Vandaag gaan we onze aanplant redden van de verdrinking in de bloemenzee met de dinsdaggroep van Vrijwillig Landschapsbeheer. Twee mensen gaan met de bosmaaier het veld in om gedeelten kort te maaien. Er moet genoeg blijven staan voor de insecten en om zichzelf weer uit te zaaien.
Ik ga met G. en D. naar vogelbosje één.
“Help,
ik herken geen planten en struiken hoor!” roept G. en ik krijg de taak
om instructie te geven over hoe we te werk gaan. Het is even wennen,
maar al gauw weet iedereen hoe je de houtige stammetjes van de struiken
kunt herkennen tussen grassen, bloemen en stevige distels.
Als we
tien minuten aan het werk zijn, komt er een nieuwe vrijwilliger bij.
F., een jonge jongen, die er bleekjes en een beetje afwezig uitziet. Ik
vertel hem wat de bedoeling is en hij zegt:
“Ik heb er helemaal niks
van begrepen.” Dus vertel ik het wat rustiger en duidelijker nog een
keer. Onzeker pakt hij de grote heggenschaar aan.
“Kan het niet met zo’n kleine snoeischaar?”
Ik wijs hem een overwoekerde struik en laat zien hoe die vrijgemaakt moet worden. Voorzichtig gaat hij aan de slag. Ik zie dat F. heel precies werkt en een beetje moeite heeft met waar wel en waar niet. Wel begrijpt hij gelukkig dat de struikjes moeten blijven staan. Ik blijf een beetje bij hem in de buurt en wijs hem af en toe iets aan. Dan vertelt hij me ineens dat hij een drankprobleem heeft en dat hij het nogal moeilijk vindt om met anderen en zichzelf om te gaan. Intussen werkt hij langzaam en zorgvuldig verder.
Om half 11 is er koffie met taart, want we
hebben een jarige. F. blijft liever doorwerken, zegt hij. Ik zoek hem
na de koffie weer op en vraag hoe het gaat. “Het ene moment goed en het
andere moment waardeloos,” zegt hij. Hij vertelt hoe labiel hij zich
voelt en over hoe vervelend hij zichzelf vindt.
“Ben je nu chagrijnig?” vraagt hij als ik een tijdje stil blijf.
“Helemaal niet!”
Ik heb met de jongen te doen. Wat een ellende als je jezelf zo in de weg zit.
Niet
veel later zegt hij dat hij wil stoppen voor vandaag. Dat is prima. Ik
vertel hem dat hij goed gewerkt heeft en dat ik hoop dat hij volgende
week weer komt.
Hij zal het proberen, zegt hij.
Netjes ruimt hij het gereedschap op dat hij gebruikt heeft en dan gaat hij stilletjes weg.
“Tot volgende week!” roep ik.
Hij kijkt achterom.
“Ja,” roept hij terug. “Tot volgende week.”

Geen opmerkingen:
Een reactie posten