dinsdag 29 december 2020

Brave burgers

Sinds hij zijn master Japans heeft gehaald, woont onze zoon J. weer officieel bij ons. Zijn studentenwoning in Leiden zou hij nog een half jaar hebben kunnen huren, maar omdat hij geen inkomen heeft, besloten we samen dat het zo handiger is. Ruimte genoeg bij ons.

Eigenlijk was hij tijdens het maken van zijn scriptie ook meer hier dan in Leiden, vooral nadat de corona heen en weer reizen ingewikkelder maakte. En omdat J. altijd al bijzonder sober leeft, had hij het laatste half jaar aardig wat overgehouden van zijn maandelijkse toelage. Dat bleek een probleem bij het aanvragen van een bijstandsuitkering. Te veel geld op z’n rekening.

Het leek logisch om dat geld dan maar te gebruiken voor het afbetalen van een deel van zijn studieschuld, maar dat was dus niet de bedoeling. De gemeente merkte dit aan als een onverantwoorde uitgave. Bestraft met het opnieuw voorlopig weigeren van een bijstandsuitkering. Gelukkig is het voor ons geen probleem om er een kostganger bij te hebben.
Na een paar maanden straf heeft de gemeente besloten dat hij nu dan toch in aanmerking komt voor bijstand. Maar sinds vandaag vragen we ons af of hij nu eigenlijk nog met ons mee mag eten of dat ie dan in overtreding is…

Want in verschillende media verscheen het bericht dat een Nederlandse vrouw met een bijstandsuitkering 7000 euro moet terugbetalen aan de gemeente. Haar moeder had namelijk eens per week boodschappen voor haar gedaan en ze had verzuimd dit bij de gemeente te melden.

Het valt niet mee om je aan de regels te houden als die regels zo onlogisch zijn: het afbetalen van een schuld is een onverantwoorde uitgave en een moeder die je extra eten toestopt is verkeerd bezig. Zullen we voorlopig dan maar met de gordijnen dicht eten? Of komt de gemeente dan via de bonuskaart van Appie achter mogelijk frauduleus gedrag? En hoe zit het met dat spontane cadeautje dat we onze kinderen onlangs gaven? Mocht dat eigenlijk wel?
De treurige les die we hieruit kunnen trekken is dat je als brave burger een ander maar beter niet teveel kunt toestoppen.  

zondag 27 december 2020

Daaag

Het is vier uur ’s middags en het begint al donker te worden. Buiten hoor ik nog af en toe een windvlaag, maar het lijkt nu toch wat rustiger dan vannacht en vanmorgen. Ik hoop dat E. in haar lichte autootje niet van de weg geblazen wordt.
“Natuurlijk niet,” zegt H. onbekommerd. Maar ik zal blij zijn als ze straks een appje stuurt dat ze veilig is thuisgekomen.

Een week geleden kwam ze hier aan met haar laptop met extra scherm, een volgestampte grote koffer met kleren en nog een tas vol andere noodzakelijkheden.
De afgelopen week hebben we elk op onze eigen plek gewerkt, samen koffietjes gedronken, lekker gegeten, spelletjes gedaan, film gekeken en een virtuele familie-avond gehouden met het gezin van m’n broer.

E. heeft kerstontbijtjes voor ons gemaakt en zichzelf en mij vakkundig opgemaakt. Ik heb haar schouders gemasseerd en cappuccino’s voor haar geschuimd. En de hele week hebben we maar één keer ruzie gemaakt. Met z’n vieren hebben we de beide kerstdagen uitbundige meergangenmaaltijden gegeten uit de kookboeken van H.

En nu is m’n dochter weer vertrokken. Met d’r hele  hebben en houden in haar kleine auto, naar haar drukke, Amsterdamse leven. (Nou ja, de sociale kant staat zoals bij iedereen op een laag pitje, maar druk heeft ze het altijd.)  Ik heb haar uitgezwaaid. Daaag. Rij voorzichtig! Tot volgend jaar.

vrijdag 18 december 2020

Money for Nothing

 

Ze schieten als paddenstoelen uit de grond, de tv-programma’s waarin oude spullen worden gekocht, opgeknapt, gerepareerd, veranderd in iets heel anders of alleen maar schoongemaakt en verkocht.

In het Nederlands hebben we nu (op RTL) De repair shop, waarin stiekem een oud, uit elkaar vallend object met grote emotionele waarde voor iemand in z’n oude glorie wordt hersteld. Tranen van ontroering gegarandeerd.

Maar al veel eerder ontdekten we op buitenlandse kanalen programma’s als ‘The American Pickers’, Salvage Hunters, Salvage Dawgs, The repairers en Money for Nothing. Allemaal programma’s waarin oude spullen worden gered van de vuilnisbelt.

In Money for Nothing wel heel letterlijk: de ‘presentator’ loopt rond bij een afvalbrengstation en spreekt mensen aan die bezig zijn iets weg te gooien. Een gammel kastje, een afgeragde stoel, een roestige lamp enz. Per programma worden drie voorwerpen van de ondergang gered en door verschillende handige personen aangepakt. Die maken er iets prachtigs van dat verkocht wordt. De gemaakte winst wordt langsgebracht bij de eigenaar die het voorwerp eigenlijk kwam weggooien.
Regelmatig kijken we samen een aflevering, want we vinden het allebei leuk om te zien hoe van ouwe zooi iets moois gemaakt wordt. Bij mij beginnen daarna altijd m’n handen te jeuken om zelf iets met m’n handen te gaan doen.

“Heb jij dat niet?” vraag ik aan H. “Dat je dan ook zo’n zin krijgt om iets te gaan maken. Liefst van oud spul dat ergens ligt te verstoffen?”
“Ja, dat heb ik ook wel.”
“Waarom doen we het dan niet? We hebben best wat spullen in de schuur liggen om mee aan de slag te gaan.”
“Hm ja, dat kunnen we wel een keer doen,” zegt H. en dan gaat ie weer op de bank voor de tv zitten om nog een aflevering van Salvage Dawgs te kijken.
Jaja, het is wel duidelijk van wie het initiatief moet komen. Maar ergens in deze saaie lockdownweken gaat het ervan komen. Let maar es op. En als het project succesvol wordt, schrijf ik er misschien nog een stukje over ook.

(H. protesteert. En eerlijk is eerlijk: in de afgelopen weken heeft ie wel het een en ander opgeknapt in huis. Maar de conversatie hierboven is waargebeurd)

zaterdag 12 december 2020

Wingspan

De eerste keer dat we met z’n drieën ons nieuwe bordspel Wingspan spelen, denken H. en ik een voorsprong te hebben. We hebben namelijk samen zorgvuldig de spelregels doorgenomen en alle onderdelen van het spel bekeken.

Maar waar we geen rekening mee hadden gehouden, was dat onze zoon J. het principe van dit soort bordspellen veel beter beheerst dan wij met z’n tweeën bij elkaar. Niet alleen was hij in zijn eerste jaren Japanstudies in Leiden lid van een Studenten Spellen Vereniging, maar juist in deze tijden van corona speelt hij regelmatig online met mensen uit de hele wereld. Terwijl we hem dus de regels uitleggen, past hij onmiddellijk allerlei slimmigheden toe waarmee hij voordelen kan halen. Hij wint dan ook glansrijk, maar dat maakt het eigenlijk vooral leuker.

Voor ons is deze manier van spelen nieuw. Elke speler heeft een spelbord met drie gebieden waar vogels kunnen leven. Die vogels kun je er krijgen door kaarten te trekken. Maar niets komt voor niets. Je moet eerst zorgen dat je het bijpassende voedsel voor een vogel te pakken krijgt voordat je die in je bos, je veld of je moeras mag plaatsen. En dan kun je eieren gaan leggen.

Vogels, voedsel, eieren; het levert allemaal punten op. En dan zijn er nog allerlei eigenschappen van vogels of andere spelelementen die je punten kunnen opleveren of kosten. Het spel ziet er prachtig uit en wie er oog voor heeft, leert onderweg een heleboel over allerlei soorten vogels. De eigenschappen kloppen zo veel mogelijk met de werkelijkheid in de natuur.

Helaas zijn het wel de vogels van Noord-Amerika en kom je geen mussen, koolmezen of merels tegen. Maar dan weer wel de Californische kuifkwartel (waarvan nesten gerapporteerd zijn met maar liefst 28 eieren), de glanstroepiaal (die in grote groepen leeft, van soms miljoenen vogels), de geelsnavelkoekoek (die eieren in andermans nest legt) en de Phoebe (die een nest van modder maakt).  En zo zijn er nog 166 andere vogels. We kunnen nog even vooruit met dit spel!

zondag 6 december 2020

Geen Sinterklaas

We hebben het lang volgehouden om Sinterklaas te vieren, maar de laatste jaren kregen we het niet meer voor elkaar. Onze volwassen kinderen hadden geen tijd voor surprises en gedichten en vaak andere afspraken en prioriteiten. Dus werd vijf december een gewone dag, net als de dagen er omheen. Geen drama, maar wel jammer van de verrassingen die we nu niet meer krijgen én niet meer voor anderen bedenken. Geheimzinnige pakjes zijn zo leuk!

Maar dit jaar waren er in de week van vijf december wél verrassingen! Het begon met een luxe brok gevulde speculaas van de echte bakker. Die kreeg ik (en mijn collega’s) van onze hoofdredacteur op een van de zeldzame dagen dat we allebei ‘op kantoor’ waren.
“Het is de lekkerste speculaas van Nederland”, zei hij, en dat kan ik alleen maar beamen.
Een paar dagen later kwam er, ook van het werk, een bol.com bon met een lang, leuk sinterklaasgedicht erbij. Ik gaf hem meteen uit aan een cadeautje voor mezelf: gekleurd naaimachinegaren met nog wat naai-attributen.
Toen er op 4 december een pakje door de brievenbus viel, dacht ik dat het dát cadeautje was, maar nee, er zat een boekje in: ‘Van Lichtekooi en Zwiepkanarie, lexicon der onterecht vergeten woorden’.
Afzender onbekend… maar ik heb zo mijn verdenkingen over wie de afzender is.
Een uur later klepperde opnieuw de brievenbus en deze keer was het mijn bestelde pakketje.

Dan is het vijf december. H. loopt het halletje in en komt terug met… een pakje. Het komt uit Japan en dat het op Sinterklaasdag aankomt, is toeval. De afzender heeft waarschijnlijk nog nooit van de Sint gehoord. Wel stuurt hij ons ieder jaar in december een verrassing. Al een jaar of veertien, sinds hij als scholier een week bij ons in huis was. Dit jaar zit er een echt coronacadeautje in. Een set Japanse mondkapjes. Ze zijn zó mooi dat je ze bijna voor je plezier zou opzetten.


Dat waren al met al best veel cadeautjes voor iemand die geen Sinterklaas viert. En het leuke is, dat we nu druk aan het nadenken zijn over een Hollands pakje om terug te sturen. Verrassingen voor een ander bedenken is bijna nog leuker dan zelf iets krijgen.

dinsdag 1 december 2020

Master of Art in Japanese studies.

Eind augustus hoorden we na lang wachten dat zoon J. een voldoende voor zijn scriptie had gehaald.

Trots. Blij. Opgelucht! En toen een paar weken later per post zijn bul binnenkwam, werd het nog echter. Master of Art in Japanese studies. Een prachtige titel.  

Vanwege corona zou er natuurlijk geen fysieke diploma-uitreiking zijn, maar er zou een online bijeenkomst georganiseerd worden, vertelde J. Wanneer was nog onduidelijk en ook of het wel of niet interactief zou zijn en of we als ouders welkom waren om mee te kijken.
En deze week is het dan zover. Voor het eerst sinds Covid de boel op z’n kop zet, wordt er vanuit de Universiteit Leiden een online diploma-uitreiking georganiseerd voor alle Japan-studenten die in die periode geslaagd zijn. Met driekwart jaar voorbereidingstijd hebben de uitreikers alle gelegenheid gehad om daar een mooie, alternatieve plechtigheid van te maken.

Het wordt niet interactief, zei J., dus als ik wil, kan ik meekijken. Het begint om half vier.  Om even over half vier hol ik van mijn thuiskantoor naar beneden om naast hem aan te schuiven.
Ik herken het klein auditorium van de Bachelor-uitreiking. Nu is de ruimte leeg op drie officiële mensen na, een man en twee vrouwen, op ruime afstand van elkaar. De man heeft het woord. In het Engels vertelt hij hoe jammer het is dat alles online moet gebeuren. En dan dat er te weinig tijd is om iedereen toe te spreken. Alleen de cum laude geslaagden zullen een praatje krijgen.

O ja, dat was toen bij de Bachelor ook al zo. Onevenredig veel tijd voor de superstudenten en afraffelen van de gewone. Naast me begin de aandacht van J. meteen te verslappen. Maar ik blijf gefascineerd kijken. Het woord is namelijk nu gegeven aan een van de beide dames en haar microfoon doet het niet. Ze spreekt minutenlang door en ik vraag me hardop af of nergens iemand zit te luisteren die haar kan waarschuwen dat ze niet te horen is. Niet dus.

Dan spreekt de man weer. Hij noemt de naam van een student en kijkt opzij naar dame 2. Zij houdt, zoals door hem beloofd, een diploma omhoog. Uit de verte te zien als een A4 waar waarschijnlijk iets op staat. Inzoomen kennen ze hier niet en een microfoon heeft de vrouw niet. Wel spreekt ze, kennelijk in de overtuiging dat de moderne techniek dat allemaal vanzelf regelt.
Vijf studenten later merkt dame 1 op dat een microfoon misschien wenselijk zou zijn. Er blijkt er een naast de diploma’s op tafel te liggen. Mevrouw 2 pakt het ding, tikt erop, praat er even in, legt hem dan schouderophalend weer neer en gaat verder met het tonen van verre A-4tjes met daarbij onhoorbaar  commentaar.

J. heeft zich intussen geërgerd afgewend. De geslaagden worden niet in alfabetische volgorde opgeroepen en ook wisselen cum laude studenten en alleen-even-noemen studenten elkaar zonder systeem af. Moet hij een uur blijven opletten om te horen dat zijn naam genoemd wordt?
Mijn fascinatie verandert in ergernis. Kunnen de mensen die zo’n diploma uitreiking verzorgen zo’n belangrijke gebeurtenis in het leven van een groep jonge mensen niet op z’n minst fatsoenlijk voorbereiden? Na driekwart jaar online leven kan corona toch geen excuus meer zijn! Wat een schamele, beschamende vertoning.

Ik draai me af en J. klikt het beeld weg. Dat was het dan. De afsluiting van een lange, pittige studie. Examencommissie, deze uitreiking krijgt van ons een zware onvoldoende.

zondag 29 november 2020

Bordspellen

Bordspellen zijn dit jaar populairder dan ooit. Al in het begin van de coronatijd werd dat in de media geconstateerd en nu december nadert, ontploft de verkoop helemaal. Wij doen er graag aan mee. De afgelopen maanden hebben we zoveel bespaard op (geen) etentjes, (geen) bioscoop, (geen) weekendjes weg en nog meer (niet)… dat we best een flink bedrag aan spellen kunnen uitgeven.

We bekijken top tien lijstjes en recensies van bordspellen en kiezen een paar favorieten. Je kunt natuurlijk online bestellen, maar liever willen we naar de spellenwinkel in Nijmegen om ze zelf te halen. Het zal er vast druk zijn, bedenken we, dus moeten we van te voren goed weten wat we willen hebben. Zondagmiddag fietsen we naar de stad, mondkapjes mee, en zien tot onze verbazing dat het maximum van 35 klanten in de winkel bij lange na niet gehaald wordt. We kunnen rustig samen naar binnen gaan.

Twee bordspellen willen we in elk geval hebben. Die worden alvast bij de kassa gezet, en H. wil nog even rondkijken. Het is een leuke winkel waar veel mooie dingen te zien zijn, maar in deze voorzichtige tijd wil ik er niet te lang rondhangen. Ik trek H. een paar keer aan z’n mouw. De twee medewerkers van de winkel grinniken: ‘hij heeft geen haast hè.’

Na een tijdje gaan we dan toch. Ik sta voor de kassa om af te rekenen bij de ene man. De andere vraagt aan H. of de spellen ingepakt moeten worden
“Nee hoor,” zegt die, “dat hoeft niet.”
Medewerker één zegt tegen mij: “Hij zegt dat het niet ingepakt hoeft te worden, ben je het daar eigenlijk mee eens?”
Ik moet lachen: “Nou jaaa, je staat hier gewoon te stoken!”
“Natuurlijk,” antwoordt hij uitgestreken. “Als we op zondag werken, mogen we stoken.”
“Ik niet hoor,” zegt medewerker twee. “Dat doet híj alleen!”
Intussen heeft H. de dozen in zijn rugtas gestopt en we lopen lachend de winkel uit. “Tot ziens.”
Achter ons horen we een meisje zeggen dat ze graag wat hulp wil. Het antwoord: “Helaas, dat gaat niet. De hulp is helemaal uitverkocht. We hebben alleen nog een beetje advies.”
Je moet er wat van maken op zo’n zondagmiddag.
Dit is toch leuker dan online bestellen, vinden we allebei. En we hebben meteen een beetje lichaamsbeweging. Want nu moeten we nog acht kilometer terug naar huis fietsen.

donderdag 26 november 2020

Kapotte deuren

Als ik de straat in fiets voor m’n vaste woensdagmiddagbezoekje aan mijn Syrische vriendin zie ik meteen al dat de kinderen in de tuin aan het spelen zijn. De oudste zit op een stoel die bovenop een berg aarde in de tuin geplant is. Hij heeft een papieren mijter op en een rode mantel om. Om hem heen lopen zijn jongere zusjes en een vriendje uit de buurt.
Ik word luidruchtig begroet terwijl ik m’n fiets op slot zet.

“Hé, Sinterklaas,” zeg ik tegen A.
“Die komt pas op 5 december hoor,” antwoordt hij. De kinderen zijn intussen goed op de hoogte van deze Nederlandse traditie, al weet ik dat de verlanglijstjes in hun schoenen van een on-nederlandse bescheidenheid zijn. A. wil graag een spelletje en zusje D. wil pepernoten. De jongere zus weet nog niet wat een verlanglijstje is. Ze is bijna drie en verstaat goed Nederlands, maar praat alleen Arabisch.

De huisdeur staat open en binnen sleept mijn vriendin met een doos die naar buiten moet
. Te kleine kleding die naar een buurvrouw gaat. Als de doos buiten staat, laat ze zien dat het slot van de deur kapot is. Ze heeft het nog maar net ontdekt; van buitenaf kan de sleutel er wel ingestoken worden, maar open- of dichtdraaien lukt niet. Ze is blij dat ze zich niet buitengesloten heeft terwijl de baby binnen lag te slapen.

We morrelen een tijdje, maar er is geen beweging in de sleutel te krijgen. Dan roept ze dat ik binnen moet komen en gaat ze koffie maken. Even later zitten we in de kamer en zijn alle kinderen ook binnengekomen. Ze moeten me van alles laten zien en vertellen. Kleine T. in het Arabisch, af en toe vertaald door haar zus.

“Vandaag is de deur gevallen. Op mijn hoofd,” vertelt D. en wijst naar de binnendeur van de gang naar de kamer. Ik denk dat ze weer eens een fantasieverhaal vertelt, maar haar moeder knikt en laat zien dat de scharnier los aan de deur hangt. Gelukkig liep het goed af, maar er moet wel iets gebeuren met die deur. Ze zucht. “Wat doen?”

Ik herinner me dat ik ooit formulieren heb gezien van hun woningcorporatie en ga op zoek naar het telefoonnummer. Het is al laat in de middag, maar de dame die ik aan de lijn krijg, gaat meteen kijken of er nog iemand kan komen. Even later is ze terug:
“Er komt iemand langs, over een kwartiertje.”
En jawel, een tijdje later staat er een gemoedelijke man op de stoep. Het is een bekend probleem en hij lost het in no time op. En hij wil ook nog wel even naar de binnendeur komen kijken.
“Daar moet een nieuwe deur in,” zegt hij meteen en ook dat ie daar morgen voor langs zal komen. Als ik vraag of dat de familie geld gaat kosten, zegt hij dat dat wel goedkomt. Maar als hij even vluchtig rondkijkt, raadt hij wel een onderhoudsabonnement aan.

N. is opgetogen dat het zo snel geregeld is. Hoe dat werkt met een onderhoudsabonnement zoeken we volgende week wel uit, want het is nu hoog tijd dat ik naar huis ga.
“Naar huis? Waarom?” roept N. zoals elke week. “Omdat ik vandaag aan de beurt ben om te koken,” vertel ik. En dat vindt ze een goede reden.

zondag 15 november 2020

Een glazen huisje op het dak

Bovenop het dak van de flat hier tegenover staat een vierkant huisje met aan drie kanten glas. Het staat er pas net, vertelt E., terwijl ze de laatste dingetjes inpakt voor haar weekendje weg met een vriendin. Wij kunnen dit weekend in haar Amsterdamse huis doorbrengen en H. zal nog wat langer blijven om een beetje voor z’n dochter te klussen.

Het glazen huisje doet me denken aan Pluk van de Petteflet, al is dit huisje niet rond, zoals het torenkamertje van Pluk. Overdag wordt het als kantoor gebruikt, zegt E., maar in het weekend zien we er niemand. Het lijkt me een vreemde plek om te werken, zichtbaar voor iedereen uit de verre omtrek. Maar zelf heb je dan ook wel weer een geweldig uitzicht rondom.

Door de coronaregels kunnen we niet naar musea en gezellig winkelen is ook geen optie, maar gewoon door de stad lopen kan wel en dat is dan ook wat we doen. Vrijdagmiddag een kleine wandeling die langs een Marokkaanse en een Turkse winkel voert waar we lekkere dingen kopen om te eten.

Zaterdag lopen we de hele Prinsengracht af, met af en toe een uitstapje opzij. Ondanks de corona is het op sommige plaatsen behoorlijk druk. Van smalle stoepjes met veel tegemoetkomende wandelaars word ik onrustig. Ik doe een mondkapje op maar vind het toch niet prettig. We zoeken de minder drukke plekken op. Het is droog en helemaal niet koud. Gelukkig, want een cafeetje induiken zit er niet in. Wel worden overal drankjes en hapjes ‘to go’ aangeboden. We drinken een koffie-to-go op een bankje langs het water. ’s Avonds eten we bij vrienden die we al een tijd niet gezien hebben. Netjes op anderhalve meter maar daarom niet minder gezellig.

Zondag moeten we verplicht naar het centrum. Er is een goedkope parkeerregeling die voorschrijft dat je met het OV uit het centrum komt voordat je de parkeergarage verlaat. Als je dan je parkeerkaartje én je OV-kaart scant, kost het parkeren maar een euro per dag. We wandelen naar het Leidseplein, maar in de miezerregen is de stad een stuk minder vriendelijk. Ik ben blij dat we met de tram terug gaan.

Voordat ik zondagmiddag terug naar huis ga, sta ik nog even voor het raam. Het Pluk-huisje is leeg. Er loopt een meeuw omheen te scharrelen, maar door opstaande randje om het dak kan ik niet zien of ie een houten poot heeft. Ik pak mijn koffertje en de autosleutels. De meeuw stijgt op en verdwijnt in de loodgrijze verte. De miezerregen is overgegaan in een gestadige bui, die onderweg steeds heviger wordt. We hebben echt geluk gehad met onze twee droge, zachte novemberdagen in Amsterdam.
 

zaterdag 7 november 2020

Lievelingsseizoen

Op zo’n zonnige herfstdag als vandaag vergeet ik dat mijn favoriete seizoen de lente is. Als ik met een fietsrondje mijn streefaantal kilometers van de week rond maak, kies ik een andere richting dan meestal. En op een kleine vijf kilometer van huis sla ik af naar een netwerk van smalle fiets- en wandelpaden ik bijna nooit kom. Ik neem op goed geluk afslagen en rij om een meertje heen waar langs verschillende vissers zitten.

Twee mannen hebben een tentje opgezet en zitten daar relaxed naast met hun hengel. Er staan nog meer hengels uit; dit is geen uurtje vissen, dit is een serieuze dagbesteding! Verderop groeten een paar andere, minder geconcentreerde vissers me vriendelijk.
Aan de overkant van het water huppelt een enorme, langharige hond vrolijk voor z’n baasje uit. Het is al minstens de vijftiende hondenbaas die ik tegenkom. Deze mooie dag lokt iedereen naar buiten, met of zonder hond.

Even weet ik op deze wirwar van paadjes niet meer waar  ik ben, maar dan zie ik de kudde schapen weer waar ik van de bekende weg afsloeg. Onder het viaduct door, de heuvel op en als ik naar beneden roets, ruik ik dat hier sloten uitgebaggerd zijn. Twee kraaien kijken me brutaal aan vanaf een stinkende hoop natte modder met riet. Ze vinden er blijkbaar iets lekkers.

Vlakbij huis zie ik langs de weg een piepklein stalletje met zakken noten en bakjes waar iets roods in zit. Nieuwsgierig stop ik om te kijken. Het zijn kleine sierappeltjes. Nee, dat vind ik niet interessant. Veel leuker was de kraam met appels en stoofperen waar ik eerder deze week langs kwam. Goedkope, rommelige appeltjes die heel geschikt zijn om sap van te maken.


En dat is precies wat we vroeg in de avond doen. Met op de achtergrond het geluid van CNN reporters, die na vijf dagen van stemmen tellen en rekenen eindelijk met zekerheid verklaard hebben dat de nieuwe president van Amerika niet Donald Trump heet, maar Joe Biden. Ik geloof dat dit jaar de herfst echt mijn lievelingsseizoen is.

vrijdag 30 oktober 2020

Pianospelen

We hebben de piano op een andere plek gezet.
Nu H. met pensioen is, wordt de ene na de andere praktische klus in huis aangepakt. Toen hij een oude tafel had opgeknapt, geschuurd en gelakt, bekeken we hoe die een plek kon krijgen in de kamer.
“We zouden de piano weg kunnen doen,” opperde H.
Maar hoewel ik er al jaren niet echt op gespeeld heb, ben ik toch wel gehecht aan dat instrument. Ik wil hem niet kwijt. Wel besloten we hem te verplaatsen. En zoals dat gaat als je iets ergens anders neerzet: je kijkt er ineens niet meer overheen, maar zíet het.
Ik besloot om weer te gaan spelen.
En als ik me zoiets serieus voorneem, doe ik dat ook.
Ik haalde mijn oude pianoboeken tevoorschijn, bladerde ze door, probeerde wat fragmentjes en vond stukken terug die ik ooit graag en veel speelde.

Het geheugen is een wonderlijk labyrint. Terwijl ik speel, lijkt het soms in mijn vingers te zitten. Zelfstandig wandelen ze door een regel muziek, om bij een lastig akkoord ineens te staken. Dan moet mijn hoofd het werk weer doen. Welke noten staan daar nou?
Ik hoor H. op de achtergrond mee neuriën.
“Heb je er last van als ik speel?” vraag ik soms.
“Helemáál niet!” zegt hij. “Leuk juist.”

Vandaag heb ik een afspraak gemaakt met een pianostemmer. Ik weet al heel lang dat dat nodig een keer moet gebeuren, maar nu lijkt het ineens de moeite en het geld waard.
Na een half uurtje spelen, doe ik de klep van de piano dicht en begin met het schrijven van deze blogpost.
H. loopt door de kamer. Hij zoekt een tijdje, mompelt tevreden en stopt dan een cd in de speler. Ik glimlach als ik hoor wat hij heeft opgezet: Gnossiennes; pianostukken van Erik Satie.

zaterdag 24 oktober 2020

Waarom liggen overal zwarte kruimeltjes?

Geel met zwart is de trein. Met achter de gestroomlijnde locomotief twee lange wagons. Eerst een met luxe coupés voor passagiers; achter de getinte ramen zit een man in een duur pak, een vrouw die haar glas heft. Verder naar achteren zijn wat slaapcoupés. Daarachter een wagon voor goederenvervoer. Niet zómaar goederen: een gedeelte is beveiligd voor geldtransport.

Het is een mooie elektrische legotrein, maar al heel lang speelt er niemand meer mee. Een paar jaar geleden hebben we hem afgestoft en in elkaar gezet met het idee hem op Marktplaats te zetten. Maar het kwam er niet van. Nu pak ik dat project weer op. Ik controleer alle onderdelen en op een paar kleine details na is alles compleet.

Samen met zoon J. leg ik de rails aan elkaar en zet alles klaar voor een serie foto’s. Maar waarom liggen overal zwarte kruimeltjes? Ze blijken afkomstig van het snoertje dat de trafo met de rails moet verbinden. Het is zo gaar als een klontje en valt uit elkaar. Op verschillende plaatsen liggen de elektriciteitsdraden bloot. Ai!!

Op internet ga ik op zoek naar zo’n los snoertje. Het blijkt 30 euro te kosten. Ik twijfel. Eerst eens kijken of er iets te fixen valt.
Die avond strip ik de draden en wikkel er zorgvuldig isolatietape omheen. Het is een geduldwerkje, maar als het klaar is, ziet het er netjes en veilig uit. Tevreden leg ik de rails nog eens neer, de trein erop, snoeren eraan en … niets.
We controleren alle contactpunten, zien het lampje van het bedieningspaneeltje branden, maar de trein rijdt niet.
En nu?Het is een prachtige trein, maar als hij het niet doet, is ie onverkoopbaar. Ik weet het even niet. Ik stop alles netjes terug in de doos en die gaat ergens achterin een kast. Tot zich een oplossing aandient.
Of niet.

zondag 18 oktober 2020

Terug naar principieel


Nu H. met pensioen is en ik voorlopig voornamelijk thuis werk, is één auto echt wel genoeg. Het was van het begin af de bedoeling dat nummer twee tijdelijk was, dus nu mag ie weer weg.

Ik zoek online uit wat een redelijke vraagprijs is voor een Honda Jazz uit 2004 met een kilometerstand van ruim tweehonderdduizend kilometer. 1500 euro zou ik ervoor moeten kunnen krijgen, dus ik zet hem voor 1750 op Marktplaats. En nu maar kijken wat er gebeurt

Al snel komt er een eerste bod van 1000 euro. Dat is zo ver onder de vraagprijs dat ik er niet op reageer. Het wordt 1100, 1150 en dan komt er een mailtje van iemand die 1400 wil geven. Het is geen openbaar bod en ik reageer met de vraag waarom dat is.
“Omdat ik dat altijd zo doe. Is dat een probleem?”
“Het maakt de situatie onduidelijk omdat andere bieders niet kunnen zien wat het hoogste bod is,” antwoord ik.
De ondergrondse bieder reageert erop door het openbare bod te verhogen naar 1160 euro. Een rotstreek, blijkt, want prompt komt iemand anders met 1170. De stappen zijn van 50 terug naar 10 euro gegaan. 

Toch stijgt de prijs langzaam naar 1400. Ik mail wat heen en weer met de hoogste bieder, die al drie keer eerder heeft geboden, maar voor we het eens zijn, is er ineens iemand die 1600 euro biedt.
Marcel wil eerst graag een proefrit komen maken. Het is een vriendelijke oudere man die de auto komt kopen voor zijn vrouw. Als ik met hem naar buiten loop, zegt hij:
“Als de airco het maar goed doet, is het wat haar betreft goed.” Ik sta stil.
“Eh, die zit er niet in.”
Hij staat ervan te kijken: “Ze heeft em zélf uitgezocht. En dan heeft ze dat niet gezien…”
Hij maakt toch een proefrit, maar ik ben niet verbaasd als hij de volgende ochtend laat weten dat de koop toch niet doorgaat.

De advertentie op Marktplaats gaat weer van ‘gereserveerd’ af en ik mail de eerdere belangstellende. Die heeft nog steeds belangstelling en we maken een afspraak. Mahan blijkt een Iraanse vrouw en dit wordt haar eerste auto. Ze komt samen met man en klein, slapend ukje in een buggy. Gelukkig weet ze precies wat erbij komt kijken als je een auto koopt die je meteen mee wilt nemen. Samen naar het postkantoor voor de overschrijving, meteen de verzekering regelen en dan is mijn Honda van haar.
De buggy past precies achterin en zonder spijt zie ik mijn eerste eigen auto uit m’n leven verdwijnen. Terug naar principieel.

dinsdag 13 oktober 2020

Supergezond deel 2

In de koelkast staan twee bakjes met groentepulp. Het zijn de overblijfselen van ons enthousiaste experiment met groentesapjes. De nieuwe slowjuicer van H. heeft al het sap uit de groenten geperst en wat er dan over is, is een droge substantie.

Die kan heel goed dienen als basis voor groenteburgers. Ik las het op internet en kan het me meteen voorstellen; de keren dat ik geprobeerd heb burgers te maken van bonen of kikkererwten, wilden ze nooit echt stevig worden. Met dit droge spul moet dat lukken.

Ik doe het bakje groene brokjes (voornamelijk spinazie) in een kom, breek er een ei bij en meng het met wat havermout en wat meel. Nu flink kruiden en klaar is het mengsel. Ik maak er vier ronde schijven van die ik door het paneermeel haal en dan gaan ze een paar uur in de koelkast.

Wow, ze zien er heel echt uit. Voor het avondeten bakt H. ze aan beide kanten bruin en doen we ze met sla en een tomaatje op pitabroodjes. En hé, ze zijn gewoon heel lekker! Zelfs zoon J. kan de burgers waarderen, al heeft ie toch liever een gehaktballetje.

Een dag later is de wortel/bietenpulp aan de beurt. Op zijn verzoek laat ik H. zien hoe het in z’n werk gaat: dezelfde behandeling, andere kruiden. Weer maken we van ‘afval’ een paar prima groenteburgers. Zo word ik steeds blijer van de slowjuicer, het ruimteverslindende monster dat H. zo graag wilde hebben. Nu alleen nog een goede plek vinden om het ding op te ruimen.

zondag 11 oktober 2020

Supergezond

“Asjeblieft. Fijne dag verder!”
De pakketbezorger zet een groot pak net over de drempel van de hal. Ik weet meteen wat het is.
H. is van de keukenmachines. In onze keukenkastjes wordt veel plaats ingenomen door een rookpan, een pastamachine, een mandoline (=groentesnijder), een staafmixer, een gewone mixer… Op het aanrecht staat een royale keukenmachine, in de schuur een ijspannetje, een rollergrill en een gourmet-stel. De broodmachine, die we nooit gebruiken, mocht ik gelukkig verkopen via Marktplaats.

Mijn voorwaarde voor deze nieuwe aankoop was dan ook dat er eerst ruimte voor gemaakt moest worden. Dat heeft H. beloofd, maar nu het monster in de hal staat, is het nog niet gebeurd.
In het pak zit een slowjuicer en H. is er echt blij mee. Ik heb nog mijn reserves, maar het lijkt me ook wel weer leuk om allerlei verse sapjes te maken.

Dus gaan we in de namiddag naar het park, waar talloze fruitbomen staan met rijpe appeltjes en peren die niemand wil hebben. De slowjuicer verwerkt ze moeiteloos en ’s avonds  hebben we een liter vers appelsap en een liter vers perensap. Lekker.

In het weekend pakken we het serieus aan. H doet inkopen en komt met allerlei groenten thuis waar je sap van kunt persen. We gaan in verschillende combinaties uitproberen wat lekker is.
Na schoonmaken, schillen en snijden duwen we alles in hapklare brokken in de mond van de machine. Behalve sap, komt er op een andere plek de pulp uit van bieten, spinazie, wortels, bleekselderij en nog een paar groenten.

Met negen glazen groentesap in allerlei kleuren gaan we experimenteren. Beetje wortel, beetje biet, wat tomaat…mmm,  niet gek! H. gaat voor de groene sapjes: spinazie, komkommer, bleekselderij. En perensap erbij om het zoeter te maken.
Het schoonmaken van de slowjuicer en al het gebruikte serviesgoed is een flinke klus. Dus stiekem vraag  ik me af of we dit nieuwe speeltje echt wel regelmatig gaan gebruiken. Maar dít experiment was in elk geval heel geslaagd. En natuurlijk Supergezond.


 

 

vrijdag 9 oktober 2020

Dingetjesbak

Ken je dat? Zo’n plekje ergens in huis – meestal een schaaltje of bakje – waar allemaal dingetjes liggen: een sleutelbos, telefoon-oplader, usb-stick, losse sleuteltjes, nagelknipper, schroefje, onduidelijk dingetje dat misschien nog ergens bij hoort.

Wij hebben zo’n dingetjesbak op een kastje in de woonkamer staan. Geen klein bakje, maar een flinke schaal, waar steeds meer in terechtkomt. Zo veel dat het me begint te ergeren. Vooral de wirwar van snoeren. Elke dag rol ik ze netjes op, draai het uiteinde om het rolletje en steek dat vast. Maar net zo hard leggen mijn huisgenoten ze weer ontrold in de schaal, waar de draden aan alle kanten uitsteken.

Ik besluit maatregelen te nemen. Boven staat nog ergens een ongebruikt, klein, houten ladenkastje. Dat haal ik naar beneden. Ik stort de dingetjesbak leeg op tafel en sorteer alles wat er in zit. Een stapeltje ‘weg d’r mee’, een stapeltje ‘dit hoort ergens anders’ en een stapeltje dingen die ik over de 6 laadjes verdeel. Dat ziet er beter uit. En ik stel per direct een boete in voor alles dat langer dan een kwartier náást het ladenkastje ligt.

Toch is het nog niet helemaal zoals ik het wil hebben Het kan leuker. Ik ga op zoek tussen restjes stof en maak een ontwerp. Met schaar, mes, lineaal, schuurpapier en houtlijm verander ik het kastje in een vrolijk accessoire.
En nu kijken hoe lang we alles netjes in de laadjes blijven opruimen!



zaterdag 3 oktober 2020

Geel als citroen, rood als tomaat

Tegenwind op de heenweg, en dan heb je terug lekker de wind mee. Dat is over het algemeen mijn voorkeur als we een stuk gaan fietsen. Vandaag hebben we niet alleen tegenwind, maar gaat de weg ook hier en daar een stukje omhoog. En wat zwaarder weegt: ik heb nog niet ontbeten! Ik ben blij als we in Nijmegen aankomen bij Café De Blonde Pater; dé plek voor een ontbijtje buiten de deur in Nijmegen en omgeving.

Al is m’n vakantie achter de rug en is dit weer een gewone werkweek, met een gepensioneerde H. in huis krijgt het werkende leven toch een vleugje vakantiegevoel. Mijn vrije vrijdag is ineens een gezamenlijke vrije vrijdag. Een dag om leuke dingen te doen. Vooral als na een druilerige week het weerbericht voor deze dag droog en aangenaam is. Dus zitten we om kwart over tien in De Blonde Pater, waar H. een klein ontbijt bestelt en ik een ‘uitgebreid ontbijt’.

De twee borden die ons gebracht worden, lijken verdacht veel op elkaar en dat blijkt een vergissing. Dus moet ik, hongerig als ik ben, nog iets langer wachten, terwijl H. al aan z’n beschuitje begint. Het uitgebreide ontbijt is decadent. Een scone met room en jam, een pannenkoekje, een beschuit, een cracker, twee boterhammen, een roerei, plakken jonge kaas en brie, een glaasje yoghurt met muesli. Veel te veel natuurlijk, maar ik sla er een behoorlijk gat in.

Met nieuwe energie fietsen we heuvelop verder Nijmegen in om naar Museum het Valkhof te gaan. We zijn er precies op tijd voor ons gereserveerde tijdslot. We zetten de fietsen neer en doen netjes onze mondkapjes op, want die zijn in het museum verplicht. H. vindt op zijn telefoon het mailtje met de reserveringen, maar als we onze museumjaarkaart moeten laten zien, merk ik dat m’n bril niet in m’n tas zit. Shit, op tafel laten liggen na het ontbijt.

Heuvelaf ben ik zo terug bij de Pater en nóg een keer de heuvel op heb ik de scone er tenminste weer afgefietst. We kunnen het museum in. Na de vaste collectie bekijken we de tentoonstelling ‘Geel als citroen, rood als tomaat’ van meubel- en productontwerper Ineke Hans en beeldend kunstenaar Erik Mattijssen. Het zijn 26 kleurrijke scènes, steeds met bij elkaar gebrachte werken van beiden.

Behalve veel kleur zit er humor en een soort gekte in, die we allebei kunnen waarderen. Leuk! Het is al halverwege de middag als we weer naar buiten lopen en eindelijk de mondkapjes weer af kunnen doen. Weer een museum om bij te kunnen schrijven op de museumjaarkaart. Een lekker dagje uit. En dan is het echte weekend nog niet eens begonnen.


zondag 27 september 2020

Klerendag

“Ik heb van mijn vriendin kleren gekregen, maar hou een heleboel over. Ik dacht dat jij wel eens kleding inzamelde voor een familie hier in de buurt (…)” Dat appte mijn ex-buurvrouw L. vlak voor ik op vakantie ging. Die kleren moesten dus even wachten, maar eenmaal terug zou ik ze donderdagavond ophalen.

Donderdagavond zijn we uit eten. Ik wil even een berichtje sturen dat het wat later wordt, maar m’n telefoon zit nog thuis aan de lader. Vervelend, maar erg laat maken we het niet, dus het komt wel goed. Als we thuis komen, staat er een wit autootje op de oprit van de buurman. De dochter (van hem en z’n ex) is bezig met uitladen. Een enorme doos en zes vuilniszakken vol kleren. Ze wil ze net bij paps in de hal parkeren, maar nu worden ze bij óns naar binnen gedragen.

Op mijn telefoon zie ik een berichtje van een half uur geleden: “Is het OK als S. de kleren komt brengen?” Ik app terug: “Wat veel! Ik wilde je net gaan vragen of ik het op de fiets mee kon krijgen…” Er komt een emoticon van een brede lach terug. “Kan best hoor, maar dan moet je wel vaak heen en weer fietsen.”

Sjonge, de kamer staat vol kleren. Ik ga meteen maar even kijken wat er in de zakken zit. Het is voornamelijk vrouwenkleding, maar wel van verschillende maten. De zak met een paar enorme mannenoverhemden zet ik meteen opzij. Uit de andere zakken en de doos zoek ik alles wat me klein genoeg lijkt voor mijn Syrische vriendin N.

Ik verbaas me over de enorme hoeveelheid kleren. Heeft die vriendin dat allemaal voor zichzelf gekocht? De meeste dingen zien er tamelijk nieuw uit, aan sommige bloesjes hangt nog het kaartje van de winkel. Drie warme winterjassen. Een stuk of wat korte, (nep)leren jasjes. Veel dure merkkleding… Hoe kun je dat allemaal óver hebben? Twee uur later heb ik drie tassen vol klaarstaan om naar N. te brengen.

Morgen ga ik dat doen. En dan de rest weer zien kwijt te raken. Het mag naar de container, maar terugbrengen is ook oké. Dus dat ben ik van plan. En vlug ook, want het hele huis ruikt naar de wasverzachter.  Zo blijkt de laatste dag van mijn vakantie onverwacht een klerendag te worden.




zondag 20 september 2020

Weet je wie die man met dat mondkapje was?

Ons verrassingsuitje zaterdag is in Rotterdam. Het blijft dus tot het laatste moment spannend of het door kan gaan. Maar de extra Covid-regels voor de Randstad die vrijdagavond bekend worden, gaan vooral over het uitgaansleven en grote feesten. En de testuitslag van D. komt net op tijd binnen: negatief, dus géén Corona. Dus staan we zaterdagmorgen in Rotterdam op de afgesproken plek. Ergens aan het water.

Natuurlijk! Water en varen vinden we alle zes fijn, dus als verrassing is dat altijd raak. Maar dit blijkt een bijzonder vaartochtje te worden. De twee kleine boten waarmee we de Rotte op gaan zijn elk gemaakt van 7000 petflessen. En het is de bedoeling om onderweg met grijpers en netten plastic en andere troep uit het water op te vissen. De boot die het meest bijzondere voorwerp uit het water haalt, wint.

Geruisloos voert de elektrische motor ons naar alle plekken waar rommel dobbert. Eerst zien we niet zo veel, maar schipper Frank leert ons hoe we moeten kijken. Dáár, een blikje op 10 uur; hop, in de blik-en-plastic-zak. Fles tussen de kattenstaarten… ja, die gaat bij de flessenverzameling voor een nieuwe boot. We varen van links naar rechts. Al heel snel is het tijd voor een picknick op een steigertje en daarna varen we even lekker door om ook wat meer van Rotterdam te zien.

Onze collegaboot blijft een tijdje hangen bij de kade, waar ze in gesprek raken met een man met Feijenoord-mondkapje. Bij een bruggetje kunnen we even later niet verder. De boten liggen naast elkaar en de schippers wijzen ons de beroemde Markthal ie je hiervandaan nét kunt zien.
“Weet je wie die man met dat mondkapje was?” vragen ze vanuit de andere boot.
“Het was de burgemeester. Hij vond het mooi dat we z’n stad een beetje schoonmaken.”

Op de terugweg vinden we een fiets. Hij ligt helemaal onder water en onze schipper wil al doorvaren maar K. wil de fiets proberen te pakken. Het water vertekent de afstand. Ze doet een duik naar het stuur, maar dat zit veel dieper dan het lijkt. Het scheelt niet veel of K. ligt bij de fiets; we houden haar nog nét binnenboord. Een halve kilometer verderop lukt het de fanatieke K. nog een keer om bijna te water te gaan. Dit keer levert het een halve stoel op.

Dan zijn we terug. De buit wordt bekeken. Behalve veel blikjes, flesjes en plastic zakken zijn er wat vreemdere voorwerpen verzameld. Een half verbrand fietszadel uit de andere boot (‘natúúrlijk ga je te water als je zadel in de fik vliegt!’)  neemt het in de finale op tegen onze zuurstokroze bellenblaas-set van 30 cm. lang – opgevist in twee delen.
Wij winnen en krijgen ieder een glaasje schippersbitter. PROOST.

zondag 13 september 2020

Drijvend riet

Het riet is hier gemaaid. Overal om ons heen zien we plukken drijven. Ik probeer de kano er zo goed mogelijk tussendoor te sturen, maar toch horen we regelmatig zo’n plak onder de aluminium bodem door schuren. H en ik zakken in een gehuurde Canadese kano het riviertje de Regge af. Terug naar Ommen, waarvandaan we naar het startpunt zijn gebracht.

De instructies waren simpel: gewoon met de stroom mee varen tot de Regge bij de Vecht uitkomt. En daar naar rechts, pardon Stuurboord, de Vecht op.

Zodra we afvaren zijn we omgeven door een natuurgebied waar je niets anders hoort dan de vogels en het zachte geplas van onze riemen. Af en toe zien we in een flits een ijsvogel die laag over het water scheert en dan weer verdwijnt in de struiken langs de oever.

Zwaluwen stuntvliegen in groepjes boven land en water. Een reiger landt in het riet. We roeien er kalmpjes tussendoor, speurend naar het blauw van de ijsvogeltjes. Eén keer zien we er een boven het water hangen en dan duiken naar een vis.

We zijn al ruim een uur onderweg als we tussen het drijvende riet terechtkomen. Het wordt steeds meer en we zien dat er verderop een lage barrière dwars over de rivier ligt, waar het riet achter blijft liggen. De jongen die ons met kano en al wegbracht, heeft iets gezegd over zo’n barrière: ‘als je even goed vaart maakt, kom je daar makkelijk met de boot overheen.’

Dus maken we vaart, maar in dit drijvende rietveld heeft dat weinig zin. We lopen vast. Hier komen we nooit doorheen. Met moeite wrikken we de kano achteruit en dan naar de kant. Langs de oever is een smalle opening tussen de barrière en de wal. Daar proberen we de boot doorheen te krijgen. Samen trekken we vanaf de kant aan het touw dat aan de kano zit. De boot  helt griezelig schuin over en komt dan met z’n neus in een veldje munt terecht. Maar hij is aan de andere kant.

We stappen weer in de boot en zijn nu in rietvrij water. Dat vaart een stuk makkelijker.
Een uurtje later draaien we de Vecht op om de laatste paar kilometer stroomopwaarts te roeien naar Ommen. Ruim twee en een half uur hebben we erover gedaan. Het was een prachtige tocht, maar nu is het wel erg fijn om weer rechtop te staan en de benen te strekken.


zaterdag 5 september 2020

Meer bewegen, minder eten

We eten strategisch dit weekend. Maandag gaan we op vakantie en voor die tijd willen we de koelkast zoveel mogelijk leeg hebben. J. waakt over ons huis, maar we gaan hem niet opzadelen met onze restjes. En zéker niet met de venkel en de mozzarella, waar hij helemaal niet van houdt.

Venkel dus vandaag. En mozzarella, verwerkt in een salade Caprese (tomaat, mozzarella en basilicum). Omdat H. zich voorgenomen heeft om meer te bewegen en minder te eten, wil hij graag een lichte maaltijd. “Ja, maar ík hoef niet minder te eten! Alleen venkel en die salade is voor mij niet genoeg,” protesteer ik.

Maar ik hoef niet bang te zijn. Er moest ook nog een doos appeltjes op, dus vanmiddag heeft H. een grote appeltaart gebakken. En als toetje kan ik een stuk krijgen zo groot als ik wil.
Het wordt een enorm stuk en hoe lekker het ook is, na de laatste hap kan er geen kruimeltje meer bij. De rest gaat in de vriezer. Bij de pizza’s van J. Ik ben benieuwd of er nog iets van over is als we terugkomen.

Morgen kieperen we de groentela leeg in een improvisatiesalade. En maandagmorgen vertrekken we naar Lenthe, in Overijssel. We nemen onze fietsen mee, en dan kan het ‘meer bewegen’ beginnen. We hebben alvast een tochtje van 60 kilometer in de planning zitten. Maar de combinatie met ‘minder eten’ zie ik niet zo zitten. Dat laat ik aan H. over.

zondag 30 augustus 2020

Een groepje kwetsbare personen


De violisten van het vioolkwintet zijn heel jong. Ik wil graag geloven dat ze ook begaafd zijn, maar in deze vochtige open ruimte klinken hun instrumenten niet erg zuiver. We sluipen de open ruimte uit nadat we netjes geapplaudisseerd hebben en vinden buiten een plek waar we onze broodjes kunnen opeten.

We zijn in het Openluchtmuseum in Arnhem. Met z’n zessen. Drie broers en drie schoonzussen. Later zal een vierde stel zich bij ons voegen en broer vijf heeft helaas afgezegd. De jaarlijkse broersdag, met H. als jongste, terwijl de oudste broers, een tweeling, inmiddels de 75 gepasseerd zijn; een groepje kwetsbare personen. We hebben dan ook zorgvuldig niet omhelsd en gezoend, maar nu geven we voor we het weten onbekommerd broodjes aan elkaar door.

Gelukkig is het mooi weer en kunnen we de hele dag buiten zijn. In het openluchtmuseum bekijken we de overbekende Zaanse huisjes (de broers komen uit Krommenie), het weeghuisje uit Wolphaartsdijk (geboorteplaats van hun moeder) Dan lopen we in een oogwenk van Zeeland naar de Friese Zuivelfabriek Freia en vandaar naar Limburg, naar het Groene kruis-gebouw.

Hoe ouder je wordt, hoe leuker zo’n museum is, waar je hier en daar een interieur tegenkomt met net zulke sisal vloertegels als je zelf ooit had, of ‘hé, zulke stoelen hadden wij thuis vroeger ook’, en ‘ik had een tante die nog zo’n wc had’ – een gat boven een ton. 

We zouden nog wel langer rond kunnen dwalen, maar er moeten mensen van het station gehaald worden, want de dag gaat met acht personen verder, bij ons in de tuin. We hebben van te voren berekeningen gemaakt over hoe we iedereen binnen aan tafel konden zetten met anderhalve meter afstand. Maar de praktijk is dat we buiten gewoon een wijde kring maken om de tuintafel.

En terwijl we ons best doen om fysiek de afstand te bewaren, voelt het toch alsof we dichtbij elkaar zijn. Omdat het behalve broersdag toevallig ook onze trouwdag is, krijgen we kadootjes en lieve woorden. We zorgen voor onze gasten met het eten dat we gisteren voorbereid hebben en nu in vijf gangen op tafel zetten. En we praten tot het tijd wordt om te vertrekken. Zonder zoenen, zonder omhelzingen, maar wel met een goed gevoel. We hadden een fijne dag samen.

zondag 23 augustus 2020

Etentje voor zes

We fietsen tegen de wind in en dat is niet verkeerd, want dan hebben we straks terug de wind mee. In mijn fietstas rinkelen kleine potjes jam en twee flessen wijn. Na twee kilometer op een kale, smalle weg zien we links de bomen van het park waar onze neef Q in zijn zelf geknutselde huisje woont.
Hij heeft ons uitgenodigd om te komen eten. Met zijn tamelijk nieuwe vriendin en nog twee mensen.

“We zoenen niet,” zeg ik tegen Q. Hij lacht, “Okee, dan niet.” Ik geef hem de potjes die we voor hem hebben meegenomen. Bramenjam uit eigen tuin, peertjes uit de tuin van de buurman, perzikenjam uit een tuin iets verderop en pruimenjam uit het veld. Hij kan het waarderen, als verzamelaar van ‘alles waar je nog wat leuks mee kunt doen’. De wijn die H. hem geeft, wordt meteen op de tafel gezet, die buiten klaarstaat.

Achter ons zijn de andere twee gasten ook aangekomen en ook zij brengen huisgemaakte jam mee. Als ze het t-shirt van H. zien met het Schopenhauer citaat “Het ergste moet nog komen,” grinniken ze herkennend en de vrouw vertelt dat ze zo’n shirt een keer aan iemand cadeau heeft gegeven.

Dat we met z’n zessen zijn, heeft niets te maken met de coronaregels. Q. vertelt dat hij dat gewoon een mooi aantal vindt. ‘Dan hoort iedereen er bij. Bij meer mensen krijg je al gauw groepjes. En trouwens, dan zou ik borden moeten gaan lenen.” Hij heeft gelijk. Met z’n zessen is het heel gezellig.

Het voelt vertrouwd om hier met deze mensen onder de bomen in het woonpark te zitten op de gammele, bij elkaar geraapte stoelen van Q. Onze neef kan prima koken en hij komt met mooi opgemaakte bordjes garnalen en later met vis. Soms zit er een bordje tussen dat we herkennen. Uit het servies van H’s ouders, de opa en oma van Q.

Als het donkerder wordt, zet Q. een kandelaar met kaarsen op tafel en als die uit dreigen te waaien komt hij aanzetten met een bijzondere lamp. Gemaakt van een stuk gedraaid hout, waar precies de trompet in past die als lampenkap dient. Lampen en andere gebruiksvoorwerpen maken en verkopen blijkt het nieuwe verdienmodel dat Q. wil gaan uitproberen. We geloven er meteen in, want hij heeft gouden handen en een grote fantasie.

Het eten was lekker, de wijn is op, het is tijd om terug naar huis te fietsen. Met de wind mee. We nemen afscheid. Zonder zoenen maar wel heel hartelijk. Het was een leuke avond!

Brrrr

Omdat ik er van overtuigd was dat we vanmiddag bomen zouden planten, heb ik niet m’n allerwarmste fleece aangetrokken. Van vorig jaar weet i...