Posts tonen met het label Japan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Japan. Alle posts tonen

woensdag 24 april 2019

Haori

Mijn zoon J. is in het bezit van een Japans jasje. Hij kreeg het in ruil voor een pak (of was het een blikje?) koffie toen hij een paar maanden in Japan was. De eigenaar wilde het achterlaten toen hij niet genoeg ruimte in z’n koffer had om het mee te nemen. Het is een eenvoudig ding van soepele stof, met een bescheiden wit-grijs dessin en kimono-achtige mouwen. Hij draagt het thuis, als het niet koud genoeg is voor een hoodie.

Maar nu beginnen er op allerlei plaatsen naden los te laten en gaat het er een beetje groezelig uitzien. Ik bedacht dat het niet al te moeilijk moet zijn om het na te maken.
“Zou je het leuk vinden als ik een nieuw jasje voor je maak van hetzelfde model?” vraag ik aan J.
Hij denkt even na en zegt verrassend:
“Alleen als ik er zelf bij kan helpen.”
Dat lijkt me wel een leuk project. Maar eerst moet ik gaan uitzoeken hoe het precies in elkaar zit.



Ik leg het jasje op tafel en ga met een meetlint aan de slag. Ik maak een mini-patroon op schaal om het eerst eens met een klein stukje stof uit te proberen. Een avondje puzzelen levert een schattig, klein jasje op.
Intussen heb ik opgezocht dat het een haori is. De mannenvariant is bedoeld om over een kimono heen te dragen.

J. is naar zijn kamer in Leiden vertrokken en is druk met de laatste loodjes van zijn studie. Voorlopig zal het er niet van komen om samen achter de naaimachine te gaan zitten. Maar weet je wat? Als ik het patroon een stukje verleng, kan ik eerst voor mezelf een haori maken om als ochtendjas te gebruiken. Dan kan ik meteen nog een andere werkvolgorde uitproberen die misschien handiger is.

Op woensdagmorgen koop ik alvast een lap soepele katoen...
Binnenkort kan ik  in het weekend ’s morgens in mijn haori ontbijten voordat ik me aankleed. Ik zie em zo voor me. Alleen nog even maken.

zaterdag 6 januari 2018

Karuta


Een jaar of tien geleden hadden we een week lang twee Japanse jongens in huis. Ze kwamen in het kader van een uitwisselingsprogramma met de middelbare school van onze zoon. Helaas was de uitwisseling tamelijk eenzijdig van aard, maar we gaven ons natuurlijk toch enthousiast op als gastgezin.

De twee waren een jaar of veertien en zo verschillend als je maar kunt bedenken. De ene was atletisch, extravert en populair in de groep. Hij stond ’s morgens om zes uur op om voor het ontbijt nog een stukje te gaan hardlopen. De andere jongen was onzeker, verlegen en onhandig. Beleefd waren ze allebei en ze gedroegen zich keurig.

We waren op school geïnstrueerd over mogelijke misverstanden door cultuurverschillen. De gasten zouden kadootjes meebrengen, werd ons op die informatie-avond verteld. Gebruikelijk was het om die in ontvangst te nemen en pas later uit te pakken. Maar ook tien jaar geleden al had internet een bres geslagen in de afgesloten cultuur van Japan. De jongens bleken meer van Europese gewoontes te weten dan de school dacht.

Ze hadden vertaalmachientjes bij zich, waardoor we in het Engels konden overleggen en ze vonden het leuk als we de kadootjes meteen uitpakten. De stille Taka overhandigde ons ook een brief van zijn moeder. Een ontroerend briefje in het Engels, waarin ze ons vroeg om goed voor haar zoon te zorgen. Zijn vader was overleden en ze woonden met z’n tweeën. Hij was duidelijk haar alles.
De week was zó voorbij. De jongens hadden een druk programma op school. Ze kwamen eten en slapen en af en toe brachten we ze ergens naartoe. Op de afsluitende avond waren er optredens voor de gastgezinnen. Onze extraverte gastzoon deed mee aan een stoere dans. Taka liet zien hoe hij binnen een halve minuut een kraanvogel kon vouwen.

De stille veertienjarige Taka is inmiddels een volwassen man, maar nog steeds krijgen we ieder jaar rond kerst een pakje uit Japan. Meestal zit er een mooie kalender in. Dit jaar kregen we een pakketje waar een gedichtenbundeltje in zat en een doosje kleurige kaartjes met Japanse tekens. Mijn zoon J. (die afgelopen zomer zijn bachelor Japans haalde,) bestudeerde de kaartjes en zei dat hij wel eens gehoord had over een Japans spel met kaarten en gedichten.

Google bracht uitkomst: Karuta is een kaartspel gebaseerd op de Hyakunin Isshu, een gedichtenbundel uit de Edo-periode.
Het boekje in ons pakketje bevatte de beschreven honderd korte gedichten (Tanka) uit de beschreven periode en op elk kaartje staat dus een van de gedichten. Het geheugenspel* dat je met deze kaartjes kunt spelen, gaat ver boven onze pet. Maar het ziet er wel heel mooi uit. Als nieuwjaarsgroet sturen we een kadootje terug: een boek met tekeningen over Nederland. Zo houden we eens per jaar contact met een Japanse jongeman die we niet eens zouden herkennen als we hem op straat tegenkwamen.
Bijzonder.


• Het spel bestaat eruit dat twee spelers elk 25 kaarten uitleggen en een kwartier de tijd krijgen om ze te bekijken. Een spelleider leest daarna willekeurig gekozen gedichten voor en wie het eerst de goede kaart aanwijst, mag die pakken. Pak je er een van de tegenstander, dan mag je hem/haar een van jouw kaarten geven. Wie het eerst alle kaarten kwijt is, wint.


zondag 19 juli 2015

Nog één Japanverslag vanuit Nederland

Op ons zaterdagse boodschappenrondje bij AH komen we een bekende tegen.  ‘Ah, jullie zijn terug uit Japan!’ roept ze enthousiast. ‘Ik heb meegeleefd met de verhalen op je blog!’ Als we vertellen dat we al op 12 juni terugvlogen, is ze verbaasd. Ze dacht dat ik vanuit Japan over onze reis verslag deed. Niet dus, want daar was weinig tijd en gelegenheid voor. We zijn al lang weer in Nederland, maar hier komt toch nog een laatste Japan verhaal.

 Yanagawa(10 juni)

Eén van onze laatste dagen in Japan. Mijn dochter en ik gaan naar Yanagawa. We hebben een kaartje gekocht voor de treinreis + een boottocht en we vertrekken vanaf station Yakuin (in Fukuoka), dat vlak bij ons hotel is. Op de plaatjes ziet Yanagawa er prachtig groen uit en na al die dagen rondlopen in grote, drukke steden hebben we daar echt zin in. Het is een kleine drie kwartier rijden en dan zijn we er. Om het station te kunnen verlaten, moeten we onze tickets laten zien en dan blijken we ineens bij een groep te horen. De stationsbeambte met witte handschoentjes wijst dat we iets verderop moeten wachten. Daar staan allemaal mensen met dezelfde kaartjes als wij; ze wachten op het shuttlebusje dat naar de vertrekplaats van de boot gaat. Dat komt al snel en we worden samen met de hele groep in het busje gedirigeerd. Om ons heen wordt alleen maar Japans gesproken; wij zijn de enige Europeanen in het gezelschap.

Het Yanagawa dat we tot nu toe zien, lijkt helemaal niet op de foto’s uit de folder. We rijden langs een soort industrieterrein en dan tussen lelijke huisjes door. Het is niet erg ver, maar we zijn blij dat we al deze bochten en smalle straatjes niet zelf uit hoeven te zoeken. Even later stappen we uit de shuttlebus en lopen we naar een smal kanaal waar een rij boten ligt. Het zijn open bootjes met aan beide kanten een lange bank, waar in totaal een stuk of 18 passagiers kunnen zitten. Een man met een rieten hoed staat achter in de boot en helpt ons allemaal aan boord. Daar zitten we, tussen Japanse toeristen in een bootje dat afvaart door een kanaal tussen de huizen. Het groene paradijs laat nog even op zich wachten, maar we kijken elkaar aan en lachen vrolijk. Dit mag dan niet zijn wat we verwacht hadden, bijzonder is het wel.
De gids vertelt veel interessante wetenswaardigheden over de route waar we erg weinig van mee krijgen, want het is allemaal in het Japans. Soms zegt hij ineens een paar woorden Engels, wat we vanwege de uitspraak niet altijd meteen doorhebben. Intussen puntert hij de boot handig door bochten en onder bruggetjes door. Over elke brug vertelt hij iets. Als we onder de derde brug door varen, begint hij te zingen, een lied dat precies zo lang duurt als de brug en dat door de akoestiek mooi vol klinkt. We applaudisseren. Hoe verder we komen, hoe groener de oevers worden, tot we uiteindelijk op de plaats komen waar de promotiefoto’s gemaakt moeten zijn. Er staan bomen met rode bloemen, waar onze Japanse groepsgenoten niet van opkijken. De bloeiende hortensia’s vinden ze daarentegen heel bijzonder, terwijl wij die gewoon thuis in de achtertuin hebben.

Het is prettig om zo op het water te zijn. De mensen om ons heen op de boot zijn vriendelijk. Wijzen ons af en toe iets aan en geven ons de twee rode bloemen die van de bomen precies in onze boot vallen. ‘Arigato’, zeggen we en ze knikken ons toe. We zien een paar waterslangen en schildpadjes en genieten van het tochtje. Na zeventig minuten zijn we aan het eind van de rondvaart en worden we weer uit de boot geholpen. We nemen de lijnbus terug naar het treinstation.
Op de terugweg naar Fukuoka moeten we een overstap maken in Dazaifu. We hebben gezien dat daar een tempel is met een mooie tuin en die gaan we nog even bekijken. Het blijkt een drukke, toeristische plaaats waar we gezellig een tijdje rondlopen. De tuin ligt buiten de toeristische route. Eerst gaan we een bijgebouwtje van de tempel binnen – schoenen bij de deur achterlaten – en daar, vanaf een houten vlonder, kunnen we de gestileerde tuin overzien. Een fijne, rustige plek waar we een tijdje op onze sokken blijven staan kijken voordat we terugkeren naar Fukuoka.

dinsdag 7 juli 2015

Bijzondere tempels in Kyoto

Via facebook hebben we afgesproken in Kyoto met onze Japanse vriendin Yoko. Ze zal om kwart over acht in de lobby van het Granvia hotel zijn. Dat hebben we gisteren gezien; het staat vlak naast Kyoto Station. De lobby is veel groter dan we ons hadden voorgesteld, met winkels er in, maar het is niet moeilijk om Yoko te vinden. Ze zit al op ons te wachten in één van de makkelijke stoelen die er ook staan.

Vandaag bezoeken we verschillende plaatsen aan de oostkant van de stad.

Fushimi Inari is een tempel met 1000 poorten. Ze staan achter elkaar en vormen een lang, kronkelend pad dat we een tijd volgen samen met tientallen schoolkinderen. De gladde pilaren waar we tussendoor lopen hebben verschillende schakeringen rood. Sommige zien er glanzend nieuw uit, andere lijken verbleekt en hebben soms beschadigingen of barsten. Als we omkijken, zien we dat de achterkant van elke zuil beschreven is met zwarte tekens. Ik vraag Yoko wat er op staat en ze vertelt dat het de namen zijn van sponsors. Elke poort is geschonken door een persoon of bedrijf. De afstanden er tussen zijn onregelmatig en waarschijnlijk wordt er regelmatig een heel oude vervangen door een helderrood nieuw exemplaar. Het is warm en we lopen niet het hele pad. Halverwege maken we een doorsteek terug.

We willen vandaag ook de 1001 beelden zien van Sanjusangen-do. Ook dit is een tempel, maar totaal anders dan de vorige. We gaan binnen in een lang, houten gebouw, waar we onze schoenen aan de ingang moeten achterlaten. Het voelt prettig om hier op sokken rond te lopen. Alsof je ineens alle tijd van de wereld hebt. Langzaam schuifelen we langs de beelden. Tien rijen dik staan met bladgoud bedekte houten godinnen naast elkaar. Duizend keer Kannon, de boeddhistische godin van mededogen, de handen devoot samen voor de borst, om haar hoofd duizend keer een gouden halo. Temidden van de beelden zit een duizendarmige versie van Kannon. Ruim drie meter hoog torent ze indrukwekkend boven de andere beelden uit. Interessanter dan de steeds gelijke godinnen zijn de 28 individuele figuren die er iets vóór staan. Ook uit hout gesneden en met sprekende koppen en allerlei bijzondere details. Je mag binnen geen foto’s maken en ik merk dat ik daardoor extra goed ga kijken om te onthouden wat ik zie. Als we onze schoenen weer aandoen is het net of we een tijdje in een andere wereld zijn geweest.

Er staat nog een derde tempel op ons programma. Kiyomizu dera. Dit is een groot gebouw dat met een houten terras op hoge palen boven een beboste helling uit steekt. De bijgebouwen zijn in heldere kleuren geverfd en om de gebouwen heen staan de bekende stalletjes met koopwaar, waar we even op souvenir-jacht gaan.

Aan de Kamo rivier gaan we een tijdje zitten uitrusten voordat we op zoek gaan naar een restaurant waar ze de specialiteit van Osaka hebben: Okonomiyaki, een soort eierpannenkoek, gevuld met groente en vis. Yoko komt uit Osaka en wil ons dit gerecht laten proeven.

We zitten aan een tafeltje met een hete plaat middenin, waar de okonomiyaka op geserveerd worden. Yoko laat zien hoe je het eet. Je kunt er mayonaise over doen of een soort Japanse barbecuesaus (of allebei). Behalve de bestelde saké krijgen we er zoals overal hier ruimschoots water bij te drinken. En een warm doekje om je handen mee schoon te maken.

Na het eten hebben we nog net genoeg energie om een stukje door een overdekte winkelstraat te wandelen. Dan gaan we naar het station, waar we ieder een andere kant op moeten met de trein. We nemen hartelijk afscheid van onze Japanse vriendin. Geen idee wanneer we elkaar weer eens kunnen ontmoeten. In elk geval op Facebook. Daar zullen we haar laten weten hoe bijzonder deze dag in Tokyo voor ons was.

 

vrijdag 3 juli 2015

Japan, Kyoto (deel 8)

In de namiddag van onze eerste dag in Kyoto halen we onze bagage uit het kluisje op het Station en dan nemen we een taxi, want we kunnen niet goed uitvinden hoe we het opgegeven adres met het openbaar vervoer moeten bereiken. De taxichauffeur brengt ons er heen, maar gaat voor alle zekerheid eerst even informeren of het klopt dat we hier kunnen overnachten. Het is namelijk in een erg smal steegje, waar nergens een naam of uithangbord te zien is.
traditioneel, Japans huis buiten

We hebben een ‘traditioneel huis’ geboekt voor één nacht. De ingang is onooglijk, maar als we aanbellen, worden we hartelijk ontvangen door een ouder echtpaar en een jonge vrouw, die de tolk blijkt te zijn. Ze zitten er wat onwennig bij en excuseren zich uitgebreid als ze ons vragen om paspoorten, waar ze een kopie van maken. We hebben de indruk dat ze nog maar net begonnen zijn met het ontvangen van gasten in dit huis. Met hulp van de tolk leggen ze uit hoe alles werkt. We hebben de beschikking over twee verdiepingen. Boven zijn twee kamers met niets anders erin dan tatami matten en beddengoed. Beneden een keukentje en een kamer zonder stoelen, met een laag tafeltje en een grootbeeld televisie. De trap is gevaarlijk steil, maar verder is het een superplek om onze Kyoto-nacht door te brengen. De eigenaars vertrekken nadat ze ons hebben verteld waar een bushalte is en dat we morgenochtend de sleutel door de brievenbus kunnen gooien als we weg gaan.
traditioneel, Japans huis binnen

In de wandkast liggen genoeg platte matrasjes om er elk twee te nemen. Zo zijn onze bedden zachter dan die in onze uitvalsbasis in Fukuoka. We rusten een uurtje uit en dan besluiten we te gaan eten in de wijk Gion, die bekend staat als een plek waar je nog echte geisha’s kunt tegenkomen. We zien welgeteld één geisha, in het gezelschap van een oudere man.
Inmiddels is het donker geworden en zijn we aangekomen bij Pontocho, een smal straatje met aan beide kanten restaurants. Bij sommige zijn de menukaarten alleen in het Japans, we zien ook bordjes hangen waar op staat dat alleen Japans sprekende gasten welkom zijn. Andere restaurants geven juist aan dat er Engels gesproken wordt, of Frans. We kiezen uiteindelijk voor een kleine eetgelegenheid, met ruimte voor een stuk of 10 personen rond een bar. Daarachter zien we een bijzonder opgewekte kok en zijn maatje aan het werk. Ze maken van elk gerecht een kunstwerkje. We bestellen alle drie hetzelfde: tempura en sashimi. Het ziet er niet alleen mooi uit, maar het smaakt ook prima.

Mooi eten: tempura en sashimi

Aan één kant van Pontocho hebben veel restaurants aan de achterkant een terras dat uitkijkt op de rivier er achter. Voor dat uitzicht betaal je flink extra. Wij besluiten gewoon om te lopen nadat we hebben gegeten. Langs de rivier loopt een wandelpad. Er boven zie je de verlichte terrassen, maar je kunt ook gratis op de stenen langs de Kamo rivier gaan zitten. Een aparte plek.

We hebben goed opgelet toen we vanuit ons logeerhuis naar de bus liepen en mijn dochter heeft heel slim een fotootje gemaakt van de bushalte. Daarmee herkennen we nu makkelijk de plek waar we er uit moeten en in het donker vinden we ook zonder moeite het steegje terug waar we deze nacht wonen. Zachtjes om de buren niet te storen (de wanden zijn allemaal zo dun als bordkarton) installeren we ons en op de dubbele matrasjes slapen we heerlijk.

 

woensdag 1 juli 2015

Japan, Kyoto

 

Op 30 juni stak een man zichzelf in brand aan boord van de Shinkansen, de supersnelle Japanse trein tussen Tokio en Osaka. Er waren twee slachtoffers: de man zelf en een andere passagier, en er waren enkele tientallen gewonden. Als ik het bericht lees, schrik ik op. Op hetzelfde traject reden wij een paar weken geleden en vroegen ons af of hier nou nooit calamiteiten waren; de vertragingen bij de Shinkansen zijn per jaar in seconden uit te drukken. Dit jaar zijn daar ineens heel veel seconden bij gekomen. Een Japanse krant meldt: Alle diensten van de Tokaido Shinkansen lijn werden onmiddellijk na het incident geschorst, maar ze werden weer hervat om 14.09 u. Dat is ongeveer twee en een half uur na de gebeurtenis.

Als wij van Fukuoka naar Kyoto rijden, denken we nog dat er nooit iets mis gaat met deze treinen. Onze trein komt precies op tijd aan en we gaan meteen door met een lokale trein naar Arashiyama. Daar moet het beroemde bamboe-bos zijn, dat volgens de Lonely Planet gids een absolute aanrader is.
We lopen vanaf het station achter de massa aan over een leuk straatje met winkeltjes waar veel jonge vrouwen in kimono’s lopen en ook stoere riksja-rijders: sterke jongens (en een paar meiden) die hun karretje met één of twee passagiers de stijgende weg op trekken. Het valt me op dat er alleen Japanse toeristen in de riksja’s zitten. Zou dat zijn omdat Westerlingen gemiddeld veel (groter en) zwaarder zijn? Of zouden alle Europeanen, net als wij, een ongemakkelijk gevoel krijgen bij het idee om iemand zich zo voor jou te zien afbeulen?

 
We lopen zelf omhoog, tot de Togetsukyo bridge, waar we een tijdje op blijven staan om te kijken naar de kleine watervalletjes, de bosrijke berg verderop en de boten op de rivier. Een mooie plek. Meisjes in geisha-achtige kleren fotograferen elkaar met hun mobieltjes en willen ook best door ons gefotografeerd worden. Eerst met hun eigen mobieltje en dan met dat van H.

Op een plattegrond kunnen we zien waar het bamboebos is. We moeten een stukje klimmen. Hier is het wat minder druk dan vlakbij het station, maar de verstilde, serene plaatjes waarin het bos wordt aangeprezen, geven toch een iets andere sfeer dan de echte plek. Wel bizar, zo’n bos van enorme, kale bamboestengels. Als je omhoog kijkt, zie je de eindeloze, rechte stammen. Maar erg groot is het bos niet en naast ons, voor ons en achter ons zijn medetoeristen. We komen zelfs bekenden tegen! Een Duits echtpaar met wie we eerder in een bus in Fukuoka aan de praat raakten. Grappig.
Na het bamboebos willen we naar Iwatayama, het monkeypark waar je aapjes mag voeren vanuit een mensenkooi. We zijn gewaarschuwd dat het een flink eind klimmen is, dus ik zet me schrap. Een pad dat voornamelijk uit trappen bestaat, gaat de beboste berg op. Het is een vrij warme dag, maar in de schaduw van de bomen is het heerlijk. In een rustig tempo gaan we omhoog en sneller dan ik had verwacht, komen we bij de houten keet, waar je binnen zakjes fruit en pinda’s kunt kopen om door de grote, met gaas bedekte ramen aan de apen te voeren. Als het voer op is, gaan we naar buiten om van het uitzicht te genieten. We kijken over Kyoto, dat één van de weinige steden is waar niet alles in WOII is platgebombardeerd. Er staan nog oude gebouwen en er is nauwelijks hoogbouw. Kyoto heeft daardoor een heel ander karakter dan andere Japanse steden.

’s Middags bezoeken we de Golden Temple, ook weer een bezienswaardigheid die je beslist niet mag overslaan als je in Kyoto bent. De tempel is inderdaad prachtig, vooral ook door de ligging op een eiland, omringd door schilderachtige bomen. Je kunt niet bij het eiland komen, maar er wel omheen lopen om het elegante, glanzend gouden gebouw van alle kanten te bekijken.

Nu hebben we wel even genoeg gelopen en we besluiten om op het station onze koffers uit de locker te halen en ons hotel op te zoeken. Een traditioneel, Japans huis, dat een apart verhaal verdient

zaterdag 27 juni 2015

Japan, Nagasaki


 
Rondom Station Nagasaki rijden kleine trammetjes. Het toeristische stadscentrum heeft daardoor iets popperigs. Met vier tramlijnen kun je alle bekende historische plekken bereiken. En dat is een heel rijtje. Allereerst natuurlijk het Bom museum en daarnaast het vredespark.

Het is vreemd om op de plaats te staan waarboven de “Fat Man” ontploft is.  Op een bord staat deze tekst:

"Om 11.02 's morgens, 9 augustus 1945, ontplofte een atoombom 500 meter boven deze plek. De zwarte monoliet geeft de plek van het hypocentrum aan. De enorme drukgolf en de intense hitte/straling die bij de explosie vrijkwam verbrandde en maakte alles dood binnen een mijl (1-2 km) en veranderde alles binnen deze afstand in puin. Ongeveer een derde van Nagasaki werd vernietigd en 150.000 mensen kwamen om of raakten (zwaar) gewond. Tegenwoordig maakt het hypocentrum deel uit van een internationaal vredespark en is een symbool voor de wereldvrede."

70 jaar na het vallen van de atoombom groeien er rondom het hypocentrum bomen en struiken. Ooit was de verwachting dat er driekwart eeuw na de bom niets zou kunnen groeien.

In het museum hebben we filmpjes en foto’s gezien van de enorme schade die de
atoombom aanrichtte. Een grote oppervlakte met alleen maar puin, verwrongen staal en resten van wat ooit mensen waren. Hier buiten overheerst de gedachte aan hoop en vrede. Schoolkinderen uit de hele wereld sturen of brengen slingers en kunstwerken gemaakt van kraanvogels, symbolen van vrede.
We nemen de tijd om het museum en het vredespark te bekijken.

Dan gaan we verder terug de geschiedenis in, met tram drie. Die brengt ons vlakbij waar de Dutch Slope moet zijn, de Nederlandse steeg. Het is even zoeken, maar dan vinden we de smalle, sterk omhoog lopende straat waar in de 19e eeuw buitenlandse, vooral Nederlandse kooplieden woonden. De ‘Western style’ huizen langs het straatje zijn van grijsblauw hout, met grote veranda’s. Als Japanners zich zo’n voorstelling maken van de Nederlandse huizen, zullen ze wel verbaasd zijn als ze er ooit echt heen gaan.

Het is een warme dag en als we de steile Dutch slope op en af zijn gewandeld, gaan we even in de schaduw zitten om een bakje fruit te eten dat hier zowaar heel betaalbaar is; over het algemeen is fruit een kostbare zaak in Japan. Dan lopen we verder door de smalle straten van de wijk. We komen groepen schoolkinderen tegen die ons allemaal enthousiast een high five geven. Waarom? Waarschijnlijk omdat we Westerlingen zijn.

We vinden de ingang van Glover Garden, een grote tuin die aangelegd is door de Schot Thomas Blake Glover in het midden van de 19e eeuw. De tuin ligt hoog en we kunnen kiezen tussen heel veel steile traptreden of een lift die als een skilift schuin omhoog gaat. Omdat we al aardig slap zijn van de warmte is de keus niet moeilijk. Het uitzicht vanaf de hoogste terrassen is geweldig. De tuin strekt zich uit over een grote oppervlakte en terwijl we er door wandelen, komen we weer steeds lager. De begroeiing is voor ons niet heel bijzonder; terwijl Japanse bezoekers de roze hortensia’s fotograferen, bekijken wij vooral de uitzichten en het beeld van madame Butterfly, dat hier achter een gestileerde vijver staat.

Al eerder deze dag kwamen we langs het Chinatown van Nagasaki, een opvallende poort met Chinese versieringen gaf het begin aan van deze buurt. We hebben besloten om daar iets te gaan eten, maar eerst gaan we langs Deshima. Vroeger was dat een eiland: de enige plek in Japan waar buitenlanders mochten wonen en dat waren voornamelijk Nederlanders. Zij mochten niet van hun piepkleine eilandje af, behalve één keer per jaar om naar Tokio te reizen en de Keizer geschenken te brengen. Deshima is nu een openluchtmuseum. Vanaf de ingang zien we de houten huizen staan, maar een deel ervan is afgedekt omdat er druk verbouwd wordt. We hebben eigenlijk niet zo’n zin meer in het museum en gaan Chinatown in, waar we eten. De meest saaie maaltijd tot nu toe, zodat we ons meteen voornemen om het de rest van onze vakantie bij Japanse restaurants te houden, want het Japanse eten bevalt ons tot nu toe prima.

 


 


vrijdag 26 juni 2015

Witte handschoentjes

Japanse treincontroleurs dragen witte handschoentjes. Ze komen de treinwagon binnen, sluiten de schuifdeur zachtjes en beschaafd achter zich, draaien zich naar de reizigers en maken een kleine, strakke buiging. Al of niet controlerend gaan ze het treinstel door en als ze bij de volgende tussendeur zijn, draaien ze zich weer om naar het publiek, maken weer die buiging en verdwijnen dan pas naar de volgende wagon.

Als we tegen twaalf uur ’s nachts in Fukuoka uit de trein stappen, is het rustig. Er rijden geen bussen meer en we hebben onderweg al bedacht dat we waarschijnlijk een taxi zouden moeten nemen. Zoon J. moet na zijn twee officieel toegestane spijbeldagen morgen weer gewoon naar school. Hij zou een nachtje bij ons in het hotel kunnen logeren, maar na vier hele dagen optrekken met zijn ouders en zus wil hij liever terug naar de kleine kamer waar hij deze drie maanden woont. We spreken dus af dat we een taxi nemen die ons afzet bij ons hotel en dan J. verder brengt tot bij zijn kamer. Hij zal dan moeten betalen.

In het Japans legt mijn zoon dit uit aan de taxichauffeur, die net zulke witte handschoentjes draagt als het treinpersoneel maar niet aan buigen doet. Hij blijft gewoon achter het stuur zitten en opent vanaf daar de kofferbak, waar we zelf onze spullen in mogen zetten. Een verademing; af en toe zijn we de formele buigingen en beleefdheden overal een beetje zat.

Van te voren vragen we naar de prijs van de rit, want erg veel contant geld hebben we niet meer bij ons. We hoeven niet bang te zijn om door de chauffeur bedonderd te worden. In dit land gebeurt dat gewoon niet. Japan is een buitengewoon veilig land, waar je niet voortdurend op je spullen hoeft te letten. Sterker, als je ergens iets laat liggen, komt er meestal wel iemand achter je aan rennen om het je –met een buiging – te komen brengen. We laten J. dus met een gerust hart in de taxi achter als wij uitstappen en naar ons hotel gaan. Daar wachten de vertrouwde, harde bedden waar we allemaal nog een tijdje wakker zullen liggen van alle indrukken in het drukke Tokio.

vrijdag 19 juni 2015

Met de Shinkansen naar Tokyo

Een beetje slaperig nog staan we om kwart voor 7 ’s morgens op het perron waar de trein naar Tokyo vertrekt. De supersnelle Shinkansen treinen zijn er in verschillende soorten. Elke soort heeft zijn eigen naam. Wij gaan met de Hikari. Op het perron is precies aangegeven waar wagon nummer 12 zal stoppen. We staan netjes in de rij te wachten, zoeken onze gereserveerde plaatsen op en op de seconde om 10 voor 7 vertrekt het monster richting Tokyo. Met een snelheid tot 270 kilometer per uur razen we door het landschap. We zien rijstvelden en tempels, maar vooral heel veel bebouwing. Waar natuur is, bestaat die uit bergen, waar we met tunnels dwars doorheen duiken. De beroemde berg Fuji met z’n besneeuwde top zien we in de verte als een plaatje voorbij glijden.

De stoelen in de Hikari zijn riant. Het is een comfortabele manier van reizen. Na elke stop komt er
een karretje langs met eten en drankjes die je kunt bestellen. Om kwart voor 1 zijn we in Tokyo. Weer precies volgens de dienstregeling. De Japanse treinen zijn beroemd omdat ze zo precies op tijd rijden en E. vraagt zich hardop af of ze hier dan nooit ‘aanrijdingen met een persoon’ hebben. Het zelfmoordcijfer in Japan is hoog, maar we besluiten dat de mensen hier waarschijnlijk zo beleefd zijn om dat heel discreet op een plek te doen waar anderen er weinig last van hebben.
In Tokyo hebben we een afspraak met R., de Japanse vriendin van mijn dochter. Het station van Tokyo is enorm en R. heeft in een berichtje laten weten dat ze op ons wacht in warenhuis Daimaru tussen Prada en Louis Vuitton. We vinden haar zonder problemen en deze Japanse dame neemt onmiddellijk de leiding. Ze heeft een stevig programma voor ons bedacht. Eerst de ‘Character street’ in Tokyo Station, dan naar Meiji Shrine,  door Takeshito street, naar Shibuya Crossing, langs winkels en een speelhal. Om zes uur zullen we nog een andere Japanse vriendin ontmoeten en met z’n allen sushi gaan eten.

De characters van Character street zijn niet (alleen) de tekenfilmfiguurtjes met piekhaar en grote ogen die we kennen van de Pokémon en Dragonball series. Het is hier één en al lievigheid met Nijntje, Hello Kitty, het schattige beertje Rilakkuma en meer knuffelige beestjes. Na vijftien van die pastelkleurige winkels hebben we het wel zo’n beetje gezien, maar het station biedt nog veel meer. Eindeloze gangen langs winkels met kleding, souvenirs en heel veel prachtig voedsel. We dwalen er net zo lang rond tot ook onze gids de weg niet meer weet, maar met de gsm op haar i-phone brengt ze ons het doolhof ook weer uit.
Bij de tempel die we daarna bezoeken is de sfeer totaal anders. De enorme boog aan de ingang van
het park is indrukwekkend en ineens lopen we in een rustig, groen gebied.  R. laat ons de rituelen zien die bij een shinto tempel horen: je handen één voor één wassen met water uit een houten bakje aan een lange stok, een stijve buiging met de handen tegen elkaar voor je borst, twee keer in de handen klappen en dan in stilte iets wensen, voor een klein bedrag een opgerold papiertje kopen waar een wijze spreuk op staat of zelf een wens op een dun stukje hout schrijven en dat tussen duizenden andere wensen ophangen.

Na de rust van de tempel storten we ons in de drukte van Takeshito street, waar je jongeren tegen kunt komen in de meest exentrieke kleding en dan gaan we naar Shibuya Crossing, het Japanse Times Square. We zien vanaf een hoge plek hoe de stoplichten allemaal tegelijk op groen springen en honderden voetgangers tegelijk het grote kruispunt oversteken. Een gekrioel dat weer stopt als de lichten rood worden. Even later lopen we zelf mee in die drukte om op pad te gaan naar het restaurant waar we heerlijke verse sushi gaan eten.

 

vrijdag 12 juni 2015

Van Amsterdam naar Fukuoka


Amsterdam en Honolulu zijn de enige twee plaatsen buiten Azië van waaruit een rechtstreekse vlucht naar de Japanse stad Fukuoka gaat; we hebben dus geluk. Van Schiphol naar Fukuoka is het ongeveer 10 uur vliegen, maar omdat de klok daar zeven uur voorloopt op de Nederlandse, doen we er officieel 17 uur over. Ons vliegtuig vertrekt om 3 uur ’s middags en komt om 9 uur ’s morgens aan.
Ik was bang dat het erg moeilijk zou zijn om onze weg te vinden in een land waar zelfs de letters op borden onleesbaar zijn, maar het valt mee. De meeste namen van straten en wijken staan niet alleen in Japanse tekens, maar ook in gewone letters vermeld.
Mijn dochter E. is een doorgewinterde reiziger en ziet overal heel snel waar we heen moeten en hoe het werkt. Heel handig, al vind ik het soms jammer dat ik zo nauwelijks de gelegenheid krijg om zelf iets uit te zoeken, wat toch een deel van de charme is van een verre reis. De eerste dag is het vooral prettig.

E. vindt voor ons de bus die we moeten hebben. Instappen in een Japanse bus gaat niet voorin, maar door de zijdeur. Daar trek je een bonnetje waarop het nummer van de halte staat. Het tarief is afhankelijk van hoeveel haltes je meerijdt. Bij de voordeur stap je uit, nadat je betaald hebt. Dat doe je contant in een busje bij de chauffeur. Heb je niet genoeg muntjes om gepast te betalen, dan kun je voorin elke bus een biljet van 1000 yen wisselen. Je schuift het papiergeld in een machine en er vallen rinkelend tien munten van 100 yen uit.
Terwijl de bus rijdt, mompelt de chauffeur voortdurend in zijn microfoontje. Later komen we er achter dat hij niet alleen alle haltes noemt, maar ook vertelt wanneer we linksaf of rechtsaf slaan en wanneer we na een stoplicht weer gaan rijden. Bij de haltes bedankt hij elke passagier die betaalt en uitstapt. Het is een ritueel dat zich steeds zal herhalen als we ergens met een bus naartoe gaan.
We stappen uit bij station Tenjin, waar we hebben afgesproken met onze zoon die al twee maanden in deze stad studeert. Hij zal op ons wachten bij het Tourist Information Centre. We zijn later dan we hadden ingeschat, maar gelukkig vinden we hem. Dan gaan we op zoek naar het hotel om onze koffers daar af te leveren.

Het hotel dat we geboekt hebben blijkt een gouden greep. Het ligt op een centrale plek maar wel in een rustig straatje en zeker voor Japanse begrippen zijn de kamers heel ruim. We verbazen ons over de superdeluxe toiletten met verwarmde bril, de mogelijkheid om je achterste met een gerichte waterstraal te reinigen en een fonteintje met kraan boven het waterreservoir, waardoor je je handen kunt wassen met het water voor de volgende doortrekbeurt. En dat terwijl we deze weken ook wc’s zullen tegenkomen waar je gehurkt boven een gat in de vloer zit.
  

Zonder bagage lopen we een tijdje rond door Fukuoka. We gaan ergens zitten om te lunchen en nemen de trein naar het stadsdeel waar J. in een soort studentenhostel woont. Als we langs de receptie lopen, wordt hij blij begroet door een Japans meisje, dat verrast zijn naam roept en dan iets in het Japans dat zoiets moet betekenen als: ‘wat leuk dat je familie je op komt zoeken’. Zijn kamertje is een kleine cel met niet veel meer dan een bed, een tafeltje en een kast. Maar er is ook een gemeenschappelijke ruimte. Hij laat ons de keuken zien en een recreatieruimte.
Deze eerste dag eten we in een klein restaurantje dat J. voor ons uitzoekt. De kaart is alleen in het Japans, maar dat is geen probleem met onze eigen tolk erbij. Na het eten beginnen onze ogen een beetje dicht te vallen. Na een dag met zeven extra uren is het tijd om het harde bed van ons hotel uit te gaan proberen. We zijn zo moe dat we er heerlijk op slapen.

zaterdag 19 maart 2011

Tsunami

Een anecdote: Toen ik een jaar of drie was, klom ik op een stoel om iets te pakken dat op een hoge kastplank stond. Vanaf de stoel reikte ik omhoog; ik kon er met één hand nét bij en hield met de andere hand de plank vast. Het was iets te veel gewicht en de kastplank kwam naar beneden met alles wat er op stond. Ook de plank er onder hield het niet. Borden, kopjes, schalen, alles raasde langs m’n stoel naar beneden. Mijn moeder kwam geschrokken de kamer in en vond me op de grond tussen de scherven. In mijn hand een ontbijtbordje. Ik keek naar haar op, hield het bordje omhoog en zei: “Deze is nog heel mama.” Aan die gebeurtenis moet ik denken bij de Nederlandse berichtgeving over de ramp in Japan. Een hele kuststrook is door een enorme, zwarte golf weggevaagd. Er zijn duizenden slachtoffers; een onvoorstelbare ravage. Maar de vijftig Nederlanders die zich in de buurt van het gebied bevonden, zijn intussen allemaal opgespoord. En ze mankeren niets. Gek, dat die vijftig zo belangrijk zijn als je bedenkt hoeveel mensen het níet overleefd hebben. Maar als er zo veel kapot is, kun je misschien maar het beste blij zijn met één bordje dat heel is gebleven. Vooral als dat toevallig je eigen bordje is.

Wonderlijk dat iets tegelijk sappig én droog kan zijn

Zondagmorgen. We zijn laat opgestaan, maar omdat de tijd vannacht een uur terug is geschoven, zitten we toch nog voor tien uur aan het ontbi...