Terwijl ik op de dokter wacht, bedenk ik dat het gek genoeg nooit in me opgekomen is om de prolia te noemen. Terwijl er via het formulier wél altijd gevraagd wordt of je medicijnen gebruikt. Stom, maar dat halfjaarlijkse prikje is gewoon niet iets waar ik vaak bij stilsta.
De dokter bevestigt dat ik geen plasma mag geven. Ook zij heeft het over uitstellen, maar als ik vragend herhaal: “Uitstellen?” voegt ze toe dat dat in de praktijk betekent dat ik moet stoppen als donor. Ze legt ook uit dat de jaren dat ik wél gewoon plasma ben komen geven, niet zoveel kwaad hebben gekund. In plasma is het medicijn zó sterk verdund, dat het geen naam mag hebben.
“Maar nu we het weten, moeten we ons toch aan de regels houden.”
“Jammer,” zeg ik. Ze vraagt of ik het misschien op prijs stel om een Sanguin handdoek mee te krijgen als dank voor alle jaren dat ik donor was. Ik bedank er vriendelijk voor. Dan moet ik vooral nog een kop koffie nemen voor ik vertrek. Dat ga ik doen.
Bij de koffiebalie staat de kleine, oude mevrouw die me al jaren tijdens de plasmadonatie koffie en een broodje heeft gebracht. Ik vraag haar om een cappuccino en ze kijkt een beetje verbaasd omdat ik niet van een ligbank kom, maar van de andere kant. Ik vertel haar dat ik moet stoppen als donor en bedank haar voor alle kopjes koffie. Ik constateer verbaasd dat ik er geëmotioneerd van ben.
Langzaam drink ik mijn laatste kopje Sanguin-koffie. Dan fiets ik naar huis. Ik heb de wind mee, maar deze keer is dat niet zo belangrijk. Ik heb nog al m’n bloed in m’n lijf, ik hoef niet bang te zijn dat ik duizelig word als ik flink doortrap.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten