De telefoon gaat. Ik stap over een emmer, zet een knie op de bank en reik naar het toestel dat daarachter op de grond in de lader staat. De afspraak die ik met de bellende vriendin maak, wil ik meteen even opschrijven. Maar het kastje waarin altijd een stapeltje memoblaadjes ligt, staat in de schuur en het tafeltje waar ik meestal blindelings een pen vindt, is boven.
Zo grijp ik sinds anderhalve week voortdurend mis.
Kasten zijn ontruimd en staan op vreemde plaatsen. In de schuur, onder de trap en in de hal. Daar staat trouwens ook de piano uitnodigend voor ieder die de voordeur binnenkomt. De kale kamer wacht op een nieuwe vloer, die een week geleden gelegd had moeten worden.
Alleen was er een probleem in de vorm van een opstapje. Een halve centimeter verschil tussen kamer- en keukenvloer had geëgaliseerd moeten zijn.
Met die boodschap werden we gebeld op de dag dat de vloerenlegger kwam. Zijn baas, die eerder zelf was komen kijken en opmeten, vertelde mijn H. telefonisch op hoge poten dat onze voorbereidingen niet deugden en dat er zo niet gewerkt kon worden. Bij het opmeten had hij niets gezegd over dat egaliseren, en ook de andere eisen die hij nu stelde, waren nieuw voor ons. De verwarming moest afgekoppeld en de plintjes moesten er af.
H. was woedend. Vooral vanwege de toon. “Als die man niet inbindt, bekijkt ie het maar! Dan leggen we het zelf wel!”
Afgesproken was dat er de volgende morgen in onze aanwezigheid iemand zou komen overleggen en H. zat met opgestroopte mouwen te wachten om de strijd aan te gaan. Het was niet de baas die aanbelde, maar de vriendelijke jongen die de vloer moest leggen.
Hij legde uit waarom en hoe het hoogteverschil weggewerkt moest worden, dat de nieuwe holle plinten, anders dan de oude, niet over de aanwezige plintjes pasten en dat het afkoppelen van de verwarming echt niet nodig was. Diplomatiek beaamde hij dat zijn baas een en ander over het hoofd had gezien en toen hij weer vertrok was de woede van H. verdwenen.
Inmiddels is er geëgaliseerd. De plinten liggen buiten op het terras en op de betonnen vloer staan sinds vanmiddag stoepkrijttekeningen van de buurkinderen.
Langzamerhand wennen we er aan om voor een rolletje plakband of een telefoonsnoertje tien minuten zoektijd kwijt te zijn. Over een week staat er een nieuwe afspraak met onze aardige vloerenlegger. We hopen dat hij deze keer met de ondergrond uit de voeten kan en dat we het weekend daarop de hele boel terug kunnen verhuizen. Wat zullen we genieten van een knusse, huiselijke kamer met een tafel en stoelen, een mooie, nieuwe vloer met een tapijtje erop en kasten met laatjes waarin je zonder moeite een pen of een rolletje plakband vindt.
woensdag 15 september 2010
woensdag 8 september 2010
Beton en steigers.
Ruim elf jaar wonen we nu in ons huis en dan gaan er dingen slijten. Afgelopen voorjaar besloten we tot een nieuwe vloer. Al langer stond vast dat dit jaar het stucwerk aan de buitenkant van het huis moest worden schoongemaakt en geschilderd. Toevallig kwamen de afspraak met de vloerleggers en die met de schilder in dezelfde week terecht.
Vandaag loop ik rond op beton. De overgebleven meubels staan een schijn van gezelligheid op te houden, maar het huis klinkt hol. Op het terras achter staan fietsen, die in de schuur plaats moesten maken voor dozen en kastjes. Dicht tegen elkaar staan ze in de druilregen, naast de weggeschoven tuintafel.
Voor het raam staat een steiger.
Schilderen gaat niet als het regent, maar schoonspuiten wel. Ik hoor het constante lawaai van de hogedrukspuit en de motregen wordt met nepvlagen aangevuld.
Nadat ik onverschrokken een klein rondje heb hardgelopen zit ik boven achter de computer. Echt gezellig is het hier ook niet, want rondom me staat de inhoud van een boekenkast opgestapeld. Eigenlijk wil ik gaan douchen maar er zijn twee redenen om te aarzelen.
Ten eerste kan er ieder moment een man met een hogedrukspuit voor het badkamerraam verschijnen. Ten tweede kan er aangebeld worden door iemand die een nieuwe vloer komt afleveren.
Ik besluit eerst maar koffie te gaan drinken. Gezellig op de betonnen vloer samen met de schilders. Meteen na de koffie blijkt de muur rondom het badkamerraam aan de beurt te zijn, dus ik stel het douchen nog even uit. Een telefoontje leert dat de vloer pas later op de dag gebracht wordt. Dan kan ik straks eerst nog even boodschappen doen.
Lekkere dingen, om vanmiddag iets speciaals te koken, want met binnen beton en buiten motregen moet er toch iets gebeuren waar je vrolijk van wordt. Ik denk dat de situatie minstens om Tiramisu vraagt.
Of zie ik daar de lucht wat lichter worden?

Vandaag loop ik rond op beton. De overgebleven meubels staan een schijn van gezelligheid op te houden, maar het huis klinkt hol. Op het terras achter staan fietsen, die in de schuur plaats moesten maken voor dozen en kastjes. Dicht tegen elkaar staan ze in de druilregen, naast de weggeschoven tuintafel.
Voor het raam staat een steiger.
Schilderen gaat niet als het regent, maar schoonspuiten wel. Ik hoor het constante lawaai van de hogedrukspuit en de motregen wordt met nepvlagen aangevuld.
Nadat ik onverschrokken een klein rondje heb hardgelopen zit ik boven achter de computer. Echt gezellig is het hier ook niet, want rondom me staat de inhoud van een boekenkast opgestapeld. Eigenlijk wil ik gaan douchen maar er zijn twee redenen om te aarzelen.
Ten eerste kan er ieder moment een man met een hogedrukspuit voor het badkamerraam verschijnen. Ten tweede kan er aangebeld worden door iemand die een nieuwe vloer komt afleveren.
Ik besluit eerst maar koffie te gaan drinken. Gezellig op de betonnen vloer samen met de schilders. Meteen na de koffie blijkt de muur rondom het badkamerraam aan de beurt te zijn, dus ik stel het douchen nog even uit. Een telefoontje leert dat de vloer pas later op de dag gebracht wordt. Dan kan ik straks eerst nog even boodschappen doen.
Lekkere dingen, om vanmiddag iets speciaals te koken, want met binnen beton en buiten motregen moet er toch iets gebeuren waar je vrolijk van wordt. Ik denk dat de situatie minstens om Tiramisu vraagt.
Of zie ik daar de lucht wat lichter worden?
donderdag 2 september 2010
Vis
(Nagekomen blogje over Parijs)
Zondagavond zoeken E. en ik een leuke plek om te eten. De laatste keer alweer van dit weekendje Parijs. Ik heb gelezen dat Belleville een wijk is met veel leuke restaurantjes. Een tweede Chinatown. Als we bovenkomen bij het metrostation zitten we meteen in de gezellige drukte. Hier is alles open op zondagavond. Rommelige Aziatische winkeltjes en inderdaad veel restaurants. Allemaal Chinees.
We bekijken een paar menukaarten en kiezen een plek die ons wel wat lijkt. Terwijl we op onze bestelling wachten eten we een bakje kroepoek leeg en kijken naar de koi-karpers in het kleurige aquarium pal naast onze tafel.
E. krijgt haar eten het eerst. Inktvis in pittige saus. Een beetje vettig, maar wel lekker. Dan komt mijn tilapia in zwarte-bonensaus. Een hele, glanzendgrijze vis, waar E. met afgrijzen naar kijkt.
“Die kop!” Met de kop heb ik geen moeite. Wel met het uitvinden hoe ik deze vis moet eten zonder steeds een mond vol graten te hebben. En met de zwarte-bonensaus, die een olieachtige substantie blijkt te zijn met hier en daar een zwarte boon. De vis past precies in het diepe, ovale bord, wat het manoeuvreren lastig maakt. Het meisje van de bediening staat drie meter verderop onverschillig over ons heen te staren.
Terwijl ik met de graten goochel, probeert E. met haar vork de vissenbek van mijn tilapia te openen.
“ Is het lekker?” vraagt ze.
Ik ben niet erg enthousiast en zij verontschuldigt zich voor mijn eten. Dat slaat nergens op en we worden een beetje lacherig. Ook haar gerecht valt na de eerste happen tegen. Het is toch wel erg vet, en dat geldt ook voor het schaaltje nasi dat we delen.
De koi-karpers in het aquarium happen voortdurend tevergeefs in de gekleurde korrels en nepschelpen op de bodem. De bak is te klein voor zoveel vissen. En de kleuren zijn te fel.
Ineens willen we heel graag weg. En een lekker toetje!
We wenken de ober: “Le dision 's il vous plait!”
We geven geen fooi. Onderweg naar huis kopen we twee lekkere appelkaramel toetjes van een hele vriendelijke jongen in een soort avondwinkel. In de hotelkamer maken we daarmee ons ‘afscheidsetentje’ in Parijs goed.
Zondagavond zoeken E. en ik een leuke plek om te eten. De laatste keer alweer van dit weekendje Parijs. Ik heb gelezen dat Belleville een wijk is met veel leuke restaurantjes. Een tweede Chinatown. Als we bovenkomen bij het metrostation zitten we meteen in de gezellige drukte. Hier is alles open op zondagavond. Rommelige Aziatische winkeltjes en inderdaad veel restaurants. Allemaal Chinees.
We bekijken een paar menukaarten en kiezen een plek die ons wel wat lijkt. Terwijl we op onze bestelling wachten eten we een bakje kroepoek leeg en kijken naar de koi-karpers in het kleurige aquarium pal naast onze tafel.
E. krijgt haar eten het eerst. Inktvis in pittige saus. Een beetje vettig, maar wel lekker. Dan komt mijn tilapia in zwarte-bonensaus. Een hele, glanzendgrijze vis, waar E. met afgrijzen naar kijkt.
“Die kop!” Met de kop heb ik geen moeite. Wel met het uitvinden hoe ik deze vis moet eten zonder steeds een mond vol graten te hebben. En met de zwarte-bonensaus, die een olieachtige substantie blijkt te zijn met hier en daar een zwarte boon. De vis past precies in het diepe, ovale bord, wat het manoeuvreren lastig maakt. Het meisje van de bediening staat drie meter verderop onverschillig over ons heen te staren.
Terwijl ik met de graten goochel, probeert E. met haar vork de vissenbek van mijn tilapia te openen.
“ Is het lekker?” vraagt ze.
Ik ben niet erg enthousiast en zij verontschuldigt zich voor mijn eten. Dat slaat nergens op en we worden een beetje lacherig. Ook haar gerecht valt na de eerste happen tegen. Het is toch wel erg vet, en dat geldt ook voor het schaaltje nasi dat we delen.
De koi-karpers in het aquarium happen voortdurend tevergeefs in de gekleurde korrels en nepschelpen op de bodem. De bak is te klein voor zoveel vissen. En de kleuren zijn te fel.
Ineens willen we heel graag weg. En een lekker toetje!
We wenken de ober: “Le dision 's il vous plait!”
We geven geen fooi. Onderweg naar huis kopen we twee lekkere appelkaramel toetjes van een hele vriendelijke jongen in een soort avondwinkel. In de hotelkamer maken we daarmee ons ‘afscheidsetentje’ in Parijs goed.
zaterdag 28 augustus 2010
Parijs
Gare du Nord. De Thalys heeft er vanaf Rotterdam 3 uur over gedaan. Met vertraging. Vroeger was Parijs verder weg.
Ik moet een tijdje studeren op de automaat voor metrokaartjes, maar dan kan ik ook meteen de Japanse jongen helpen die er helemaal niets van snapt.
Met de aanwijzingen van mijn dochter E. Vind ik moeiteloos de weg met de metro naar station Brochant en dan naar het hotel. Zij moet tot vijf uur werken, maar ik kan mijn bagage op haar kamer zetten. Een tweepersoons kamer, waar ze verblijft tot ze per 1 september op haar ‘eigen’ kamer kan, in het 16e arrondissement, vlakbij de Eiffeltoren.
Even later loop ik door Parijs. Terug naar het metrostation en Avenue de Clichy; een straat door met winkels, een kleine markt over en dan naar het parkje vlak naast het hotel. Het is wam. Ik bedenk dat ik de verkeerde schoenen heb meegenomen. Morgen slippers kopen?
Een paar minuten zit ik op een bankje in de zon, dan besluit ik weer naar Brochant te lopen, waar E. Nu wel ongeveer met de metro aan zal komen. Als ik opsta zie ik haar al aan de overkant. Mijn volwassen, werkende dochter. Moe is ze van de eerste fulltime werkweek van haar leven. We doen dus een rustig avondje. Eerst even niks, dan opfrissen, lekker uit eten en niet te laat slapen.
‘Parijs is zo anders als je moet werken’, zegt E. ‘Ik heb nog helemaal niks toeristisch gezien!’
Dus gaan we zaterdag een rondvaart over de Seine maken. Vanaf de Pont Neuf langs het Louvre, tot de Eiffeltoren en terug tot de Notre Dame en Pont d’ Austerlitz.
Zo, die hebben we allemaal weer gezien. Gaan we de rest van het weekend gewoon door leuke wijken slenteren en winkelen.
En maandag vroeg op, want dan gaat ze weer gewoon naar haar werk.
Ik moet een tijdje studeren op de automaat voor metrokaartjes, maar dan kan ik ook meteen de Japanse jongen helpen die er helemaal niets van snapt.
Met de aanwijzingen van mijn dochter E. Vind ik moeiteloos de weg met de metro naar station Brochant en dan naar het hotel. Zij moet tot vijf uur werken, maar ik kan mijn bagage op haar kamer zetten. Een tweepersoons kamer, waar ze verblijft tot ze per 1 september op haar ‘eigen’ kamer kan, in het 16e arrondissement, vlakbij de Eiffeltoren.
Even later loop ik door Parijs. Terug naar het metrostation en Avenue de Clichy; een straat door met winkels, een kleine markt over en dan naar het parkje vlak naast het hotel. Het is wam. Ik bedenk dat ik de verkeerde schoenen heb meegenomen. Morgen slippers kopen?
Een paar minuten zit ik op een bankje in de zon, dan besluit ik weer naar Brochant te lopen, waar E. Nu wel ongeveer met de metro aan zal komen. Als ik opsta zie ik haar al aan de overkant. Mijn volwassen, werkende dochter. Moe is ze van de eerste fulltime werkweek van haar leven. We doen dus een rustig avondje. Eerst even niks, dan opfrissen, lekker uit eten en niet te laat slapen.
‘Parijs is zo anders als je moet werken’, zegt E. ‘Ik heb nog helemaal niks toeristisch gezien!’
Dus gaan we zaterdag een rondvaart over de Seine maken. Vanaf de Pont Neuf langs het Louvre, tot de Eiffeltoren en terug tot de Notre Dame en Pont d’ Austerlitz.
Zo, die hebben we allemaal weer gezien. Gaan we de rest van het weekend gewoon door leuke wijken slenteren en winkelen.
En maandag vroeg op, want dan gaat ze weer gewoon naar haar werk.
donderdag 19 augustus 2010
Kadootjes die je geld kosten
Jaren geleden, mijn kinderen zaten nog op de basisschool, vond ik op een verlaten weg een briefje van 25 gulden. Ik nam het mee naar huis, waar enthousiaste ideeën geopperd werden om het geld uit te geven. Het idee dat we uiteindelijk uitvoerden sloeg helemaal nergens op: we gingen met z’n vieren een dagje naar de Efteling. Zo kostte het vinden van 25 gulden me uiteindelijk minstens het viervoudige. Maar we hadden wel een leuke dag.
Iets heel anders vind ik het, als je als kadootje vijfentwintig euro zou krijgen met de aansporing om er een dagje van naar de Efteling te gaan. Niemand zou dat in z’n hoofd halen.
Toch is dat eigenlijk wat Albert Heijn doet met de leuke spaaracties die om de zoveel tijd opduiken: spaar vier zegeltjes en je krijgt 8 euro korting op een toegangskaart. Jaja, maar je moet er nog wel twintig bijleggen. En een parkeermunt kopen. Om het niet te hebben over de onvermijdelijke ijsjes, frites en/of cola. Deze spaaractie kost je vooral een hoop geld.
En zo heb je ook de “tweede kaartje gratis” truc, de hotelbon met verplicht af te nemen diner, de gratis krant die je alleen krijgt als je een abonnement neemt, de “vier-voor-de-prijs-van-drie” truc (meestal producten waar je er echt geen vier van nodig hebt) en de NS-meereiskaart.
Die laatste uitvinding kreeg ik als trouwe NS-reiziger kado. Samen met een boekje vol andere veelbelovende bonnen en kaartjes. Omdat mijn zoon J. zijn zus in Den Haag wil opzoeken, lijkt het ons handig om daar dat meereiskaartje voor te gebruiken. Er is altijd wel een vriendelijke reisgenoot met wie je mee mag reizen. Zonder problemen komt hij in Den Haag, maar op de terugweg is de conducteur sneller en betrapt J. zonder meereisgenoot. Een aardige medepassagier biedt zich nog aan, maar de conducteur is onverbiddelijk. Kaartje kopen plus een boete van 35 euro. J. belt me op om het te vertellen en ik ben boos.
“Volgens mij staat nergens dat je alleen met bekenden mee mag reizen”, zeg ik, “ik ga bij de NS protesteren!” Voor alle zekerheid kijk ik in het bonnenboekje en zie daar staan: “ U mag de NS-Meereiskaart alleen gebruiken als u zelf een geldig regulier vervoerbewijs kunt tonen …” Aha, op die manier. Voor de gratis appelcake moet je eerst een warm drankje kopen, voor de gratis sinaasappelsap een sandwich en gratis reizen krijg je alleen voor een éxtra persoon; zelf moet je betalen.
Leuk kadootje hoor, een boek vol bonnetjes waar je steeds eerst iets voor moet kopen. Dank je wel NS, voor dit hartelijke gebaar.
Iets heel anders vind ik het, als je als kadootje vijfentwintig euro zou krijgen met de aansporing om er een dagje van naar de Efteling te gaan. Niemand zou dat in z’n hoofd halen.
Toch is dat eigenlijk wat Albert Heijn doet met de leuke spaaracties die om de zoveel tijd opduiken: spaar vier zegeltjes en je krijgt 8 euro korting op een toegangskaart. Jaja, maar je moet er nog wel twintig bijleggen. En een parkeermunt kopen. Om het niet te hebben over de onvermijdelijke ijsjes, frites en/of cola. Deze spaaractie kost je vooral een hoop geld.
En zo heb je ook de “tweede kaartje gratis” truc, de hotelbon met verplicht af te nemen diner, de gratis krant die je alleen krijgt als je een abonnement neemt, de “vier-voor-de-prijs-van-drie” truc (meestal producten waar je er echt geen vier van nodig hebt) en de NS-meereiskaart.
Die laatste uitvinding kreeg ik als trouwe NS-reiziger kado. Samen met een boekje vol andere veelbelovende bonnen en kaartjes. Omdat mijn zoon J. zijn zus in Den Haag wil opzoeken, lijkt het ons handig om daar dat meereiskaartje voor te gebruiken. Er is altijd wel een vriendelijke reisgenoot met wie je mee mag reizen. Zonder problemen komt hij in Den Haag, maar op de terugweg is de conducteur sneller en betrapt J. zonder meereisgenoot. Een aardige medepassagier biedt zich nog aan, maar de conducteur is onverbiddelijk. Kaartje kopen plus een boete van 35 euro. J. belt me op om het te vertellen en ik ben boos.“Volgens mij staat nergens dat je alleen met bekenden mee mag reizen”, zeg ik, “ik ga bij de NS protesteren!” Voor alle zekerheid kijk ik in het bonnenboekje en zie daar staan: “ U mag de NS-Meereiskaart alleen gebruiken als u zelf een geldig regulier vervoerbewijs kunt tonen …” Aha, op die manier. Voor de gratis appelcake moet je eerst een warm drankje kopen, voor de gratis sinaasappelsap een sandwich en gratis reizen krijg je alleen voor een éxtra persoon; zelf moet je betalen.
Leuk kadootje hoor, een boek vol bonnetjes waar je steeds eerst iets voor moet kopen. Dank je wel NS, voor dit hartelijke gebaar.
donderdag 12 augustus 2010
Ping Pong
Tot afgelopen jaar hadden we op mijn werk in de kantine een tafeltennistafel. Ik vind het een leuke sport en greep elk regenbuitje aan om in plaats van een lunchwandeling een potje tafeltennis te doen. Meestal was er wel een tegenstander te vinden.
Weinig vrouwelijke collega’s wagen zich aan tafeltennis en van de mannen verlies ik bijna altijd, maar dat mag de pret niet drukken. Het is gewoon leuk om een half uurtje lekker fanatiek zo’n balletje over tafel te meppen. Jammer genoeg was er na een verbouwing in de kantine geen plaats meer voor de tennistafel.
In mijn la zit nog steeds m’n batje en als ik dat vandaag op zoek naar iets anders opzij schuif, krijg ik een idee. Twee straten verderop heb ik laatst een speelterreintje gezien waar een stenen tafel met een stenen netje staat. Misschien kan ik collega A. overhalen om die eens uit te proberen.
A. is er meteen voor in. Hij gaat op zoek naar een batje en even later constateren we dat de tafel scheef staat en dat elke speler in een kuil staat en dat dat helemaal geen probleem is. We hebben het balletje drie keer heen en weer geslagen als we publiek krijgen. Drie jongetjes komen aansjouwen en vragen hoeveel het staat en of ze scheidsrechter mogen zijn.
Dat mag. En het is nog nulnul.
Eén van de vers benoemde scheidsrechters klimt ijverig op de tafel om er wat zand af te schoppen, waarbij hij nog wat meer zand achterlaat.
We beginnen de wedstrijd met een lange rally en de jongens besluiten dat we best goed zijn. Na een paar minuten hebben ze genoeg van het tellen. “Kunnen jullie ook voetballen?” probeert er één. “Dan kunnen we dát gaan doen!” Ik schiet in de lach en A. legt uit dat we na onze lunchpauze weer moeten gaan werken en dat we willen blijven tafeltennissen.
Echt scheidsrechteren doen ze niet, maar de jongens blijven om de tafel zwerven. Als ik flink achter sta, komt de grootste naast me staan en fluistert: “ Ik zal em wel even voor je afleiden.” Hij begint takjes op de tafel te gooien.
“Hé”, roep ik, “dát is niet de bedoeling; je zou hém afleiden!”
Drie sets spelen we en ik verlies ze allemaal. Onze scheidsrechters hebben inmiddels ergens batjes vandaan gehaald en staan te wachten tot we klaar zijn. Als we met 3-0 stoppen zeggen ze tevreden: “Dat bewijst het: de jongens zijn beter!”
Grinnikend lopen terug om weer aan het werk te gaan. Leuke lunchpauze.
Weinig vrouwelijke collega’s wagen zich aan tafeltennis en van de mannen verlies ik bijna altijd, maar dat mag de pret niet drukken. Het is gewoon leuk om een half uurtje lekker fanatiek zo’n balletje over tafel te meppen. Jammer genoeg was er na een verbouwing in de kantine geen plaats meer voor de tennistafel.
In mijn la zit nog steeds m’n batje en als ik dat vandaag op zoek naar iets anders opzij schuif, krijg ik een idee. Twee straten verderop heb ik laatst een speelterreintje gezien waar een stenen tafel met een stenen netje staat. Misschien kan ik collega A. overhalen om die eens uit te proberen.
A. is er meteen voor in. Hij gaat op zoek naar een batje en even later constateren we dat de tafel scheef staat en dat elke speler in een kuil staat en dat dat helemaal geen probleem is. We hebben het balletje drie keer heen en weer geslagen als we publiek krijgen. Drie jongetjes komen aansjouwen en vragen hoeveel het staat en of ze scheidsrechter mogen zijn.
Dat mag. En het is nog nulnul.
Eén van de vers benoemde scheidsrechters klimt ijverig op de tafel om er wat zand af te schoppen, waarbij hij nog wat meer zand achterlaat.
We beginnen de wedstrijd met een lange rally en de jongens besluiten dat we best goed zijn. Na een paar minuten hebben ze genoeg van het tellen. “Kunnen jullie ook voetballen?” probeert er één. “Dan kunnen we dát gaan doen!” Ik schiet in de lach en A. legt uit dat we na onze lunchpauze weer moeten gaan werken en dat we willen blijven tafeltennissen.
Echt scheidsrechteren doen ze niet, maar de jongens blijven om de tafel zwerven. Als ik flink achter sta, komt de grootste naast me staan en fluistert: “ Ik zal em wel even voor je afleiden.” Hij begint takjes op de tafel te gooien.
“Hé”, roep ik, “dát is niet de bedoeling; je zou hém afleiden!”
Drie sets spelen we en ik verlies ze allemaal. Onze scheidsrechters hebben inmiddels ergens batjes vandaan gehaald en staan te wachten tot we klaar zijn. Als we met 3-0 stoppen zeggen ze tevreden: “Dat bewijst het: de jongens zijn beter!”
Grinnikend lopen terug om weer aan het werk te gaan. Leuke lunchpauze.
donderdag 5 augustus 2010
Alleen
Vijf dagen heb ik het rijk alleen. Man en zoon zijn op mannenvakantie.
Maandagochtend zwaaien ze mij uit, want ik ben het eerst weg: een dagje naar Rotterdam met E. Shoppen en naar de bioscoop. ’s Avonds kom ik in een leeg huis thuis.
Ik moet er even aan wennen, maar het heeft zo z’n voordelen om alleen te zijn.
Ik hoef met niemand rekening te houden.
Niemand vraagt me om iets te doen of om een antwoord als mijn boek net spannend is. Niemand zit voor de t.v. te zappen langs allerlei stomme programma’s.
Niemand (behalve ikzelf) gooit z’n troep op de bank waar ik wil zitten.
Niemand vraagt me om asjeblieft op te houden met zingen.
Dinsdag ga ik varen met een vriendin.
Woensdag komt de buurvrouw (rechts) vragen of ik de komende tijd de post op de trap wil leggen. De familie gaat drie weken naar Amerika en drie weken post in de hal is een al te duidelijk signaal voor notoire inbrekers. Ik beloof het en wens haar een fijne vakantie.
Donderdag worden er twee logeerkonijnen gebracht met gebruiksaanwijzing. Hun baasjes zijn drie weken naar Frankrijk.
Donderdagmiddag staat m’n buurmeisje (links) voor de deur om te vragen of we misschien voor de cavia’s willen zorgen, want ze gaan twee weken naar Spanje.
Ineens begin ik me een beetje eenzaam te voelen.
Als het buiten donker begint te worden neem ik een glas wijn en trek de gordijnen dicht. Voor het eerst gaat de televisie aan. Nog één nachtje slapen, dan komen mijn mannen weer thuis. Toch wel fijn.
Maandagochtend zwaaien ze mij uit, want ik ben het eerst weg: een dagje naar Rotterdam met E. Shoppen en naar de bioscoop. ’s Avonds kom ik in een leeg huis thuis.
Ik moet er even aan wennen, maar het heeft zo z’n voordelen om alleen te zijn.
Ik hoef met niemand rekening te houden.
Niemand vraagt me om iets te doen of om een antwoord als mijn boek net spannend is. Niemand zit voor de t.v. te zappen langs allerlei stomme programma’s.
Niemand (behalve ikzelf) gooit z’n troep op de bank waar ik wil zitten.
Niemand vraagt me om asjeblieft op te houden met zingen.
Dinsdag ga ik varen met een vriendin.
Woensdag komt de buurvrouw (rechts) vragen of ik de komende tijd de post op de trap wil leggen. De familie gaat drie weken naar Amerika en drie weken post in de hal is een al te duidelijk signaal voor notoire inbrekers. Ik beloof het en wens haar een fijne vakantie.
Donderdag worden er twee logeerkonijnen gebracht met gebruiksaanwijzing. Hun baasjes zijn drie weken naar Frankrijk.
Donderdagmiddag staat m’n buurmeisje (links) voor de deur om te vragen of we misschien voor de cavia’s willen zorgen, want ze gaan twee weken naar Spanje.
Ineens begin ik me een beetje eenzaam te voelen.
Als het buiten donker begint te worden neem ik een glas wijn en trek de gordijnen dicht. Voor het eerst gaat de televisie aan. Nog één nachtje slapen, dan komen mijn mannen weer thuis. Toch wel fijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)
Wie gebruikt er nou niet z'n Vensterrecht
Na twee weken vakantie in Duitsland zijn de paprika's en de tomaten in de achtertuin rijp en rood. Best fijn om weer thuis te zijn, na e...
-
Er ligt een klein, hemelsblauw eitje in de tuin. Helemaal gaaf ligt het op een onbegroeid stukje grond. Mijn eerste opwelling is, het op e...
-
Het is ongeveer 10 kilometer fietsen naar Sanguin en voor alle zekerheid doe ik een regenjas aan. Als ik er bijna ben, begint het zachtjes...
-
Mijn zoon krijgt zijn bul. We schrikken een beetje van de datum want het is kort dag en voor ons allebei een onhandige dag om vrij te nem...