Woensdagmiddag om vijf uur. Het is rustig en koel in de
brillenwinkel op deze warme middag. Ik krijg koffie aangeboden en mag
plaatsnemen om te wachten. De opticien is nog met een andere klant bezig.
Terwijl ik wacht schuiven regelmatig de glazen deuren van de winkel open als er
mensen voorbij lopen. Soms komt er iemand binnen om te vragen of er nog
eclipsbrilletjes zijn. Niet dus.
Een assistent doet alvast een meting met een apparaat dat in
m’n ogen puft. Dan kan ik door naar de opticien. Het is een aardige veertiger.
Hij vraagt waarom ik een oogmeting wil en geeft meteen mijn huidige bril mee
aan iemand die hem goed gaat afstellen en schoonmaken.
Hij vraagt door wat ik precies wel/niet goed zie en stelt
dan voor om in elk oog twee oogdruppels te druppelen. Het kan zijn dat m’n ogen
te droog zijn. Hij legt uit dat de druppels lijken op het eigen oogvocht. Ik
luister zonder veel interesse en ben vooral benieuwd hoe de hele meting uitpakt
en hoe erg m’n zicht achteruit is gegaan.
Terwijl ik ingespannen probeer om rijen steeds kleinere
lettertjes te lezen, vertelt de opticien dat je best op een hoger percentage
uit kunt komen dan honderd.
“Er zijn soms mensen die wel tot 250% scoren.” Hij legt uit dat dat komt door
de manier van meten en ik begrijp dat 100% meer te maken heeft met een
gemiddelde dan met heel goed zien.
Mijn rechteroog, dat het minst goede is, ziet 90%. Vijf jaar
geleden was dat 85%. Met het linkeroog kom ik boven de 100 uit. En toch heb ik
echt wel een bril nodig om te kunnen lezen. Ik denk aan een slechtziende kennis
die het met 6% moet doen. Dat is dus nog minder dan ik dacht.
Dat mijn meting iets hoger uitkomt dan vijf jaar geleden, komt van de
druppeltjes, vertelt de opticien. Oogvocht doet echt heel veel! Hij raadt me
dan ook aan om een flesje oogdruppels te kopen en de komende twee weken elke
avond één druppel per oog te gebruiken.
De assistent komt mijn schoongemaakte en aangeschroefde bril
brengen. Voorzichtig zet de opticien die op m’n neus en vraagt me om rond te
kijken.
“Hoe ziet dat eruit?”
Ik zie alles helder. Dat zegt niet alles, want het is hier goed verlicht, maar
toch heb ik het idee dat de druppeltjes inderdaad iets doen. De wazige vlek,
veroorzaakt door een oud litteken in m’n rechteroog, is soms veel erger.
Het klopt, zegt de opticien, dat juist zo’n littekentje baat heeft bij genoeg
oogvocht.
“Geniet van de eclips vanavond,” zegt hij als ik betaald heb
en de winkel uit ga. Ik fiets blij naar huis. Fijn dat m’n ogen helemaal niet veel
slechter zijn geworden. Dat m’n zicht gewoon verbeterd kan worden met zoiets
simpels als oogdruppels.
Wat die zonsverduistering betreft: die laat ik aan me voorbijgaan. Ik heb niet
zo’n eclipsbrilletje en ik ga toch zeker m’n ogen niet verpesten door recht in
de zon te kijken.
I

Geen opmerkingen:
Een reactie posten