maandag 9 februari 2026

Afscheidsdienst

Mijn zwager is overleden; de broer van H. die we kort geleden nog bezocht hebben.
Zijn dood is voor niemand een grote schok, want hij was er al een tijd naar op weg. Toch ging het op het laatst nog onverwacht snel. H. is blij dat hij nog net even contact met zijn broer heeft gehad.  Een dag na ons bezoek was hij ineens doodziek en deed hij zijn ogen helemaal niet meer open.

De afscheidsdienst was in een mooi, oud kerkgebouw, waar familie en vrienden eerst koffie en broodjes kregen en daarna werden uitgenodigd om te komen zitten op de banken en stoelen rond de kist. Vooraan het gezin van B. Zijn vrouw, zijn drie kinderen met hun partners en hún kinderen, de kleinkinderen van B. 

Er waren ook verrassend veel neven en nichten. Sommige waren van ver gekomen en hadden we lang niet gezien. Vreemd om in veertigers en vijftigers het gezicht terug te zien van de kinderen die we vroeger regelmatig op verjaardagen zagen.
 
Mijn H. is de jongste van vijf broers, waarvan de oudsten een flink stuk ouder zijn. Zij kwamen al met vriendinnen thuis toen H. nog op de kleuterschool zat. Dat maakte veel indruk op het jochie dat hij toen was. Waarschijnlijk heeft het ook alles te maken met de anekdote dat hij als vierjarige zijn juf een tik op haar achterwerk gaf met de woorden: “Lekker kontje”.

De overleden B. was één van de twee oudste broers. Een tweeling. Ze waren erg verschillend en al waren ze goed met elkaar, de laatste decennia zochten ze elkaar niet bijzonder vaak op. Bij deze afscheidsbijeenkomst was de overgebleven tweelingbroer de eerste spreker. Hij leek zelf verrast door de emotie die de dood van B. bij hem teweeg had gebracht. De hele week had hij met zijn hoofd in het verleden geleefd.

Het leverde een speech op als een ouderwets jongensboek. Over twee broertjes die tot hun twaalfde jaar onafscheidelijk waren. Samen op één fiets op pad met een collectebus. Samen folders lopen voor een oom, die ze ‘betaalde’ met onverkoopbare kaaskorstjes. “De afspraak was: als we ergens niet bij konden, tilde de een de ander op.” Dat leidde soms tot hilarische taferelen.

Als jongste broer hield ook H. een verhaal. Over de bewondering die hij had gekoesterd voor z’n stoere grote broer. En over de laatste jaren, waarin hij had geprobeerd in de steeds zwaarder dementerende man dát te zien wat er nog wél was, wat hij nog wél kon.
 
Met het hele gezelschap liepen we van het kerkgebouw naar het kerkhof, zo’n anderhalve kilometer verderop. En nadat de kist gezakt was weer terug. Na de ijskoude wind buiten was het warm in de kerk. Niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk, met al die mensen die elkaar – al of niet na lange tijd – terugzagen en troostrijke verhalen uitwisselden. 
We waren het allemaal met elkaar eens: het was een mooie begrafenis.

dinsdag 3 februari 2026

Maatwerk

Het cocktail-pakket zoals beschreven in de blogpost
We gaan naar een verjaardag en hebben een gegrond vermoeden dat deze jarige blij zal zijn met ingrediënten voor een cocktail. Met die missie gaan we naar de slijter in ons dorp. H. heeft een daar een tijdje geleden een soort cocktail-pakket gezien, dus dat moet lukken.

Steeds vaker worden we gewaarschuwd voor het consumeren van alcohol, maar een cocktail in het weekend of een wijntje bij het eten is soms toch wel erg lekker. We beperken het tot het weekend en vinden dat voorlopig verstandig genoeg. Bij de slijter komen we dus met enige regelmaat. De uitbater is een altijd opgewekte jongeman die graag adviezen geeft.

H. vraagt naar het pakket en de slijter knikt herkennend. Maar het pakket dat hij tevoorschijn haalt is een shake-set met toebehoren. Dat is niet wat we bedoelen. 
“Nee, het moeten de ingrediënten zijn,” verduidelijkt H. 
“Ah, en aan welke cocktail denk je dan?”
“Nou, misschien een pornstar-martini?”
“Ja,” zegt de man, “dat is wel een populaire” en hij pakt een fles vanillewodka en een fles passoa van een schap.

Hm, het ziet er nog niet uit als een feestelijk pakket. 
“Weet je wat,” zegt de slijter, “Als ik ze nou in zo’n mandje doe,” en hij haalt een kartonnen bakje onder de toonbank uit, “en jullie halen bij de groentewinkel verderop een passievrucht en een limoen…” 

Dat is een prima idee. Hij zet de flessen en het mandje voor ons opzij en tien minuten later zijn we terug met twee passievruchten en twee limoenen. 
De twee flessen met het fruit vormen een leuk geheel, maar H. is nog niet helemaal tevreden. 
“Heb je ook een shaker zonder al die dingen erbij?”
Die is er. En hij past er nog net bij in het mandje. De slijter pakt de boel in een stuk doorzichtig folie met een gezellig lint erom en kijk, dit is precies het pakket zoals we het hadden bedoeld.

Voor zulk maatwerk moet je niet in de grote stad zijn en ook niet in een online winkel. Maar gelukkig bestaat het nog, gewoon in ons eigen dorp.

woensdag 28 januari 2026

“Bedank ze allemaal van mij”

Een arm met een strakgetrokken band erom, bij de arm twee handen die de naald erin steken voor bloedafname
Gemiddeld duurt een bloedafname vijf minuten. Ik heb tenminste een afspraak van vijf voor half tien tot half tien. In de praktijk blijkt dat ook wel te werken, want ik wordt precies op tijd door een vrolijke dame opgehaald uit de wachtkamer. 

“Heb je een oproepbrief bij je? Dan weet ik wat mijn huiswerk is,” zegt ze opgewekt en terwijl ze een bandje om mijn arm legt vraagt ze of ik straks snel door moet naar m’n werk of terug naar huis. Ik zeg dat ik naar huis ga en niet zo veel móet. 
“Ow,” zegt ze voorzichtig, “is dat vrijwillig of komt dat door omstandigheden?”
“Nou, ik ben met pensioen,” vertel ik haar.

Dan vraagt ze wat voor werk ik dan gedaan heb. Ik leg dat kort uit en eindig met “en nu werk ik vooral in het groen.”
“O? Hoezo dat?”
“Vrijwillig landschapsbeheer.”
“Ah leuk!” roept ze enthousiast. “Niet te kórt snoeien hè! Die gemeentewerkers zijn soms zó lomp bezig. Dan snoeien ze alles tot op grond, of ze verstoren het broedseizoen…”

Rij knotwilgen langs het water
Ik knik. “Ze doen het zo efficiënt mogelijk. Ik zie nu ook overal dat de knotwilgen tot kale bolletjes geknot worden, terwijl het beter is om een klein stukje te laten staan van de takken.”
“En om en om hè,” ze zet de buisjes afgenomen bloed opzij. “Je moet niet die hele rijen tegelijk knotten, maar om en om, voor de beestjes.”
In onze vijf-minuten afspraak vertelt ze ook nog even dat ze veel bomen in haar tuintje heeft en dat ze zonder vogels en andere kleine beestjes in de tuin gek zou worden. 
“Hartstikke mooi werk, vrijwillig landschapsbeheer,” besluit ze. “Dat wil ik ook gaan doen na mijn pensioen. Dank je wel dat je dat doet! Bedank ze allemaal van mij.”

Ik krijg een watje met een pleister op de arm waar ik geprikt ben en zeg dat ik ze zal bedanken. Dan ga ik naar buiten en fiets naar huis. Het is bekend dat mensen blij worden van korte gesprekjes met onbekenden. Als het dan ook nog zulke leuke gesprekjes zijn, begint je dag toch wel heel goed. 

En bij dezen breng ik de dank van een enthousiaste bloed-prikster over aan alle vrijwilligers in het groen!


zaterdag 24 januari 2026

Knipperlichtbezoek

“We moeten mondkapjes dragen, want er heerst daar griep,” vertelt H. 
“En de kantine beneden is dus dicht; we zullen wel op de kamer moeten blijven.”
Op zaterdagmorgen staan we klaar om te vertrekken naar Limmen, waar de broer van H. in een verzorgingshuis zit. Hij heeft gevorderde alzheimer en we weten van m’n schoonzus dat hij veel slaapt en soms ineens een goede dag heeft.

“Zullen we een spelletje meenemen, voor het geval hij slaapt,” stel ik voor. 
Dat blijkt een goed idee, want mijn zwager B. zit wel aan tafel in de woonkamer, maar hij is niet erg wakker. Een zorgmedewerkster gaat koffie voor ons zetten. We kunnen in de woonkamer blijven, maar graag wel met mondkapjes op. Er zijn nu geen andere bewoners aanwezig. 

B. zit te dommelen. Even wordt hij wakker als we hem begroeten, dan vallen z’n ogen meteen weer dicht. H. gaat vlak naast hem zitten, aait over zijn arm, probeert hem wakker te praten, maar er komt weinig reactie. 

Dus halen we ons dobbelspelletje ‘regenwormen’ tevoorschijn en zetten het klaar om te gaan spelen.
Het hoofd van B. knikt naar voren en hij doet z’n ogen open. 
“Hé, was je in slaap aan het vallen?” H. lacht naar z’n broer en haalt een boek over grote katten uit z’n rugtas. Even kijken ze samen naar de plaatjes. H. doet voor hoe de leeuw gromt en zijn broer moet lachen. Meteen daarna valt hij weer in slaap.

We gooien met de dobbelstenen, zien het hoofd van B. weer voorover hellen en H. legt zijn eigen voorhoofd tegen dat van z’n broer. Hij lacht als die zijn ogen weer open doet: 
“Kijk uit, hè, want je valt bijna voorover.”
B. lacht mee. Hij is weer een minuutje wakker, waarin H. op zijn telefoon muziek van vroeger opzoekt: Chubby checker, let’s twist again. We luisteren samen. Maar halverwege het nummer zakt B. weer weg.

We spelen verder. Om de zoveel tijd is B. even wakker. Een minuut, een paar seconden, nooit erg lang. H. probeert hem de dobbelstenen te laten gooien, maar dat begrijpt hij niet. Wel pakt hij ineens de telefoon en H. zet weer een muziekje aan. Een kwartier later doet B. zijn ogen open en pakt het kattenboek. Tot onze verbazing doet hij het open en bladert er zelf in. Drie plaatjes lang is hij wakker.

Om twaalf uur is het etenstijd. De tafel wordt gedekt en wij gaan weer. H. geeft zijn broer een kus op zijn wang, waar B. om moet lachen voordat hij weer in slaap sukkelt. Nu gaan we verder naar een andere broer. Die is jarig geweest en gelukkig in goede gezondheid. 
Het was een wonderlijk knipperlichtbezoek en we hopen maar dat B. er iets van heeft meegekregen.

zondag 18 januari 2026

Zangles

muzieknoten
“Mmmmmmmm-oeoeoeoeoeoe” 
Geconcentreerd zing ik hele en halve toonladders. Hand bij m’n voorhoofd om de goede plek van de aaaaa te voelen, hand tegen m’n bovenlip bij de iiiiii  en de oeoeoeoe.  Op mijn telefoon kan ik de hele zangles nog eens afluisteren. 
“Hoor je dat je hier uit de bocht schiet?” vraagt mijn zanglerares Elizabeth. En: “hier ga je te vroeg van je kopstem naar je borststem. Hoor je dat?”
Ik hoor het niet. Maar ik moet ook op zoveel tegelijk letten. 

Ik dacht dat ik aardig kon zingen, maar Elizabeth heeft er heel wat op aan te merken. Dat is oké, want daarvoor kom ik ook. De laatste jaren wordt ik al na een half uurtje zingen hees. Is dat slijtage? Vroeg ik me af, of doe ik iets verkeerd. 
Mijn zanglerares is ervan overtuigd dat het allemaal goedkomt als ik de juiste zangtechnieken onder de knie krijg.

Daarom sta ik elke dag oefeningen te doen. En ik zing degelijke, klassieke melodieën die me door mijn gereformeerde opvoeding meteen al bekend voorkomen: “Sei stille dem Herrn und warte auf ihn. Der wird dir geben was dein Herz wünscht …”

Soms gaat het lekker en vind ik het leuk. Soms gaat het niet zo lekker en is het vooral hard werken. Maar ik doe het toch maar iedere dag, al is het maar een kwartier. 
“Voel je dat het nu veel beter gaat?” vraagt Elizabeth. Ik luister de opname terug en ja, nu hoor ik dat ik het dáár beter doe dan eerst. 

Oefening baart kunst en je bent nooit te oud om te leren. Ik ben blij dat ik weer ben begonnen te zingen en over een tijdje ga ik weer eens op zoek naar een koorproject waar ik aan mee kan doen. Want samen zingen is iets waar je heel blij van kunt worden, dat was ik bijna vergeten. 

zondag 11 januari 2026

Bevers

Als we onze straat uit lopen en linksaf slaan, langs de basisschool, over het bruggetje, dan zijn we in het Kreekpark. Een lang en smal aangelegd park met aan één kant van het pad water; een brede sloot met in het midden een eiland met bomen.

Als verstandige pensionado’s maken we op een herfstige binnenzit-dag een ommetje door het park. Als we langs het eiland komen, sta ik stil, kijk nog eens goed en hou H. tegen. 
“Kijk,” zeg ik, “Hier zijn bevers aan het werk.”
In een tamelijk hoge boom zit een eindje boven de grond een karakteristiek, wigvormig gat, zoals je ze in tekenfilms ziet vlak voordat zo’n boom omvalt. 

Het is niet de eerste keer dat we beversporen zien. Een half jaar geleden zagen we een soortgelijk gat in een boom op een ander eilandje. Die boom was wat hoger en zou, helemaal doorgeknaagd, zeker in een tuin en waarschijnlijk op een dak terechtkomen. Na melding heeft de gemeente er een ‘beverwerende pasta’ op gesmeerd en later is ie voor de zekerheid gekapt. 

De boom waar we nu naar staan te kijken, heeft geen huis of tuin binnen kruin-afstand, maar wel een fiets/wandelpad. Maar aan onze kant van het water staan twee stevige, mooi vertakte eiken klaar om hem op te vangen. Er is dus weinig kans dat een nietsvermoedende voorbijganger ineens een boom op z’n hoofd krijgt.

Ik maak een foto van het beverwerk en we wandelen verder, terwijl we praten over bevers. Hoe leuk ze zijn en dat ze steeds vaker gezien worden in ons dorp. Kort geleden circuleerde er een filmpje waarin zo’n beest kalmpjes over een rotonde wandelde in de buurt van ons huis. Daarop kon je goed zien hoe gróót die knagers zijn!
 
Natuurlijk zijn bevers niet alléén maar leuk. In de buurt van de dijken wil je ze liever niet hebben, want daar ondergraven ze de boel letterlijk. En zo’n boom die op een huis dreigt te vallen is ook niet om je vrolijk over te maken. Maar toch hou ik van die beesten. 

Vandaag lopen we weer door het park. Er is op het eiland met de beverboom niet heel veel veranderd. Ik denk dat de bevers vorstverlet hebben. We blijven heel nieuwsgierig wanneer die boom zal omvallen. Maar ach, misschien zit er wel beverwerende pasta op. Dan moet er weer ergens verderop een mooie boom gevonden worden. 
We houden het in de gaten.

zaterdag 3 januari 2026

Meisje op de fiets

Oudejaarsavond vieren we samen met vrienden die we al kennen vanaf de schooltijd van onze kinderen. P. en H. hebben twee zoons en een dochter die allemaal zo hun gebruiksaanwijzing hebben, net als onze jongste, die niet alleen ‘een andere bedrading’ heeft maar er ook voor koos om geen man maar vrouw te zijn. In het chaotische gezin van P. en H. voelt ze zich volkomen op haar gemak.

In het dagelijks leven kleedt I. zich neutraal. Zwarte broek, donker shirt met vaak een gothic-achtige afbeelding, lang, meestal los haar. Voor deze feestelijke avond trekt ze een jurk aan en maakt ze zich mooi. Als wij om half acht ’s avonds klaarstaan om op de fiets te stappen, staat I. nog voor de spiegel zorgvuldig eyeliner op te doen. 
Dat kan nog wel even duren. 

We roepen dat wij alvast gaan en of ze niet vergeet om de schuurdeur op slot te doen. P. en H. wonen twee kilometer verderop in hetzelfde dorp. We nemen de kortste weg door het park en terwijl we daar langs een donker paadje fietsen, ben ik ineens bezorgd. 
Voor de spiegel in haar korte jurkje zag I. er supervrouwelijk uit. En waar ik me over oudste dochter E. nooit veel zorgen heb gemaakt als die ’s avonds ergens heen ging, voel ik me nu onrustig. Pas als I. drie kwartier later dan wij bij onze vrienden aanbelt, is het goed. 

Ligt het eraan dat ze kwetsbaarder is dan haar zus of is het deze tijd? Geen hele generatie later, maar toch zeker vijftien jaar. Waar E. nu een zelfverzekerde, leidinggevende dertiger is, ziet I. eruit als een tenger meisje van twintig.  
We hebben een gezellige jaarwisseling, eten lekkere hapjes, voeren mooie gesprekken, drinken genoeg maar niet teveel en komen zonder kleerscheuren weer thuis.

De volgende dag, als ik samen met I. aan tafel zit, vertel ik haar over mijn ongerustheid toen ze alleen moest fietsen. “Je zag er zo vrouwelijk uit voor de spiegel,” zeg ik. 
Ze glimlacht en zegt dat ze niet de weg door het park heeft genomen. Vandaag draagt ze weer gewoon haar neutrale kleding en geen make-up. Straks gaat ze naar huis, op de fiets. Ik zou haar willen vragen om te bellen als ze er is, maar dat vergeet ze toch.  

Afscheidsdienst

Mijn zwager is overleden; de broer van H. die we kort geleden nog bezocht hebben . Zijn dood is voor niemand een grote schok, want hij was e...