieën na een ruim uur al best goed.
We doen mee met Prateur (2016), twee series voorstellingen in Nijmegen ‘die de oude stad met de nieuwe stad verbinden’. Het publiek gaat per avond langs zes locaties en ziet daar steeds een andere, korte voorstelling. Vandaag doen we een doorloop van ‘ons’ stuk, samen met de acteurs en de twee regisseurs. Er zijn minder acteurs dan eigenlijk de bedoeling was, want, zo vertelt regisseur Khadiye , een aantal asielzoekers die meededen is plotseling verplaatst naar een AZC in Den Helder. Ja, zo kun je dus ineens uit de theaterproductie verdwijnen…
We druppelen binnen in het zaaltje waar we oefenen en als iedereen binnen is, legt Khadiye uit wat er in de eerste scène gebeurt en hoe het koor daarin moet gaan passen. Op een bepaald moment moeten we ons over de ruimte verspreiden en dan zingen we ons eerste lied. We doen het een paar keer en dan komen er wat regieaanwijzingen bij. Als de acteurs druk heen en weer lopen, zou het mooi zijn als het koor ook beweegt: let op de acteurs en ruil op dít moment met iemand anders van plek.
In een volgende scène wordt ons gevraagd om samen met de acteurs een dicht blok te vormen en halverwege het lied dat we zingen achteruit te lopen, los van hen, om al doorzingend ergens anders een eigen blok te vormen.
Het zijn eenvoudige opdrachten, maar ik merk dat het erg lastig is om een lied te zingen dat toch nog vrij nieuw is en tegelijkertijd andere dingen te doen. Net als veel koorgenoten raak ik onderweg de draad kwijt en smokkel vaag neuriënd hele stukken van het lied.
Zo krijgt elk van onze drie liederen een aantal hindernissen en terwijl we braaf de regieaanwijzingen volgen, worstelen we met onze partijen. In de korte pauze die we tenslotte krijgen, nemen de meeste koorleden wanhopig hun bladmuziek erbij om nog eens goed te kijken wat er allemaal misging. Ik vraag me af waar ik aan begonnen ben. Deze voorstelling gaan we acht avonden zes keer per avond doen. Wordt dat een beetje de moeite waard?
Terwijl we pauzeren, komt er iemand binnen die door alle acteurs hartelijk omhelsd wordt. Het is een van de asielzoekers die helemaal uit Den Helder hierheen is gekomen. Hij zou vioolspelen in het stuk en is vastbesloten om dat dan ook te gaan doen. Na de pauze voegt hij zich bij de acteurs. Bij een laatste, complete doorloop gaat het zingen weer beter dan tijdens de losse stukjes daarvoor. Ik krijg weer moed. Als we allemaal thuis de boel nog eens doornemen, komt het vast wel goed.
De sessie is afgelopen en ik sta klaar om weg te gaan. Naast me staat Khadiye aan iemand te vertellen dat de violist misschien mee kan doen en dan het beste een paar weken in de buurt kan logeren. Voor ik het weet hoor ik mezelf vragen of het een probleem is om een logeeradres te vinden en zeggen dat ik ruimte genoeg heb. ‘Ik moet het wel voor alle zekerheid even thuis overleggen,’ zeg ik er vlug achteraan. Khadiye reageert blij verrast en we wisselen telefoonnummers uit.
Onderweg naar huis hoop ik dat H. het geen slecht idee vindt om twee weken een onbekende Syriër in huis te hebben. Maar hij vindt het prima.
Dus als ze het rondkrijgen met het AZC in Den Helder, hebben we mogelijk binnenkort een tijdje een uitheemse huisgenoot. Meedoen aan een zangproject kan tot allerlei onverwachte dingen leiden.
(Het logeren ging niet door omdat de violist ook bij iemand in de stad terecht kon, wat handiger was. Maar onverwachte dingen waren er nog volop in het hele traject)
zaterdag 2 april 2016
Zingen maakt gelukkig
‘Zingen maakt gelukkig’. Dat was de kop van een groot
artikel in een NRC bijlage vlak voor Pasen. Eén komma zeven miljoen
Nederlanders blijken lid te zijn van een koor. Daarmee zijn we het op één na ‘koordichtste’
land van Europa. Alleen in Oostenrijk hebben ze nóg meer koorzangers.
Sjonge, niet erg origineel dus, om in een koor te zingen. Maar dat maakt het niet minder leuk.
Sjonge, niet erg origineel dus, om in een koor te zingen. Maar dat maakt het niet minder leuk.
Ik ben op het moment geen lid van een vast koor, maar doe
regelmatig mee aan projectkoren. Het leuke is, dat ik me altijd meteen thuis
voel in zo’n groep. Meestal ken ik wel een deel van de mensen, maar een deel is
ook altijd nieuw voor me. Je moet in zo’n koor even je plek vinden en met z’n
allen zoeken naar het koorgeluid dat je maakt.
Het afgelopen kwartaal was het project ‘Absalom’. Met een
koor van 22 zangers en zangeressen, een blazersensemble en vier solisten doen
we drie keer een optreden. Het is een pittig programma met een paar echt
moeilijke nummers. Het is de bedoeling om thuis alvast flink te studeren. Ik
hou ervan hoe al tijdens een eerste repetitie sommige liederen vorm beginnen te
krijgen en hoe de moeilijkste stukken van een geluidsbrij groeien naar een
mooie uitvoering.
Tien zondagavonden en een hele zaterdag hadden we om te
oefenen. Het was aan de krappe kant. De eerste keer dat we koor, solisten en
blazers allemaal bij elkaar hadden, was zelfs pas vlak voor de eerste
uitvoering op goede vrijdag. Bij een doorloop van het programma was er nog veel
verwarring over wie wanneer waar moest staan of zitten en ik kon me niet
voorstellen dat alles goed zou komen.
Maar dat gebeurde wel. In een grote kerk vol publiek ging
het allemaal met een soort vanzelfsprekendheid die je pas krijgt als het
allemaal voor echt is. ‘Zingen maakt gelukkig’. Het is waar. En luisteren naar
vier solisten en een blazersensemble - op de momenten dat je zelf niet zingt - ook. Moet je nagaan wat een geluk daar in
de Dominicuskerk in Nijmegen heerste op die goede vrijdag.
Gisteravond (1 april) was de tweede uitvoering, die nog
beter ging dan de eerste en morgen mogen we nog een keer. Daarna is het project
afgelopen. Maar als gelukzoeker ga ik zeker op zoek naar nieuwe projecten, want
samen met al die 1,7 miljoen andere koorzangers, ben ik wel een beetje
verslaafd aan zingen.
zaterdag 6 september 2014
Theaterstuk van achter de coulissen
(Vrijdag 4 september)
De Mariënburgkapel staat op een centrale plek in Nijmegen.
Vlak naast de bioscoop, midden op een plein dat aan winkelstraten grenst. Ik
ben er vaak genoeg langs gekomen, maar van binnen had ik de kerk nog nooit
gezien.
Het is geen stille, gewijde plek waar we binnenkomen. De hoge ruimte
galmt van de bedrijvigheid en staat vol vreemde attributen. Lange tafels vol
pruiken en sieraden, kledingrekken met 17e eeuwse japonnen en jassen.
En als je daar langs gelopen bent, zie je een provisorische toneelvloer van ruwe planken, met ervoor een halve circel van zo’n 70 klapstoelen. Maar wij
moeten boven zijn. In de lange muur tegenover de ingang zit een donker gat,
waarachter een smalle, stenen wenteltrap naar boven leidt. Hakkelige treden,
geen leuning, weinig licht.
Voorzichtig klim ik tussen mijn koorgenoten naar
boven. Voor hen is de ruimte bekend. Ze hebben hier vorig jaar ook gezongen in
het Prateur project, waar ik ook aan mee zou doen. Een gebroken heup gooide
roet in het eten. Maar nu er een reprise van het project komt, kan ik wél
meedoen. Ik ken tenslotte het hele repertoire.
Boven lijkt het op een bouwput. Over een ongelijke, stoffige vloer van
ruwe keien ligt hier en daar een plank. Ook hier liggen allerlei attributen.
Kragen, sjaaltjes, rare hoeden en zonnebrillen. De kragen moeten we om, wat in
combinatie met onze volledig zwarte kleding een soort Middeleeuws effect geeft.
We zoeken allemaal een plekje op de ongelijke vloer om eerst maar eens in te
zingen.
Vijf nummer zingen we, verspreid door de toneelvoorstelling. De eerste
vanaf de verdieping waar we nu staan, die aan één kant eindigt in een
balustrade. We staan daarop achter de toneelvloer die voor een groot deel aan
het oog onttrokken wordt door een hoog schot, waarachter de acteurs zich kunnen
terugtrekken. Daar zitten ook vier dansers te wachten op hun scènes. Vandaag is
de doorloop van het stuk, gevolgd door een proefuitvoering met een klein
publiek van betrokkenen.
Het is een hectische avond. Van de regisseur krijgen
we aanwijzingen over wanneer, waar en hoe. Behalve dat we zingen, hebben we als
koor een rol in het theaterstuk. “Als jullie vanaf het balkon naar deze scène
staan te kijken, kunnen jullie dan wat meer zo opzij leunen alsof je
nieuwsgierig àlles wilt zien… dat ziet er meer betrokken uit; leuker voor het
publiek.” Ik merk dat ik de teksten, die ik zo goed uit m’n hoofd kende, ineens
helemaal kwijt ben. Maar dat went wel. Bij de proefuitvoering gaat het al
beter. Het is grappig om alles van achter de coulissen mee te maken. De acteurs
die met veel kabaal de toneelvloer af stampen en uit zicht van het publiek
ineens stil vallen en wachten op hun volgende opkomst. De dansers die zich in
hun fraaie kostuums hijsen en daarmee in hun rol als bekakt Parijs
dansgezelschap. Als het stuk afgelopen
is en de regisseur een afrondende toespraak heeft gehouden, leggen we onze
Middeleeuwse kragen af en loopt de kapel leeg. “Dag, tot morgen”, zeggen we
tegen elkaar, want morgen is de échte première. En daarna komen er nóg acht
uitvoeringen van “De waar gebeurde geschiedenis van Nijmegen tussen 1672 en
2114. In de Mariënburgkapel in Nijmegen.
Komt dat zien!
zaterdag 24 november 2012
Hoe je leert om met je stem over een orkest heen te komen
Met z’n twaalven verdringen we ons voor de spiegelwand. Monden wijd open, ingespannen turend in eigen of andermans keel.
“Aaaaa, ngngaaaa.”
“Ik zie het niet hoor.”
“Wat moet je doen? Gapen en dan tegelijk lachen?”
De cursus EVTS(Estill Voice Training System) is leerzaam en hilarisch. Het gaat er kort gezegd om dat je je stem als instrument leert kennen en gebruiken. Vandaag leren we hoe je je huig, of eigenlijk je gehemelte, moet optrekken. Het hoort bij één van de technieken om je (zang)stem te beheersen.
Onze enthousiaste docente A. heeft een uitgebreid repertoire aan aanwijzingen, trucjes en oefeningen. Daarmee leren we spiertjes te gebruiken waarvan we niet wisten dat we ze hadden.
Het ene moment vertellen we elkaar in een zo neuzig mogelijk nepgronings onze namen en adressen. Het andere moment proberen we te lachen als een gemene heks. En nu staan we voor de spiegel om te leren ‘kwispelen’ met de huig. Allemaal voorbereidingen om straks ‘twang’ te kunnen gebruiken; een manier van zingen waarmee je een orkest moet kunnen overstemmen.
De docente demonstreert het: “eeeeeyeyeeee”.. Een stevig, doordringend geluid. Zover zijn we nog lang niet allemaal. Maar als we aan het eind van de les om de piano staan, en we proberen zingend uit wat we geleerd hebben, klinkt het niet gek. Laag en opera-achtig, snerpend en hekserig, zacht en beheerst, en dan een beetje van alles door elkaar.
“Jullie klinken als een koor dat al jaren samen zingt!” roept A. blij. En dat terwijl we elkaar pas twee keer hebben gezien.
Even later is de les afgelopen. We stommelen door het smalle gangetje naar buiten. “Tot volgende weeeeeek”, zingt A. met een operastem. “Jaaa, tot ziens”, klinkt het overdreven nasaal terug. Alle gekke stemoefeningen zijn terug te horen als we elkaar dag zeggen.
Leuke cursus. Zachtjes neuriënd loop ik de deur uit. En eenmaal in de beslotenheid van m’n auto begin ik alvast met het oefenen van mijn gemeenste heksenlach.
“Aaaaa, ngngaaaa.”
“Ik zie het niet hoor.”
“Wat moet je doen? Gapen en dan tegelijk lachen?”
De cursus EVTS(Estill Voice Training System) is leerzaam en hilarisch. Het gaat er kort gezegd om dat je je stem als instrument leert kennen en gebruiken. Vandaag leren we hoe je je huig, of eigenlijk je gehemelte, moet optrekken. Het hoort bij één van de technieken om je (zang)stem te beheersen.
Onze enthousiaste docente A. heeft een uitgebreid repertoire aan aanwijzingen, trucjes en oefeningen. Daarmee leren we spiertjes te gebruiken waarvan we niet wisten dat we ze hadden.
Het ene moment vertellen we elkaar in een zo neuzig mogelijk nepgronings onze namen en adressen. Het andere moment proberen we te lachen als een gemene heks. En nu staan we voor de spiegel om te leren ‘kwispelen’ met de huig. Allemaal voorbereidingen om straks ‘twang’ te kunnen gebruiken; een manier van zingen waarmee je een orkest moet kunnen overstemmen.
De docente demonstreert het: “eeeeeyeyeeee”.. Een stevig, doordringend geluid. Zover zijn we nog lang niet allemaal. Maar als we aan het eind van de les om de piano staan, en we proberen zingend uit wat we geleerd hebben, klinkt het niet gek. Laag en opera-achtig, snerpend en hekserig, zacht en beheerst, en dan een beetje van alles door elkaar.
“Jullie klinken als een koor dat al jaren samen zingt!” roept A. blij. En dat terwijl we elkaar pas twee keer hebben gezien.
Even later is de les afgelopen. We stommelen door het smalle gangetje naar buiten. “Tot volgende weeeeeek”, zingt A. met een operastem. “Jaaa, tot ziens”, klinkt het overdreven nasaal terug. Alle gekke stemoefeningen zijn terug te horen als we elkaar dag zeggen.
Leuke cursus. Zachtjes neuriënd loop ik de deur uit. En eenmaal in de beslotenheid van m’n auto begin ik alvast met het oefenen van mijn gemeenste heksenlach.
zaterdag 11 juni 2011
Toegift
De eerste keer dat we met ons projectkoor optreden met het programma van dit seizoen is spannend. Onderweg merkten we al dat de geplande repetitie-avonden nauwelijks genoeg zouden zijn voor het behoorlijk lastige repertoire. Wegens ziekte van de dirigent viel er ook nog een repetitie af en vooral die dirigent maakte zich duidelijk zorgen over ons optreden.
We zijn er ruim van tevoren en hij jaagt ons nog eens door alle moeilijke nummers. Als uitsmijter hebben we een quasi klassieke bewerking van het kinderliedje De Mosselman. Leuk om te zingen, maar niet makkelijk. “We doen em alleen als het goed gaat en het publiek enthousiast is”, besluit de dirigent en dan is het tijd om uit de coulissen te komen.
Verano Porteňo, een tango van Piazolla, is ons eerste nummer. Onze stemmen zijn de instrumenten. Het is ons in de repetities nooit gebeurd, maar nu slaat één stemgroep een herhaling over en dreigt het lied helemaal te ontsporen. De dirigent geeft met hart en ziel en veel mimiek aan waar het heen moet en na een paar scheve maten zijn we weer allemaal met hetzelfde bezig. Maar het hele koor is er een beetje onzeker geworden. In de volgende nummers gaat dan ook van alles mis.
Als het laatste lied gezongen is, klapt het publiek voor ons. We buigen en lopen in een rij het podium af. De lichaamstaal van onze dirigent is duidelijk: die toegift zit er niet in vandaag. Dan zien we door de open deur achter ons, dat het publiek is gaan staan. Ze blijven uitbundig klappen tot we terugkomen en tóch de toegift zingen. We doen het met groot enthousiasme en het levert nog een keer een warm applaus op.
Volgende week zingen we dit programma nog eens voor een ander publiek. De dirigent drukt ons op het hart om sommige moeilijke passages thuis nog eens extra door te nemen. We hebben die staande ovatie volgens hem bepaald niet verdiend. Maar het was toch wel fijn om te merken dat we ondanks de foutjes met z’n allen toch wel heel mooi klinken. De volgende keer gaat het dak er af.
We zijn er ruim van tevoren en hij jaagt ons nog eens door alle moeilijke nummers. Als uitsmijter hebben we een quasi klassieke bewerking van het kinderliedje De Mosselman. Leuk om te zingen, maar niet makkelijk. “We doen em alleen als het goed gaat en het publiek enthousiast is”, besluit de dirigent en dan is het tijd om uit de coulissen te komen.
Verano Porteňo, een tango van Piazolla, is ons eerste nummer. Onze stemmen zijn de instrumenten. Het is ons in de repetities nooit gebeurd, maar nu slaat één stemgroep een herhaling over en dreigt het lied helemaal te ontsporen. De dirigent geeft met hart en ziel en veel mimiek aan waar het heen moet en na een paar scheve maten zijn we weer allemaal met hetzelfde bezig. Maar het hele koor is er een beetje onzeker geworden. In de volgende nummers gaat dan ook van alles mis.
Als het laatste lied gezongen is, klapt het publiek voor ons. We buigen en lopen in een rij het podium af. De lichaamstaal van onze dirigent is duidelijk: die toegift zit er niet in vandaag. Dan zien we door de open deur achter ons, dat het publiek is gaan staan. Ze blijven uitbundig klappen tot we terugkomen en tóch de toegift zingen. We doen het met groot enthousiasme en het levert nog een keer een warm applaus op.
Volgende week zingen we dit programma nog eens voor een ander publiek. De dirigent drukt ons op het hart om sommige moeilijke passages thuis nog eens extra door te nemen. We hebben die staande ovatie volgens hem bepaald niet verdiend. Maar het was toch wel fijn om te merken dat we ondanks de foutjes met z’n allen toch wel heel mooi klinken. De volgende keer gaat het dak er af.
zondag 23 januari 2011
Zingen
Na een seizoen zingen met vier vrouwen hebben we dit jaar weer genoeg deelnemers bij elkaar voor een groter projectkoor. Twee keer hebben we nu geoefend en het is heerlijk.
Een vrouwenkwartet is leuk, maar nu we weer het volle geluid van een gemengd koor hebben, merken we alle vier dat we de mannenstemmen toch wel misten.
En, heel praktisch, met zo’n grotere groep kun je het betalen om elke repetitie met een dirigent te werken. Met z’n vieren oefenden we twee op de drie keer zelfstandig.
Op het repertoire staat een tango van Piazolla: Verano Porteño. Een instrumentaal stuk dat we a capella op klanken zingen. Het is ingewikkeld, maar omdat iedereen thuis stevig oefent (dat is tenminste de bedoeling) begint het in de tweede repetitie al een beetje vorm te krijgen.
We oefenen bloedig op de schurende dissonanten en als dat stuk goed gaat, doen we het voor de lol nog twee keer. Dan komt er een stukje schmieren waar de alten zich vol overgave uitleven. Klinkt nergens naar, maar het is wel even lekker. Voor we het weten is het al tijd voor een korte pauze, en dan pakken we nog even een paar makkelijke nummers bij de kop.
Blij constateren we dat we al na twee avonden als een samenhangend koor beginnen te klinken. Mooi!
De avond is zo om. Het huiswerk wordt opgegeven en de stoelen weggezet. Over twee weken zingen we weer. En in juni treden we op. Spannend, maar met deze groep heb ik er alle vertrouwen in.
Een vrouwenkwartet is leuk, maar nu we weer het volle geluid van een gemengd koor hebben, merken we alle vier dat we de mannenstemmen toch wel misten.
En, heel praktisch, met zo’n grotere groep kun je het betalen om elke repetitie met een dirigent te werken. Met z’n vieren oefenden we twee op de drie keer zelfstandig.
Op het repertoire staat een tango van Piazolla: Verano Porteño. Een instrumentaal stuk dat we a capella op klanken zingen. Het is ingewikkeld, maar omdat iedereen thuis stevig oefent (dat is tenminste de bedoeling) begint het in de tweede repetitie al een beetje vorm te krijgen.
We oefenen bloedig op de schurende dissonanten en als dat stuk goed gaat, doen we het voor de lol nog twee keer. Dan komt er een stukje schmieren waar de alten zich vol overgave uitleven. Klinkt nergens naar, maar het is wel even lekker. Voor we het weten is het al tijd voor een korte pauze, en dan pakken we nog even een paar makkelijke nummers bij de kop.
Blij constateren we dat we al na twee avonden als een samenhangend koor beginnen te klinken. Mooi!
De avond is zo om. Het huiswerk wordt opgegeven en de stoelen weggezet. Over twee weken zingen we weer. En in juni treden we op. Spannend, maar met deze groep heb ik er alle vertrouwen in.
dinsdag 15 september 2009
Beethoven
Met ons projektkoor zongen we op uitnodiging in een kleine kerk, als afsluiting van een speciale kerkdienst. Nou zijn we bepaald geen kerkkoor, maar dat was geen probleem. De organisatoren wisten wat ze in huis haalden.
Wel vroegen ze ons om extra goed te articuleren, ter wille van de wat oudere kerkleden.
Vlak voor ons optreden herinnerde de dirigent ons aan deze opdracht. “Laat je niet ontmoedigen”, zei hij verder, “dit publiek reageert misschien niet al te enthousiast, het zijn wat oudere mensen, een kerkgemeente… het kan zijn dat ze sommige nummers wat minder waarderen.”
We wisten wat hij bedoelde: een niet-liefdeslied met onparlementaire taal, een parodie-gospel en de s/m solo van C., op de melodie van “Für Elise”.
“Laat jij dat articuleren nou maar zitten”, grinnikten we tegen C. “Gewoon een beetje mompelen, dan denken ze: “ O, dat is Beethoven, mooi!”
We besloten dat we gewoon lekker ons programma zouden zingen, of het nou leuk gevonden werd of niet.
Dat deden we. En al snel hadden we in de gaten dat deze kerkgangers een alert en gul publiek waren. Een verdwaalde “verdomme” leverde nauwelijks gefrons op, om het gespeel met gospels werd vrolijk gelachen en toen C. twee zinnen “Für Elise” had gezongen, zagen we twee grijze dames achterin elkaar proestend aanstoten.
“Lamelamelame nou maar los. Het was heel fijn hoor, daar niet van, maar
Lamelamelame nou maar los. Want zoveel pijn is overdone.
‘k Hou van een klap en van een kneep, ik hou van leer, en van een zweep, maar
Lamelamelame nou maar gaan, ik kan niet lopen meer of staan.” (…)
We zongen met flair ons hele programma en kregen aan het eind bloemen en een staande ovatie. Toen we tevreden onze spullen bij elkaar zochten, kwam een van de organisatoren vertellen dat ze erg genoten had.
“En jij!” Ze wees op C. “Hoe je met zo’n uitgestreken gezicht zulke vréselijke dingen kunt zingen… “ Ze schaterde. “En de vrouwen naast me vroegen aan elkaar: ‘wat zingt ze nou?’en ik dacht: dat wil je helemaal niet weten!”
De kerkgemeente houdt ons koor in de gaten. Als we volgend jaar een nieuw programma hebben, willen ze ons graag weer hebben. En wij zijn wel geen kerkkoor, maar in dit kerkje komen we met plezier nog een keer zingen.
Wel vroegen ze ons om extra goed te articuleren, ter wille van de wat oudere kerkleden.
Vlak voor ons optreden herinnerde de dirigent ons aan deze opdracht. “Laat je niet ontmoedigen”, zei hij verder, “dit publiek reageert misschien niet al te enthousiast, het zijn wat oudere mensen, een kerkgemeente… het kan zijn dat ze sommige nummers wat minder waarderen.”
We wisten wat hij bedoelde: een niet-liefdeslied met onparlementaire taal, een parodie-gospel en de s/m solo van C., op de melodie van “Für Elise”.
“Laat jij dat articuleren nou maar zitten”, grinnikten we tegen C. “Gewoon een beetje mompelen, dan denken ze: “ O, dat is Beethoven, mooi!”
We besloten dat we gewoon lekker ons programma zouden zingen, of het nou leuk gevonden werd of niet.
Dat deden we. En al snel hadden we in de gaten dat deze kerkgangers een alert en gul publiek waren. Een verdwaalde “verdomme” leverde nauwelijks gefrons op, om het gespeel met gospels werd vrolijk gelachen en toen C. twee zinnen “Für Elise” had gezongen, zagen we twee grijze dames achterin elkaar proestend aanstoten.
“Lamelamelame nou maar los. Het was heel fijn hoor, daar niet van, maar
Lamelamelame nou maar los. Want zoveel pijn is overdone.
‘k Hou van een klap en van een kneep, ik hou van leer, en van een zweep, maar
Lamelamelame nou maar gaan, ik kan niet lopen meer of staan.” (…)
We zongen met flair ons hele programma en kregen aan het eind bloemen en een staande ovatie. Toen we tevreden onze spullen bij elkaar zochten, kwam een van de organisatoren vertellen dat ze erg genoten had.
“En jij!” Ze wees op C. “Hoe je met zo’n uitgestreken gezicht zulke vréselijke dingen kunt zingen… “ Ze schaterde. “En de vrouwen naast me vroegen aan elkaar: ‘wat zingt ze nou?’en ik dacht: dat wil je helemaal niet weten!”
De kerkgemeente houdt ons koor in de gaten. Als we volgend jaar een nieuw programma hebben, willen ze ons graag weer hebben. En wij zijn wel geen kerkkoor, maar in dit kerkje komen we met plezier nog een keer zingen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Wie gebruikt er nou niet z'n Vensterrecht
Na twee weken vakantie in Duitsland zijn de paprika's en de tomaten in de achtertuin rijp en rood. Best fijn om weer thuis te zijn, na e...
-
Er ligt een klein, hemelsblauw eitje in de tuin. Helemaal gaaf ligt het op een onbegroeid stukje grond. Mijn eerste opwelling is, het op e...
-
Het is ongeveer 10 kilometer fietsen naar Sanguin en voor alle zekerheid doe ik een regenjas aan. Als ik er bijna ben, begint het zachtjes...
-
Mijn zoon krijgt zijn bul. We schrikken een beetje van de datum want het is kort dag en voor ons allebei een onhandige dag om vrij te nem...









