zondag 27 december 2009

Verhuizen

Onze afdeling verhuist naar een andere kantoorruimte in het gebouw. Een goede gelegenheid om eens flink op te ruimen. Cassettebandjes uit het pre-digitale tijdperk: weg ermee. Internetcursussen uit 2003: hup, oud papier. Jaargangen oude literatuurtijdschriften: wie ze hebben wil mag ze meenemen.
Wat overblijft gaat in kratten mee naar beneden. Daar beginnen we met een schone lei.
Van boven naar beneden verhuizen wordt door sommigen gezien als een degradatie. Boven zit de directie, en de staf. Boven is Belangrijker. Wij zijn van plan om precies even Belangrijk te blijven en genieten van de nieuwe -schone - vloerbedekking en de fris gesopte kasten.
De nieuwe ruimte is ongeveer twee vierkante meter groter dan de oude, maar korter en breder. Dat levert een probleem op. Onze bureaus zijn driehoekig en passen drie aan drie in elkaar. Maar hoe zetten we ze neer?
Zo?
Dan zit iemand voor de deuropening.
Zo?
Dan kan deze kast niet meer open.
Zo?
Dan moet iemand onder z'n bureau door kruipen.
We puzzelen een uur en ineens staat het goed. Als een schuifpuzzeltje dat achteraf heel simpel lijkt. Onbegrijpelijk. Nog twee uur later zijn de kasten ingeruimd en de computers en telefoons aangesloten. We bellen elkaar om telefoonnummers te controleren en gaan onwennig achter onze bureaus zitten. Veel werk wordt er niet meer verricht. Maar wacht maar: vanaf onze nieuwe plek gaan we weer prachtige, originele, leuke, gezellige luistertijdschriften maken!

maandag 21 december 2009

Schiphol

Buiten is het winter, maar wij zitten comfortabel binnen, H. en ik. In de aankomsthal van Schiphol. Ondanks de negatieve reiswaarschuwing van de ANWB zijn we hierheen gereden om E. op te halen. Stapvoets door de sneeuw.

Natuurlijk heeft het vliegverkeer ook last van het weer. Toen we keurig rond twee uur parkeerden, wisten we inmiddels dat het vliegtuig met E. erin pas twee uur later verwacht werd. We hebben dus tijd genoeg voor koffie en een rondje boekwinkel. Daarna zoeken we een plek om te zitten.
Tussen andere wachtenden installeren we ons, elk met een boek. Af en toe grinniken we elkaar een grappig stukje toe, want beide boeken zijn van de vrolijke soort.
Om ons heen gebeurt vanalles wat afleidt. Een oude, Aziatisch uitziende man staat voor een glazen verboden-toegang-deur. Met de gesp van een riem tikt hij verwoed op het glas, gebaart naar iemand daar in de verte, tikt weer. Dat gaat door tot iedereen in onze “zitgroep” kijkt. Belangstellend volgen we de communicatie met een bontmanteldame aan de andere kant van het glas. Als de oude Aziaat steeds driftiger gaat gebaren, loopt ze weg. Wij op de stoeltjes kijken elkaar aan en schieten in de lach.
Er komt een vrouw voorbij die een intrigerend, piepend karretje duwt, waarop tien grote kisten gestapeld zijn. Ik krijg honger en ga een broodje halen.
Op de borden is de aankomsttijd van E.’s vlucht verschoven naar zes uur en als ik m’n broodje op heb is dat zeven uur geworden.
Een bezorgde vrouw telefoneert over uitvallend treinverkeer. Een gezelschap met veel koffers probeert taxi’s te regelen. Een klein kind loopt trots rond met haar eigen koffertje in de vorm van een schildpad.
Voortdurend wordt er omgeroepen dat alle vluchten van maatschappij X of Y uitvallen. Of de passagiers de luchthaven willen verlaten en morgen contact willen opnemen. De meeste mensen schikken zich zonder protest in hun lot. Op de stoeltjes maken mensen het zich zo makkelijk mogelijk. Er wordt gelezen, geslapen, gelachen.
Tegen zevenen blijkt het vliegtuig met E. nu toch echt aangekomen te zijn. Het duurt nog een uur voordat ze haar koffers heeft gevonden en langs de douane is. Dan komt ze door zo’n glazen deur. Daar is ze, onze dochter. Na vier maanden terug uit Amerika!

Het sneeuwen is afgelopen. Toch nog voorzichtig rijden we naar huis. En daar stranden we. Voor de deur. De draai naar de oprit is onze auto te veel in dertig centimeter opgewaaide sneeuw. Met hulp van de buren zetten we hem zo’n beetje op de stoep. Morgen zien we wel verder. Nu zijn we thuis. Met het hele gezin.

zondag 13 december 2009

Kerstboom


Daar staat ie dan. Lekker traditioneel: een boom in de kamer.

Elk jaar is het een punt van discussie. H. Vindt het truttig, een kerstboom. Ik vind het gezellig en heb een medestander in m’n dochter E. Zoon is neutraal.
Zo lang de kinderen klein waren, was de boom vanzelfsprekend, maar de laatste jaren is er protest. Twee jaar geleden haalde ik als concessie drie piepkleine boompjes die samen genoeg hadden aan één snoer met lichtjes.
Vorig jaar was E. het huis uit en zonder maatje capituleerde ik. Geen boom. Ik probeerde het recht te trekken met slingers, ballen en lampjes overal, maar toch…
Dit jaar kondig ik ruimt van te voren aan dat er deze keer wel een kerstboom komt. E. is bijna terug uit Amerika en blijft de kerstvakantie bij ons.
“We hebben toch wel een boom hè”, mailt ze.
“Dat komt wel goed”, schrijf ik terug.
“Truttig”, bromt H.
“Maar we hebben tweede kerstdag een familiediner bij ons”, betoog ik.
“Nou en?”
Ik besluit zelf het heft in handen te nemen en een mooi boompje te halen dat ik zonder hulp naar binnen krijg. Dit weekend, dan kan ik de auto gebruiken.
Zaterdag moeten we even naar de stad. We blijven langer dan de bedoeling was en als ik zie hoe laat het is, zeg ik dat we terug moeten omdat ik nog een kerstboom wil halen.
H. protesteert niet. Hij vraagt waar ik heen wil en rijdt er op de terugweg langs. Sjouwen doet hij niet, maar dat maakt niet uit, want de goedgemutste verkoper schuift m’n boom netjes in de auto. Als we weer wegrijden zegt H. langs z’n neus weg: “eigenlijk raar dat jíj elk jaar zo graag een boom wilt. Het is helemaal niet goed voor het milieu.” Een ijzersterk argument als mosterd na de maaltijd. Ik verdring m’n schuldgevoel en zondag versier ik de boom. Het staat zo gezellig en E. zal er blij mee zijn.
Maar volgend jaar… Ach, dat zien we dán wel weer.

zondag 6 december 2009

Sint voor drie

Wij vierden net als anders Sinterklaas,
Maar nu was het toch wel een beetje kaal.
We waren er dit jaar niet allemaal:
Mijn oudste kind was er niet bij helaas.

Zij is niet dood, zo drastisch is het niet,
Maar te ver weg, ze kreeg niets in haar schoen.
Want ach, wie zou er snoep in moeten doen?
Er is in Allentown geen Zwarte Piet.

Wij stuurden haar een pakje met de post;
De zegels kostten drie keer het kado.
Maar blijkbaar zegt de grenscontrole “No”.
Het is niet aangekomen, it is lost.

Het was Sint Nicolaas voor drie dit jaar.
Geknutsel en geschrijf bleef achterwege.
Wel hebben we leuke kado’s gekregen,
Maar toch, met eentje minder is het raar.

En straks met kerst is zij er wel weer bij.
Nog even en ze vliegt weer naar ons toe.
Misschien is ze humeurig, suf en moe…
Maar wel bij ons, dat maakt me nú al blij!

dinsdag 1 december 2009

Brieven

Roald Dahl schreef zijn moeder 32 jaar lang elke week een brief. Vanaf zijn eerste zondag op kostschool tot aan haar dood. Zo trouw was ik niet, maar ik heb mijn moeder wel heel wat brieven geschreven. De laatste heeft ze nooit gelezen. Ik schreef die brief na haar dood en H. las hem voor bij de begrafenis omdat ik zelf te veel brok in m’n keel had. Mijn dochter constateerde achteraf met een zekere tevredenheid dat mijn brief de meeste mensen aan het huilen had gemaakt. Een tijd lang bleef ik in gedachten brieven aan mijn moeder schrijven en nog steeds zijn er af en toe momenten die een Lieve G.-reflex oproepen.  Soms schrijf ik aan haar zus, mijn tante, die me dan terugschrijft in mijn moeders stijl en handschrift. De eerste keer dat zo’n brief op de mat viel, was het alsof de postbode een geest bezorgd had. Maar alles went.
Bij mijn vader niet. Hij mist haar nog steeds even hard. Vorige week praatten we over haar. Hij vertelde weer hoe het ging, die dag dat ze zich niet zo lekker voelde en plotseling, toen hij even de kamer uit was geweest, zo raar achterover in d’r stoel hing. Ik laat hem vertellen, vraag met droge ogen naar details en luister als een therapeut. Het zal wel goed voor hem zijn om er over te praten.
Als ik weer thuis ben, moet ik iets administratiefs regelen en blader in de map met ouderlijke papieren. Daar kom ik mijn afscheidsbrief tegen. Ik lees mijn eigen woorden aan haar en daar komen de tranen. Geconserveerd verdriet. Maar geschreven woorden houden niet alleen verdriet vast. In de dagboeken die mijn moeder bijhield zijn ook vrolijke vakanties gevangen, en kleine observaties. Sterker dan foto’s werken ze.  En in die woorden, in ouderwets schuin handschrift, kan ik haar op een nostalgisch moment weer even terugvinden. Hallo mam.

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...