zaterdag 24 januari 2026

Knipperlichtbezoek

“We moeten mondkapjes dragen, want er heerst daar griep,” vertelt H. 
“En de kantine beneden is dus dicht; we zullen wel op de kamer moeten blijven.”
Op zaterdagmorgen staan we klaar om te vertrekken naar Limmen, waar de broer van H. in een verzorgingshuis zit. Hij heeft gevorderde alzheimer en we weten van m’n schoonzus dat hij veel slaapt en soms ineens een goede dag heeft.

“Zullen we een spelletje meenemen, voor het geval hij slaapt,” stel ik voor. 
Dat blijkt een goed idee, want mijn zwager B. zit wel aan tafel in de woonkamer, maar hij is niet erg wakker. Een zorgmedewerkster gaat koffie voor ons zetten. We kunnen in de woonkamer blijven, maar graag wel met mondkapjes op. Er zijn nu geen andere bewoners aanwezig. 

B. zit te dommelen. Even wordt hij wakker als we hem begroeten, dan vallen z’n ogen meteen weer dicht. H. gaat vlak naast hem zitten, aait over zijn arm, probeert hem wakker te praten, maar er komt weinig reactie. 

Dus halen we ons dobbelspelletje ‘regenwormen’ tevoorschijn en zetten het klaar om te gaan spelen.
Het hoofd van B. knikt naar voren en hij doet z’n ogen open. 
“Hé, was je in slaap aan het vallen?” H. lacht naar z’n broer en haalt een boek over grote katten uit z’n rugtas. Even kijken ze samen naar de plaatjes. H. doet voor hoe de leeuw gromt en zijn broer moet lachen. Meteen daarna valt hij weer in slaap.

We gooien met de dobbelstenen, zien het hoofd van B. weer voorover hellen en H. legt zijn eigen voorhoofd tegen dat van z’n broer. Hij lacht als die zijn ogen weer open doet: 
“Kijk uit, hè, want je valt bijna voorover.”
B. lacht mee. Hij is weer een minuutje wakker, waarin H. op zijn telefoon muziek van vroeger opzoekt: Chubby checker, let’s twist again. We luisteren samen. Maar halverwege het nummer zakt B. weer weg.

We spelen verder. Om de zoveel tijd is B. even wakker. Een minuut, een paar seconden, nooit erg lang. H. probeert hem de dobbelstenen te laten gooien, maar dat begrijpt hij niet. Wel pakt hij ineens de telefoon en H. zet weer een muziekje aan. Een kwartier later doet B. zijn ogen open en pakt het kattenboek. Tot onze verbazing doet hij het open en bladert er zelf in. Drie plaatjes lang is hij wakker.

Om twaalf uur is het etenstijd. De tafel wordt gedekt en wij gaan weer. H. geeft zijn broer een kus op zijn wang, waar B. om moet lachen voordat hij weer in slaap sukkelt. Nu gaan we verder naar een andere broer. Die is jarig geweest en gelukkig in goede gezondheid. 
Het was een wonderlijk knipperlichtbezoek en we hopen maar dat B. er iets van heeft meegekregen.

zondag 18 januari 2026

Zangles

muzieknoten
“Mmmmmmmm-oeoeoeoeoeoe” 
Geconcentreerd zing ik hele en halve toonladders. Hand bij m’n voorhoofd om de goede plek van de aaaaa te voelen, hand tegen m’n bovenlip bij de iiiiii  en de oeoeoeoe.  Op mijn telefoon kan ik de hele zangles nog eens afluisteren. 
“Hoor je dat je hier uit de bocht schiet?” vraagt mijn zanglerares Elizabeth. En: “hier ga je te vroeg van je kopstem naar je borststem. Hoor je dat?”
Ik hoor het niet. Maar ik moet ook op zoveel tegelijk letten. 

Ik dacht dat ik aardig kon zingen, maar Elizabeth heeft er heel wat op aan te merken. Dat is oké, want daarvoor kom ik ook. De laatste jaren wordt ik al na een half uurtje zingen hees. Is dat slijtage? Vroeg ik me af, of doe ik iets verkeerd. 
Mijn zanglerares is ervan overtuigd dat het allemaal goedkomt als ik de juiste zangtechnieken onder de knie krijg.

Daarom sta ik elke dag oefeningen te doen. En ik zing degelijke, klassieke melodieën die me door mijn gereformeerde opvoeding meteen al bekend voorkomen: “Sei stille dem Herrn und warte auf ihn. Der wird dir geben was dein Herz wünscht …”

Soms gaat het lekker en vind ik het leuk. Soms gaat het niet zo lekker en is het vooral hard werken. Maar ik doe het toch maar iedere dag, al is het maar een kwartier. 
“Voel je dat het nu veel beter gaat?” vraagt Elizabeth. Ik luister de opname terug en ja, nu hoor ik dat ik het dáár beter doe dan eerst. 

Oefening baart kunst en je bent nooit te oud om te leren. Ik ben blij dat ik weer ben begonnen te zingen en over een tijdje ga ik weer eens op zoek naar een koorproject waar ik aan mee kan doen. Want samen zingen is iets waar je heel blij van kunt worden, dat was ik bijna vergeten. 

zondag 11 januari 2026

Bevers

Als we onze straat uit lopen en linksaf slaan, langs de basisschool, over het bruggetje, dan zijn we in het Kreekpark. Een lang en smal aangelegd park met aan één kant van het pad water; een brede sloot met in het midden een eiland met bomen.

Als verstandige pensionado’s maken we op een herfstige binnenzit-dag een ommetje door het park. Als we langs het eiland komen, sta ik stil, kijk nog eens goed en hou H. tegen. 
“Kijk,” zeg ik, “Hier zijn bevers aan het werk.”
In een tamelijk hoge boom zit een eindje boven de grond een karakteristiek, wigvormig gat, zoals je ze in tekenfilms ziet vlak voordat zo’n boom omvalt. 

Het is niet de eerste keer dat we beversporen zien. Een half jaar geleden zagen we een soortgelijk gat in een boom op een ander eilandje. Die boom was wat hoger en zou, helemaal doorgeknaagd, zeker in een tuin en waarschijnlijk op een dak terechtkomen. Na melding heeft de gemeente er een ‘beverwerende pasta’ op gesmeerd en later is ie voor de zekerheid gekapt. 

De boom waar we nu naar staan te kijken, heeft geen huis of tuin binnen kruin-afstand, maar wel een fiets/wandelpad. Maar aan onze kant van het water staan twee stevige, mooi vertakte eiken klaar om hem op te vangen. Er is dus weinig kans dat een nietsvermoedende voorbijganger ineens een boom op z’n hoofd krijgt.

Ik maak een foto van het beverwerk en we wandelen verder, terwijl we praten over bevers. Hoe leuk ze zijn en dat ze steeds vaker gezien worden in ons dorp. Kort geleden circuleerde er een filmpje waarin zo’n beest kalmpjes over een rotonde wandelde in de buurt van ons huis. Daarop kon je goed zien hoe gróót die knagers zijn!
 
Natuurlijk zijn bevers niet alléén maar leuk. In de buurt van de dijken wil je ze liever niet hebben, want daar ondergraven ze de boel letterlijk. En zo’n boom die op een huis dreigt te vallen is ook niet om je vrolijk over te maken. Maar toch hou ik van die beesten. 

Vandaag lopen we weer door het park. Er is op het eiland met de beverboom niet heel veel veranderd. Ik denk dat de bevers vorstverlet hebben. We blijven heel nieuwsgierig wanneer die boom zal omvallen. Maar ach, misschien zit er wel beverwerende pasta op. Dan moet er weer ergens verderop een mooie boom gevonden worden. 
We houden het in de gaten.

zaterdag 3 januari 2026

Meisje op de fiets

Oudejaarsavond vieren we samen met vrienden die we al kennen vanaf de schooltijd van onze kinderen. P. en H. hebben twee zoons en een dochter die allemaal zo hun gebruiksaanwijzing hebben, net als onze jongste, die niet alleen ‘een andere bedrading’ heeft maar er ook voor koos om geen man maar vrouw te zijn. In het chaotische gezin van P. en H. voelt ze zich volkomen op haar gemak.

In het dagelijks leven kleedt I. zich neutraal. Zwarte broek, donker shirt met vaak een gothic-achtige afbeelding, lang, meestal los haar. Voor deze feestelijke avond trekt ze een jurk aan en maakt ze zich mooi. Als wij om half acht ’s avonds klaarstaan om op de fiets te stappen, staat I. nog voor de spiegel zorgvuldig eyeliner op te doen. 
Dat kan nog wel even duren. 

We roepen dat wij alvast gaan en of ze niet vergeet om de schuurdeur op slot te doen. P. en H. wonen twee kilometer verderop in hetzelfde dorp. We nemen de kortste weg door het park en terwijl we daar langs een donker paadje fietsen, ben ik ineens bezorgd. 
Voor de spiegel in haar korte jurkje zag I. er supervrouwelijk uit. En waar ik me over oudste dochter E. nooit veel zorgen heb gemaakt als die ’s avonds ergens heen ging, voel ik me nu onrustig. Pas als I. drie kwartier later dan wij bij onze vrienden aanbelt, is het goed. 

Ligt het eraan dat ze kwetsbaarder is dan haar zus of is het deze tijd? Geen hele generatie later, maar toch zeker vijftien jaar. Waar E. nu een zelfverzekerde, leidinggevende dertiger is, ziet I. eruit als een tenger meisje van twintig.  
We hebben een gezellige jaarwisseling, eten lekkere hapjes, voeren mooie gesprekken, drinken genoeg maar niet teveel en komen zonder kleerscheuren weer thuis.

De volgende dag, als ik samen met I. aan tafel zit, vertel ik haar over mijn ongerustheid toen ze alleen moest fietsen. “Je zag er zo vrouwelijk uit voor de spiegel,” zeg ik. 
Ze glimlacht en zegt dat ze niet de weg door het park heeft genomen. Vandaag draagt ze weer gewoon haar neutrale kleding en geen make-up. Straks gaat ze naar huis, op de fiets. Ik zou haar willen vragen om te bellen als ze er is, maar dat vergeet ze toch.  

zaterdag 27 december 2025

E. en haar jongens

Mijn dochter E. komt een hele week logeren. En voor het eerst neemt ze haar twee jongens mee: Jack en Louie, onze kleinkatten. Het is een hele onderneming. Want de twee Britse Kortharen zijn nooit eerder van huis geweest. Letterlijk, want het zijn echte binnenkatten. 

Jack, grijs met streepjes, zit voor het donkere raam in z'n kattenhangmat
Ze komen met een auto vol spullen. Kattenbak, kattenmandje, krabmat, een hangmatje om tegen het raam te hangen, speciaal voer, een speeltje, een dekentje… Het is duidelijk dat de lievelingen van E. best verwend zijn. En zij is een bezorgde kattenmoeder. Als de boys angstig en onwennig in dit vreemde huis onder de bank en achter een gordijn kruipen, kijkt ze dat een beetje ongerust aan.

Het duurt zeker een paar uur voordat de dapperste van de twee zich de kamer in waagt. Het is Jack, die thuis juist altijd op z’n kop gezeten wordt. Tegen de avond van de eerste dag komen ze een beetje uit hun schulp, maar bij ieder onverwacht geluid schieten ze terug naar hun veilige plek.

Louie, geplet in de vlinderstoel
Het veilige plekje dat Louie voor zichzelf heeft gevonden is een verrassing. Hij heeft zich tussen de zitting en het frame van de vlinderstoel gewrongen. Een plek waarvan we niet eens wisten dat daar ruimte tussen was. Het ziet er dan ook uit alsof hij door de stoel geplet wordt, maar blijkbaar vindt Louie het er prettig, want hij brengt er het grootste deel van de tweede dag door.

E. vindt het maar niks, dat haar jongens zich steeds verstoppen. Ze plukt Louie een paar keer tussen de stoel uit en zet hem op een plek die in haar ogen comfortabeler is. 
“Laat hem toch, als hij zich daar lekker voelt,” zeggen wij. Maar je moet je niet bemoeien met de opvoeding van je kleinkatten.

Nu, de vierde dag, is E. de middag en avond naar een vriendin hier in de buurt. Jack loopt intussen door ons huis alsof hij er hoort (behalve bij onverwachte geluiden), maar Louie ligt al vanaf het begin van de middag geplet in de vlinderstoel. We laten hem. Vroeg in de avond stuurt E. een appje om te vragen hoe het gaat. En kijk, vlak daarvoor is hij tevoorschijn gekomen. Dat bericht krijgt een tevreden duimpje. 

Een uur later verjaagt dikke Louie als vanouds z’n stiefbroer uit het hangmatje-voor-het-raam, En als ik de twee hun portie natvoer geef, beginnen ze zowaar meteen te eten en volgt voor het eerst het gewone Amsterdamse patroon. Jack taait na een paar hapjes af en Louie eet blijmoedig allebei de bakjes leeg. 
Ik denk dat ie nu helemaal is ingeburgerd. Daar zal z’n kattenmoeder blij mee zijn.

zaterdag 20 december 2025

Vooroordelen

Een verwaarloosde haag snoeien is dankbaar werk. Alleen op plekken waar bramen de boel overnemen is het minder leuk. Zelfs met stevige handschoenen aan kunnen de stekels je gemeen prikken en waar ze de kans krijgen, maken de uitlopers weer wortels. Voor je het weet blijf je met je voet achter zo’n stekelige sliert haken en struikel je.

Na een ochtend werken lopen we langs het stuk dat we aangepakt hebben en kijken tevreden hoe het veranderd is. Weggedrukte struiken krijgen weer lucht doordat hun over-enthousiast groeiende buren ingetoomd zijn en doordat de bramen zo goed mogelijk zijn verwijderd. Zo komt er weer meer variëteit. 

We zoeken het gereedschap bij elkaar en dan gaat de groep uit elkaar. 
“Tot donderdag,” roepen we, want dan is de jaarlijkse stamppottenavond. Terwijl we de fietsen van het slot halen, vraagt F. aan mij of ik soms die stamppot ga maken.
“Nou,” zeg ik, “er worden door verschillende mensen stampotten gemaakt, en ja, daar ben ik er één van. Maar vraag je dat nou omdat ik een vrouw ben?”

“Eh, ja.” Zegt F. 
En als ik geërgerd zucht, voegt hij verdedigend toe: “Weet je wel hoe oud ik ben? Ik ben ermee opgevoed dat het normaal is dat vrouwen koken.”
“Maar dat kan veranderen hè,” zeg ik. “Ik vind het onzin dat zulke dingen vrouwentaken zijn. Ik ga als een van de weinige vrouwen bij Vrijwillig Landschapsbeheer ook bewust níet koffiezetten.”
“O?” zegt hij een beetje verbaasd. Wie zet dán de koffie?”

Volgens mij weet hij dat best en zit ie me gewoon een beetje te stangen. Mijn tachtigjarige collegavrijwilliger houdt er wel van om mensen op de kast te jagen. En over vooroordelen gesproken… toen hij zich aanmeldde als vrijwilliger, dachten we dat iemand van die leeftijd een beetje ontzien moest worden. Maar wat kan die man hard werken!

Iedereen heeft z’n eigen eigenaardigheden, maar bij elkaar hebben we een mooie groep natuurliefhebbers. Leuk om mee te werken en ook minstens zo leuk om samen een avondje stamppot mee te eten. 

zondag 14 december 2025

Lied van de Sybille

Drie mannen met muziekinstrumenten zitten op een ronde bank. Achter hen staat, op een verhoging, een vrouw met een lang, omhoog wijzend zwaard in beide handen
“Hoe laat zullen we bij jullie zijn?”
H. leest hardop het binnenkomende whatsapp bericht voor en we kijken elkaar verbaasd aan. Eh… hadden we voor vandaag iets afgesproken?

Het is zondagmorgen en na een laat ontbijt lopen we nog een beetje te rommelen. Straks zijn we van plan om naar een kerstmarkt in de stad te fietsen. Maar blijkbaar hebben we iets anders te doen. H. weet waar hij moet zoeken, want met onze vrienden D. en A. gaan we een paar keer per jaar naar een concert. Hij checkt z’n email en jawel, we hebben kaartjes voor ‘Lied van de Sibylle’, vandaag, in Zutphen. Dat hadden we niet op de kalender gezet.

Anderhalf uur later zitten we met z’n vieren in de auto. Het kost even tijd om een parkeerplek te vinden en als we naar de Walburgiskerk lopen, moeten we over een drukke kerstmarkt, zodat we maar nét op tijd zijn voor het concert. De kerk is stampvol, maar we vinden zowaar nog vier plaatsen naast elkaar, helemaal achterin.

Het lied van de Sibylle is een mix van muzikale tradities uit verschillende culturen in middeleeuws Spanje. Vijf zangeressen en drie muzikanten uit het Amsterdams Andalusisch Orkest spelen en zingen onversterkt. De akoestiek in de enorme kerk draagt de muziek tot in de hoeken.
In het tekstboekje dat we uitgereikt krijgen probeer ik mee te lezen. Dat lukt maar gedeeltelijk, want sommige teksten zijn in het Grieks of Arabisch. Wel staan overal vertalingen naast. Het zijn sombere en gewelddadige teksten over het einde der tijden, over vuur, donder en ellende en opgedroogde rivieren. 

Maar als je alleen maar met je ogen dicht luistert, klinken de ijle stemmen soms als engelengezang. Soms ook helemaal niet, als ze wringende dissonanten zingen met daaronder de lang aangehouden tonen van de traditionele instrumenten en soms ineens alarmerend getrommel.
Het is jammer dat we zo ver achterin zitten. Zo hou ik een gevoel van afstand, ook omdat alle stemmen vrij hoog zijn en ik diepe, ronde klanken mis. Het is in elk geval een bijzondere ervaring, dit concert. We hebben er geen spijt van dat we ervoor naar Zutphen gereden zijn.

Op de terugweg ziet D. op zijn telefoon dat van ditzelfde concert een extra uitvoering is ingelast. Volgende week, in de Vereeniging in Nijmegen. Op fietsafstand. 
Sja, als je alles van tevoren weet … 

Knipperlichtbezoek

“We moeten mondkapjes dragen, want er heerst daar griep,” vertelt H.  “En de kantine beneden is dus dicht; we zullen wel op de kamer moeten ...