zondag 27 september 2020

Klerendag

“Ik heb van mijn vriendin kleren gekregen, maar hou een heleboel over. Ik dacht dat jij wel eens kleding inzamelde voor een familie hier in de buurt (…)” Dat appte mijn ex-buurvrouw L. vlak voor ik op vakantie ging. Die kleren moesten dus even wachten, maar eenmaal terug zou ik ze donderdagavond ophalen.

Donderdagavond zijn we uit eten. Ik wil even een berichtje sturen dat het wat later wordt, maar m’n telefoon zit nog thuis aan de lader. Vervelend, maar erg laat maken we het niet, dus het komt wel goed. Als we thuis komen, staat er een wit autootje op de oprit van de buurman. De dochter (van hem en z’n ex) is bezig met uitladen. Een enorme doos en zes vuilniszakken vol kleren. Ze wil ze net bij paps in de hal parkeren, maar nu worden ze bij óns naar binnen gedragen.

Op mijn telefoon zie ik een berichtje van een half uur geleden: “Is het OK als S. de kleren komt brengen?” Ik app terug: “Wat veel! Ik wilde je net gaan vragen of ik het op de fiets mee kon krijgen…” Er komt een emoticon van een brede lach terug. “Kan best hoor, maar dan moet je wel vaak heen en weer fietsen.”

Sjonge, de kamer staat vol kleren. Ik ga meteen maar even kijken wat er in de zakken zit. Het is voornamelijk vrouwenkleding, maar wel van verschillende maten. De zak met een paar enorme mannenoverhemden zet ik meteen opzij. Uit de andere zakken en de doos zoek ik alles wat me klein genoeg lijkt voor mijn Syrische vriendin N.

Ik verbaas me over de enorme hoeveelheid kleren. Heeft die vriendin dat allemaal voor zichzelf gekocht? De meeste dingen zien er tamelijk nieuw uit, aan sommige bloesjes hangt nog het kaartje van de winkel. Drie warme winterjassen. Een stuk of wat korte, (nep)leren jasjes. Veel dure merkkleding… Hoe kun je dat allemaal óver hebben? Twee uur later heb ik drie tassen vol klaarstaan om naar N. te brengen.

Morgen ga ik dat doen. En dan de rest weer zien kwijt te raken. Het mag naar de container, maar terugbrengen is ook oké. Dus dat ben ik van plan. En vlug ook, want het hele huis ruikt naar de wasverzachter.  Zo blijkt de laatste dag van mijn vakantie onverwacht een klerendag te worden.




zondag 20 september 2020

Weet je wie die man met dat mondkapje was?

Ons verrassingsuitje zaterdag is in Rotterdam. Het blijft dus tot het laatste moment spannend of het door kan gaan. Maar de extra Covid-regels voor de Randstad die vrijdagavond bekend worden, gaan vooral over het uitgaansleven en grote feesten. En de testuitslag van D. komt net op tijd binnen: negatief, dus géén Corona. Dus staan we zaterdagmorgen in Rotterdam op de afgesproken plek. Ergens aan het water.

Natuurlijk! Water en varen vinden we alle zes fijn, dus als verrassing is dat altijd raak. Maar dit blijkt een bijzonder vaartochtje te worden. De twee kleine boten waarmee we de Rotte op gaan zijn elk gemaakt van 7000 petflessen. En het is de bedoeling om onderweg met grijpers en netten plastic en andere troep uit het water op te vissen. De boot die het meest bijzondere voorwerp uit het water haalt, wint.

Geruisloos voert de elektrische motor ons naar alle plekken waar rommel dobbert. Eerst zien we niet zo veel, maar schipper Frank leert ons hoe we moeten kijken. Dáár, een blikje op 10 uur; hop, in de blik-en-plastic-zak. Fles tussen de kattenstaarten… ja, die gaat bij de flessenverzameling voor een nieuwe boot. We varen van links naar rechts. Al heel snel is het tijd voor een picknick op een steigertje en daarna varen we even lekker door om ook wat meer van Rotterdam te zien.

Onze collegaboot blijft een tijdje hangen bij de kade, waar ze in gesprek raken met een man met Feijenoord-mondkapje. Bij een bruggetje kunnen we even later niet verder. De boten liggen naast elkaar en de schippers wijzen ons de beroemde Markthal ie je hiervandaan nét kunt zien.
“Weet je wie die man met dat mondkapje was?” vragen ze vanuit de andere boot.
“Het was de burgemeester. Hij vond het mooi dat we z’n stad een beetje schoonmaken.”

Op de terugweg vinden we een fiets. Hij ligt helemaal onder water en onze schipper wil al doorvaren maar K. wil de fiets proberen te pakken. Het water vertekent de afstand. Ze doet een duik naar het stuur, maar dat zit veel dieper dan het lijkt. Het scheelt niet veel of K. ligt bij de fiets; we houden haar nog nét binnenboord. Een halve kilometer verderop lukt het de fanatieke K. nog een keer om bijna te water te gaan. Dit keer levert het een halve stoel op.

Dan zijn we terug. De buit wordt bekeken. Behalve veel blikjes, flesjes en plastic zakken zijn er wat vreemdere voorwerpen verzameld. Een half verbrand fietszadel uit de andere boot (‘natúúrlijk ga je te water als je zadel in de fik vliegt!’)  neemt het in de finale op tegen onze zuurstokroze bellenblaas-set van 30 cm. lang – opgevist in twee delen.
Wij winnen en krijgen ieder een glaasje schippersbitter. PROOST.

zondag 13 september 2020

Drijvend riet

Het riet is hier gemaaid. Overal om ons heen zien we plukken drijven. Ik probeer de kano er zo goed mogelijk tussendoor te sturen, maar toch horen we regelmatig zo’n plak onder de aluminium bodem door schuren. H en ik zakken in een gehuurde Canadese kano het riviertje de Regge af. Terug naar Ommen, waarvandaan we naar het startpunt zijn gebracht.

De instructies waren simpel: gewoon met de stroom mee varen tot de Regge bij de Vecht uitkomt. En daar naar rechts, pardon Stuurboord, de Vecht op.

Zodra we afvaren zijn we omgeven door een natuurgebied waar je niets anders hoort dan de vogels en het zachte geplas van onze riemen. Af en toe zien we in een flits een ijsvogel die laag over het water scheert en dan weer verdwijnt in de struiken langs de oever.

Zwaluwen stuntvliegen in groepjes boven land en water. Een reiger landt in het riet. We roeien er kalmpjes tussendoor, speurend naar het blauw van de ijsvogeltjes. Eén keer zien we er een boven het water hangen en dan duiken naar een vis.

We zijn al ruim een uur onderweg als we tussen het drijvende riet terechtkomen. Het wordt steeds meer en we zien dat er verderop een lage barrière dwars over de rivier ligt, waar het riet achter blijft liggen. De jongen die ons met kano en al wegbracht, heeft iets gezegd over zo’n barrière: ‘als je even goed vaart maakt, kom je daar makkelijk met de boot overheen.’

Dus maken we vaart, maar in dit drijvende rietveld heeft dat weinig zin. We lopen vast. Hier komen we nooit doorheen. Met moeite wrikken we de kano achteruit en dan naar de kant. Langs de oever is een smalle opening tussen de barrière en de wal. Daar proberen we de boot doorheen te krijgen. Samen trekken we vanaf de kant aan het touw dat aan de kano zit. De boot  helt griezelig schuin over en komt dan met z’n neus in een veldje munt terecht. Maar hij is aan de andere kant.

We stappen weer in de boot en zijn nu in rietvrij water. Dat vaart een stuk makkelijker.
Een uurtje later draaien we de Vecht op om de laatste paar kilometer stroomopwaarts te roeien naar Ommen. Ruim twee en een half uur hebben we erover gedaan. Het was een prachtige tocht, maar nu is het wel erg fijn om weer rechtop te staan en de benen te strekken.


zaterdag 5 september 2020

Meer bewegen, minder eten

We eten strategisch dit weekend. Maandag gaan we op vakantie en voor die tijd willen we de koelkast zoveel mogelijk leeg hebben. J. waakt over ons huis, maar we gaan hem niet opzadelen met onze restjes. En zéker niet met de venkel en de mozzarella, waar hij helemaal niet van houdt.

Venkel dus vandaag. En mozzarella, verwerkt in een salade Caprese (tomaat, mozzarella en basilicum). Omdat H. zich voorgenomen heeft om meer te bewegen en minder te eten, wil hij graag een lichte maaltijd. “Ja, maar ík hoef niet minder te eten! Alleen venkel en die salade is voor mij niet genoeg,” protesteer ik.

Maar ik hoef niet bang te zijn. Er moest ook nog een doos appeltjes op, dus vanmiddag heeft H. een grote appeltaart gebakken. En als toetje kan ik een stuk krijgen zo groot als ik wil.
Het wordt een enorm stuk en hoe lekker het ook is, na de laatste hap kan er geen kruimeltje meer bij. De rest gaat in de vriezer. Bij de pizza’s van J. Ik ben benieuwd of er nog iets van over is als we terugkomen.

Morgen kieperen we de groentela leeg in een improvisatiesalade. En maandagmorgen vertrekken we naar Lenthe, in Overijssel. We nemen onze fietsen mee, en dan kan het ‘meer bewegen’ beginnen. We hebben alvast een tochtje van 60 kilometer in de planning zitten. Maar de combinatie met ‘minder eten’ zie ik niet zo zitten. Dat laat ik aan H. over.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...