Dat een wortelkanaalbehandeling geen pretje was, wist ik. Toch was ik blij dat mijn tandarts er meteen tijd voor maakte. Ik had al een paar dagen een zeurende pijn in m’n kaak en nu werd het steeds erger. De oorzaak was al snel duidelijk: een ontstoken wortelpunt.
“Ik kan twee dingen doen,” zegt de tandarts, “de kies trekken óf een wortelkanaalbehandeling.” En omdat de kies eigenlijk te goed is om te trekken, wordt het de tweede optie. Een langdurige sessie van gepor en gewroet met piepkleine vijltjes en boortjes om alles daar binnenin m’n kies goed schoon te maken. Met verdoving gelukkig, maar evengoed niet echt fijn om te ondergaan. Een klein uur later fiets ik opgelucht naar huis.
“Het zal nog wel een paar dagen pijn blijven doen,” heeft hij gezegd. Maar voorlopig voel ik nog niet zo veel. Eén kant van m’n gezicht is nog verdoofd, net als de helft van m’n tong. Een paar uur later begint de boel te tintelen en komt het gevoel terug. AU. Nu toch maar wat paracetamol slikken. ’s Avonds wil ik alleen maar voor de tv hangen en met weer twee paracetamolletjes ga ik vroeg naar bed.
Om half één word ik wakker. In mijn kaak klopt en bonkt het, maar er zijn nog lang geen vier uur verstreken na de vorige pijnstillers. Ik blijf stil liggen en hoop dat ik weer in slaap val. Niet dus. Na een tijd ga ik toch maar naar de badkamer en neem nog twee van die witte pilletjes. Maar ze helpen niet: de pijn gaat er dwars doorheen. Liggen is een ramp. Ik probeer met een dik kussen half zittend te gaan slapen, maar dat lukt ook niet. Pijn pijn pijn, bonk bonk bonk … ik word er misselijk van.
“Hij werd misselijk van de pijn,” lees je wel eens in een detective. Nu weet ik dat het echt kan. Ik stap vlug uit bed en vind net op tijd een emmer. Veel valt er niet over te geven, maar het kokhalzen is er niet minder om. Na tien minuten voel ik me minder beroerd en kruip maar weer terug in bed. En eindelijk val ik dan in slaap. Als ik weer wakker word, is de pijn een stuk minder.
Twee dagen later eet ik nog steeds heel voorzichtig en slik ik nog steeds paracetamollen, maar ik kan me al haast niet meer voorstellen hoe het donderdagnacht voelde. Ik weet niet of dat bij iedereen zo werkt, maar mijn brein is heel goed in het vergeten van pijn. Gelukkig.
Posts tonen met het label tandarts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tandarts. Alle posts tonen
zondag 8 juli 2018
woensdag 31 december 2014
Vulling vervangen
“Wil je wel of geen verdoving?” vraagt Faust terwijl hij de
tandartsstoel naar achteren laat zakken. Ik twijfel. Bij de laatste paar
behandelingen heb ik wel verdoving gehad. Maar voor het uitboren van een oude
vulling?
“Ik kan je altijd nog verdoving geven als het tegenvalt,”
zegt mijn tandarts.
“Oké”, ik doe mijn mond wijd open en het boren begint.
Toen ik klein was, was ik bang voor de tandarts. De
schooltandarts kwam altijd als een akelige verrassing onaangekondigd op het
kleine dorpsschooltje waar ik zat. Ergens in een hoekje van een klaslokaal
controleerde hij de gebitten van alle kinderen van de school (een stuk of
dertig). Erg spraakzaam was hij niet. Hij ging met z’n spiegeltje en een scherp
por-attribuut je mond door en zei af en toe iets onbegrijpelijks tegen zijn
assistente, die dat dan noteerde. De afkorting “Beebeetje” betekende ellende,
had ik in de loop van de tijd geleerd. Dan moest je een paar dagen later naar
het volgende dorp fietsen voor een behandeling. Eén keer ben ik uit de stoel
weggelopen, toen ik angstig vroeg “Hoeveel moet u er?” en hij iets gromde wat
ik verstond als “Tien”. Mijn moeder heeft toen aardig wat moeite gehad om me
over te halen toch weer terug te gaan. De rest van de geschiedenis herinner ik
me niet, dus tien vullingen zullen het wel niet geweest zijn.
Hoe anders is het bij Faust. Ondanks zijn naam is hij de zachtmoedigste tandarts die ik ooit gehad heb. Hij verontschuldigt zich voortdurend als hij denkt dat hij me pijn doet of misschien gáát doen.
“Dit kan even vervelend zijn”.
“Nu moet ik je even pijn doen, sorry, maar het kan niet
anders.”
Nu boort hij heel precies de oude vulling uit mijn kies.
Faust vertelt me dat hij hem nog één keer kan vervangen en daarna is het
afgelopen.
“Omdat jij het goed bijhoudt, is het de moeite waard”, zegt
hij. Een kwart seconde raakt de boor een zenuw, auw, maar daarna is het boren ook
meteen klaar. De vulling kan er in. Pijn doet het allemaal niet, maar al dat
gepriegel in je mond is niet echt prettig. Vooral als het om een kies helemaal
achterin gaat. Boven mijn hoofd hangt ter afleiding een tv-scherm, maar dat kan
ik de helft van de tijd niet zien. Afleiding heb ik evengoed wel; mijn tandarts
is spraakzaam. Hij vertelt dat hij zelf als patiënt eigenlijk liever altijd
verdoving heeft, en ook dat hij als patiënt vaak niet precies weet wat er
tijdens een behandeling gebeurt, omdat je in die rol met heel andere dingen
bezig bent. Intussen geeft hij de assistente instructies. Ze moet de boel goed
droog houden met het afzuigslangetje en dat is lastig achterin.
Sneller dan ik gedacht had, is de klus klaar en gaat de
stoel rechtop. “Je hoeft niet te wachten, je mag meteen weer eten en drinken.”
Ik trek een paar keer een grimas en om mijn kaken weer uit de wijd-open stand
te krijgen en sta op.
“Fijne jaarwisseling” zeg ik tegen Faust. En dan ga ik naar
buiten. Ik kan weer met een verzorgd gebit het nieuwe jaar in.
donderdag 17 april 2014
Verstandskies
“Dit is de laatste keer dat ik die verstandskies repareer”,
zegt de tandarts terwijl hij de nieuwe vulling stevig in mijn kies drukt. “Het
is dat je hem goed bijhoudt… meestal vul ik verstandskiezen helemaal niet. Als
mensen er niet bij kunnen om het schoon te houden, heeft dat weinig zin.”
Ik zit achterover in de tandartsstoel met m’n mond akelig
wijd open, want de bewuste kies zit dus helemaal achterin m’n mond. Als de
vulling is aangebracht, afgeslepen en gepolijst, kan ik even opgelucht
ademhalen, slikken en als een goudvis mijn mond open en dicht doen. Dan is
nummer twee aan de beurt. Gelukkig iets verder voorin.
Met weer wijd opengesperde kaken onderga ik het boren. Pijn
doet het niet, want het is verdoofd, maar het gegier van de boor gaat me door
merg en been. Kennelijk trek ik een gekweld gezicht, want de tandarts stopt met
boren en vraagt: “Gaat het nog?” Ik mompel dat het niet bepaald fijn is, maar
dat het wel gaat. Hij schiet in de lach. “Het is ook wel een beetje een
Amerikaanse vraag hè. Het is eigenlijk alleen maar de bedoeling dat je er “ja”
op zegt. Zoals ze in Amerika vragen ‘hoe gaat het?’ en dan wordt er niet
verwacht dat iemand zegt dat het eigenlijk hartstikke slecht gaat!” Hij boort
het laatste restje van de oude vulling uit en ik zucht: “Laat het verder maar
zitten”.
Natuurlijk maakt ie de behandeling wel af. Als ik van de
stoel af mag, vraag ik wat die opmerking over de laatste keer repareren
betekent. Hoe lang ben ik nou onder de pannen met deze nieuwe vulling? Daar
valt niet zoveel met zekerheid over te zeggen. “Het gemiddelde is een jaar of
tien”, zegt hij. Maar soms gaat een vulling wel twintig jaar mee. Andersom zijn
er bijvoorbeeld tandenknarsers die binnen vijf jaar een nieuwe vulling kapot
krijgen.
“Nou ja, voorlopig
kan ik weer even verder”, concludeer ik maar. Hij beaamt het en lacht vrolijk.
Dan geven we elkaar een hand en loop ik de deur uit.
Ik ben blij met mijn tandarts. Een betere heb ik nooit gehad
en hij is nog sympathiek ook. Toch vind ik het heel prettig dat ik hem nu even niet
meer hoef te zien. Tot de volgende controle, in het najaar. Maar dat duurt
gelukkig nog een hele tijd.
dinsdag 8 september 2009
Kroon
Mijn tandarts heet Faust. Ik heb dat altijd een fantastische naam gevonden voor een tandarts.
Vandaag moet ik naar hem toe voor een kroon. Ik zie er tegenop.
Faust begroet me altijd bij mijn voornaam (we kennen elkaar al zo’n twintig jaar) en vertelt precies wat hij gaat doen. Een kroon en een vulling. Maar eerst een verdoving, want zonder gaat deze behandeling niet.
Ik doe braaf mijn mond open. De prikjes van de verdoving zijn goed te hebben, al krijg ik een waarschuwing dat de laatste pijn zal doen. Meteen daarna mag ik in een bakje vloeibaar rubber bijten voor een afdruk. Een bakje voor de onderkaak, en nog een voor de bovenkaak.
Intussen is een deel van mijn mond gevoelloos geworden. Als ik de restjes rubber weg mag spoelen, loopt het water rechts meteen m’n mond weer uit.
Nu begint de ellende. Vullingen uitboren en de afgeschreven kies afslijpen. Pijn doet het niet, maar ik kan slecht tegen de gierende straaljagergeluiden in mijn hoofd. Blijkbaar ziet Faust me lijden, want hij vraagt bezorgd of de verdoving wel goed werkt. Ja dus.
Maar mijn mond is niet groot genoeg. De boor en de afzuigslang vechten om ruimte. Ik moet mezelf er elke drie seconden aan herinneren een beetje te ontspannen, want ik lig als een springveer in de behandelstoel. Droge korrels op m’n tong. Alsof ik cement heb gegeten.
Na een eeuwigheid is het boren klaar. Nu een nieuwe vulling.
Faust en zijn assistente spreken een onbekende taal met elkaar. Het lijkt op Nederlands: “S.P.O. zeven?” “Ja, en doe maar J.O.B. 6.”… “Deze is leeg” En dan “Even afzuigen”. Dát snap ik. En er worden gelukkig weer wat vieze korreltjes uit m’n keel gehaald.
Ik krijg een voorlopige kroon. Daar moet alweer een afdruk voor gemaakt worden. Faust duwt iets in mijn mond dat voelt als een nat dweiltje. Even niet dicht doen, waarschuwt hij en loopt uit mijn blikveld. Ineens wil ik niets liever dan mijn mond wel dicht doen. Ik moet slikken! Rubber in mijn keel. Ik tel langzaam tot tien: mond – open – houden – niet – dicht – doen – zeven – acht .. Gelukkig. De afdruk is klaar.
Terwijl Faust de noodkroon maakt, praten we over zijn werk als tandarts en of kronen zetten leuk is, of lucratief. Mijn aandeel in het gesprek is klein, want na een paar zinnen moeten er weer allerlei handelingen verricht worden in mijn mond.
“Het is vooral de afwisseling die het werk leuk maakt” besluit mijn tandarts terwijl hij de laatste hand legt aan mijn noodkroon. Ik kijk op de klok. Anderhalf uur zit ik nu in de tandartsstoel. Het wordt wel eens tijd voor een andere patiënt. Een beetje afwisseling voor Faust. Ik gun het hem van harte!
Vandaag moet ik naar hem toe voor een kroon. Ik zie er tegenop.
Faust begroet me altijd bij mijn voornaam (we kennen elkaar al zo’n twintig jaar) en vertelt precies wat hij gaat doen. Een kroon en een vulling. Maar eerst een verdoving, want zonder gaat deze behandeling niet.
Ik doe braaf mijn mond open. De prikjes van de verdoving zijn goed te hebben, al krijg ik een waarschuwing dat de laatste pijn zal doen. Meteen daarna mag ik in een bakje vloeibaar rubber bijten voor een afdruk. Een bakje voor de onderkaak, en nog een voor de bovenkaak.
Intussen is een deel van mijn mond gevoelloos geworden. Als ik de restjes rubber weg mag spoelen, loopt het water rechts meteen m’n mond weer uit.
Nu begint de ellende. Vullingen uitboren en de afgeschreven kies afslijpen. Pijn doet het niet, maar ik kan slecht tegen de gierende straaljagergeluiden in mijn hoofd. Blijkbaar ziet Faust me lijden, want hij vraagt bezorgd of de verdoving wel goed werkt. Ja dus.
Maar mijn mond is niet groot genoeg. De boor en de afzuigslang vechten om ruimte. Ik moet mezelf er elke drie seconden aan herinneren een beetje te ontspannen, want ik lig als een springveer in de behandelstoel. Droge korrels op m’n tong. Alsof ik cement heb gegeten.
Na een eeuwigheid is het boren klaar. Nu een nieuwe vulling.
Faust en zijn assistente spreken een onbekende taal met elkaar. Het lijkt op Nederlands: “S.P.O. zeven?” “Ja, en doe maar J.O.B. 6.”… “Deze is leeg” En dan “Even afzuigen”. Dát snap ik. En er worden gelukkig weer wat vieze korreltjes uit m’n keel gehaald.
Ik krijg een voorlopige kroon. Daar moet alweer een afdruk voor gemaakt worden. Faust duwt iets in mijn mond dat voelt als een nat dweiltje. Even niet dicht doen, waarschuwt hij en loopt uit mijn blikveld. Ineens wil ik niets liever dan mijn mond wel dicht doen. Ik moet slikken! Rubber in mijn keel. Ik tel langzaam tot tien: mond – open – houden – niet – dicht – doen – zeven – acht .. Gelukkig. De afdruk is klaar.
Terwijl Faust de noodkroon maakt, praten we over zijn werk als tandarts en of kronen zetten leuk is, of lucratief. Mijn aandeel in het gesprek is klein, want na een paar zinnen moeten er weer allerlei handelingen verricht worden in mijn mond.
“Het is vooral de afwisseling die het werk leuk maakt” besluit mijn tandarts terwijl hij de laatste hand legt aan mijn noodkroon. Ik kijk op de klok. Anderhalf uur zit ik nu in de tandartsstoel. Het wordt wel eens tijd voor een andere patiënt. Een beetje afwisseling voor Faust. Ik gun het hem van harte!
Abonneren op:
Posts (Atom)
Wie gebruikt er nou niet z'n Vensterrecht
Na twee weken vakantie in Duitsland zijn de paprika's en de tomaten in de achtertuin rijp en rood. Best fijn om weer thuis te zijn, na e...
-
Er ligt een klein, hemelsblauw eitje in de tuin. Helemaal gaaf ligt het op een onbegroeid stukje grond. Mijn eerste opwelling is, het op e...
-
Het is ongeveer 10 kilometer fietsen naar Sanguin en voor alle zekerheid doe ik een regenjas aan. Als ik er bijna ben, begint het zachtjes...
-
Mijn zoon krijgt zijn bul. We schrikken een beetje van de datum want het is kort dag en voor ons allebei een onhandige dag om vrij te nem...



