vrijdag 8 oktober 2021

Project Magic Ball

Heeft iedereen dat? Soms heb ik ineens verschrikkelijk veel zin om iets te maken. Een tekening of schilderij, een kledingstuk, een gebruiksvoorwerp of gewoon een mooi boeket van bloemen uit de tuin. Het kan zomaar uit het niets komen, of door een museumbezoek. Of, zoals deze week, doordat ik bij de Zeeman een bol wol zie met allerlei verschillende kleuren. ‘magic ball’, staat op het etiket.


Magic ball blijkt – behalve speelgoed – een bol wol zijn die gemaakt is van allemaal restjes. Dat spreekt me wel aan. Kleurige restjes wol heb ik genoeg liggen. Op internet vind ik er verschillende beschrijvingen van en filmpjes van de manier waarop je de draden stevig aan elkaar kunt knopen zonder dat je losse eindjes overhoudt. Het ziet er allemaal nogal priegelig en bewerkelijk uit.

Maar dan zie ik ergens in een reactie staan: ik maakt ze gewoon aan elkaar door de ene kleur draad met een naald in de andere te stoppen en andersom. Aha, dat lijkt me wel te doen. En daarmee begint mijn project magic ball.


Kleurige draden breiwol, variërend van een ongeveer een halve meter tot anderhalve meter aan elkaar vast maken. Oprollen tot een bolletje dat steeds groter wordt en er heel vrolijk uitziet. Het is een verslavend werkje dat heel goed kan terwijl je bijvoorbeeld naar een podcast luistert. Of ik doe er in een verloren kwartiertje nog gauw een paar draden bij.

Voor nu is het gewoon leuk om de bollen te zien groeien. Bollen ja, want intussen ben ik aan de tweede toverbal begonnen. En terwijl ik geduldig meer draden aan elkaar vast maak, heb ik alle tijd om te bedenken wat ik er uiteindelijk van ga maken. Maar dat is weer een volgend project.

 

 

 

 

zondag 3 oktober 2021

Avondje theater

Op zaterdagavond willen we iets leuks doen en we kijken online naar het programma van de bioscoop in Nijmegen. Behalve een reeks films waarvan een paar misschien leuk zijn, is er ook een theatervoorstelling. Zeven eenakters, geschreven door verschillende auteurs. Er zijn nog kaartjes voor en we besluiten dat we daar naartoe gaan.

‘s Avonds zijn we bijna bij de parkeergarage als H. losjes opmerkt dat hij zijn telefoon thuis heeft laten liggen.
‘Maar dan kunnen we niet naar binnen,’ zeg ik geschrokken. ‘We moeten natuurlijk de corona-app laten zien!’
‘Oei, daar had ik niet aan gedacht.’ 

We staan voor een stoplicht vlak voor een rotonde en ik denk dat we allebei de mogelijkheid overwegen om de rotonde helemaal rond te rijden en snel thuis de telefoon te halen. Een ideetje dat net zo gauw weer de prullenbak in kan. Dat halen we nooit.
‘We bellen het theater om te vragen hoe streng ze ermee zijn,’ stel ik voor. Vanuit de parkeergarage bellen we en H. vraagt of een foto van de QR code misschien ook kan.
‘Eh, dat is scanbaar dus ik denk het wel,’ zegt de dame aan de telefoon.

We bellen J. die thuis is gebleven. Hij vindt de QR op de telefoon en stuurt een foto. Door een miezerbuitje lopen we snel naar de bioscoop, waar ik bij de ingang vlekkeloos mijn code kan laten scannen. Dan de foto van H. Maar nee, dat werkt niet. De QR blijkt om de zoveel tijd te verspringen en is dus al verouderd.
De jongen bij de ingang denkt mee. ‘Als je nou de persoon die de foto heeft gestuurd via facetime kunt bellen, kan ie de code ‘live’ laten zien.’
Goed idee. We bellen weer naar huis, maar J. neemt niet op.
‘Misschien is ie even naar de wc.’
Na zes keer bellen zegt de deurbewaker dat we wel even naar binnen mogen komen; het miezert nog steeds. Na tien keer bellen beginnen we de moed te verliezen en na vijftien keer bellen geven we het op.

‘Ga jij maar naar binnen,’ zegt H. ‘Bel maar als het is afgelopen, dan kom ik je ophalen.’
Ik heb geen tijd om erover na te denken, want om acht uur begint de voorstelling en het is één minuut voor acht.
Een zoen, twee trappen op rennen en voor de ingang van de zaal probeer ik op mijn telefoon het toegangskaartje tevoorschijn te toveren. Maar er komt een melding dat dit niet mogelijk is. ‘Bestelling x kan niet worden gevonden. Dit kan zijn omdat de voorstelling is geweest.’
Ik laat het zien aan de dame bij de deur.
‘Ga maar gewoon naar binnen,’ zegt ze gemoedelijk.
‘Ja maar ik weet niet meer wat mijn stoelnummer is.’
‘Eh, nou, ga maar ergens zitten. En als er nog iemand komt voor die stoel kun je nog ergens anders gaan zitten.’

Er is inderdaad ruimte genoeg en een paar minuten nadat ik binnen ben begint de voorstelling. Zeven eenakters waarvan er een paar erg leuk zijn, een paar best leuk en helaas vind ik de laatste flauw en overgeacteerd. Toch ben ik blij dat ik wel naar binnen ben gegaan. En na mijn solo avondje theater word ik heel lief weer opgehaald door H.
Best een leuke avond, maar toch niet helemaal hoe we het ons hadden voorgesteld.

donderdag 23 september 2021

Het geluid van Friesland


Fietsend vanaf Harlingen tegen de Westenwind in hoor je niets anders dan de bulderende wind in je oren. Het geluid van de zee komt er nauwelijks bovenuit, al fietsen we er dicht langs. Als we verder gaan op het fietspad bínnen de dijk, neemt het gebulder iets af. 

Hier horen we het riet ruisen dat langs het smalle slootje staat. Af en toe schreeuwt een meeuw en ineens kwettert er vanuit de lage begroeiing waar we langs komen een spreeuwenvergadering. 

Voor me hoor ik het constante geluid dat de fietsbanden van H. op de weg maken. Mijn eigen fiets heeft ergens een regelmatige tik opgelopen, die klinkt bij elk rondje van de trappers. 

Als een auto ons passeert op de smalle weg langs de dijk, hoor je hoe ruim dat gebeurt. De meesten geven ons flink de ruimte en rijden over de ribbelige stenen rand in de berm, wat een soort race-geluid oplevert. 

Gaan we een wildrooster over dan hoor je het ijzeren gerammel onder onze wielen en als we omhoog moeten bij een brug, dijk of terp, klikken vaak haast tegelijk onze versnellingen naar een tandje lager.

En steeds maar de wind, de wind, de wind. Regelrecht in m'n oren, ruisend in het riet, heel anders ruisend door de bomen, soms fluitend tussen de spaken van onze wielen. De hypnotiserende geluiden van fietsen in Friesland 

dinsdag 21 september 2021

Stelletje hypocrieten


 (Dinsdag 21 sept). ‘O nee, wéér zo’n klaphek met daarachter een eindeloos recht fietspad vol schapenkeutels. De schapen lopen links en rechts van het pad. Om de beurt wringen we onze fietsen door het hek en als het achter me dichtslaat, moet ik even flink trappen om weer vlak achter H. Te rijden, uit de wind.

Vandaag fietsen we vanaf Zuidlaren omhoog. Dwars door de stad Groningen en dan langs het bovenste randje van Friesland richting Afsluitdijk. Het viel niet mee om in deze contreien een slaapplek te vinden, daardoor zijn we ruim boven ons daggemiddelde van 80 km. uit gekomen. We gaan naar Hantum, een stukje boven Dokkum. 

We fietsen bovenlangs het Lauwersmeer. Een stuk Nederland met geweldige wijdse uitzichten en overal water. Prachtig als je niet toevallig tegen een stevige westenwind in hoeft te fietsen. 

Maar na dertig kilometer tegenwind heb ik het wel gehad met die wijdsheid. Ik wil een pauze, liefst met koffie. Dat laatste zit er voorlopig niet in, maar we zien wel een uitnodigend bankje staan. Boven op de dijk. 

We zitten even uit te puffen en eten een appel. Achter een plastic schyifdeurtje vind ik een logboek waar voorbijgangers iets in kunnen schrijven. Ik blader erin en lees niets anders dan juichende opmerkingen. Heerlijk fietsen hier, prachtig uitzicht, leuk dit bankje. 

Jaja, zeg ik. Stelletje hypocrieten. Ik geloof er niks van dat iedereen het zo geweldig vind om in dit godvergeten winderige niemandsland te fietsen. Ik schrijf in het boek dat m’n hele lijf pijn doet na 30 kilometer tegenwind. Maar ook, eerlijk is eerlijk,  dat ik blij ben met dit bankje. 

En dan stappen we weer op voor de laatste twintig kilometer van deze dag. 

zaterdag 18 september 2021

Kleverig laagje

 (17 sept) Vandaag hoeven we maar 65 km. Naar een b&b in Boekelo, bij Enschede. We fietsen op ons gemak, wijken een paar keer van de route af om ergens iets te drinken, om een watermolen te bekijken…


Niet ver van onze bestemming rijden we over een bospad. De nummers van de fietsknooppunten wijzen ons de weg naar de overkant van een autoweg. Een stukje ervoor staat een auto schuin over ons pad geparkeerd. We kunnen er met de fiets nét langs, maar worden tegengehouden door een man met een oranje hesje. Vriendelijk vertelt hij ons dat we er niet langs mogen. Er wordt geasfalteerd en er is zojuist een kleverig laagje aangebracht, waar niemand over mag. 

‘Kunnen we echt niet even oversteken?’ Vraagt H. Nee, dat is echt niet de bedoeling. ‘En als we vóór de weg rechtsaf het fietspad nemen?’ Dat mag ook niet , want er kan kleverig spul op liggen en als wij daar schade door krijgen is hij verantwoordelijk.

Terwijl de man met ons staat te praten, steken achter zijn rug een paar argeloze fietsers de kleverige weg over. ‘Oh, héhé, u mag hier niet overheen!’ Hij wendt zich weer naar ons om nog eens uit te leggen waarom hij ons moet tegenhouden. Nóg twee fietsers komen vanaf de overkant in onze richting. Hij krijgt het er benauwd van. 

We beloven hem dat we een ander weggetje gaan zoeken, zodat hij aan de overkant mensen kan gaan tegenhouden. We draaien om, rijden een stukje terug en vinden een pad dat parallel loopt aan de autoweg. Een paar kilometer verderop kunnen we alsnog oversteken.

Nu komen we op een knooppunt vlakbij Enschede uit, waar we dan eerst maar wat boodschappen doen. Als we daarna terug  zijn gereden naar Boekelo, blijken we toch weer keurig 80 kilometer op de teller te hebben. Zo houden we ons gemiddelde wel in stand. 

vrijdag 17 september 2021

Stationnetje kopen?


 Het stationsgebouw in Vorden staat te koop. (Vorden? Jawel, toen we na zes dagen fietsen in Vlissingen waren namen we de trein terug omdat H. op de 15e naar een feestje móest. Na een dag treinen en een dag pauze begonnen we opnieuw aan de ronde van Nederland, maar dan de andere kant om.)

En nu zijn we dus in Vorden, waar we vlakbij een klein stationnetje in hotel De Gravin van Vorden verblijven. ‘Is het echt te koop?’ Vraag ik, ‘maar er rijden toch nog gewoon treinen.’

We lopen naar het station toe. Pal ervoor staan een paar kleine Connexxion bussen bij de bushalte. Langs de zijkant lopen we naar het spoor. Op het perron achter het gebouw staan wat mensen op de trein te wachten. 

We zien kapotte raampjes en in de zijmuur een lange scheur. Hier is een hoop werk aan te doen. We fantaseren over wat je met zo’n gebouw zou kunnen doen. Veel mogelijkheden vallen af, zo ingeklemd tussen het spoor en een busstation. 

Twee mannen in uniform slenteren in onze richting. Ze blijven staan bij een buitenkraan waar de ene uitgebreid zijn handen wast. ‘Dat gebouw staat ook al een tijd leeg hè,’ zegt hij tegen z’n maat.

Wij lopen langs hen terug naar de straat. ‘We doen het toch maar niet’, zegt H. En als de mannen hem verbaasd aankijken:’We hebben besloten om het toch maar niet te kopen.’  Ze lachen:’Het is anders een lekker ruim gebouw’.  ‘Ja’, zeg ik, ‘maar met een trein in je achtertuin en een bus in je voortuin.’  ‘Nou,’ knikken ze, ‘Het is wel goed bereikbaar.’ 

Dan klinkt een luide bel. Ergens vlakbij gaan de spoorbomen dicht en er komt een trein aan denderen. O ja, dat krijg je er ook nog bij. Grinnikend lopen we door naar de Gravin van Vorden. Een gebouw dat we ook niet willen kopen maar waar we vannacht wel lekker gaan slapen. 


woensdag 15 september 2021

Dit is niet grappig

Het is zondag 12 september. We fietsen langs het onderste randje van Zuid-Beveland. De lucht is woest en afwisselend. Het ene moment zetten we de zonnebril op, het volgende is het dreigend donkergrijs boven onze hoofden. In de verte, achter het water, zien we Zeeuws-Vlaanderen. En vaag de contouren van wat waarschijnlijk Terneuzen is.
We kronkelen met de dijk mee, steken een sluis over en dan splitst de weg zich. Rechts gaat ie gewoon door en links duikt ie een stukje omlaag om dan weer omhoog te komen en zich bij het rechterdeel te voegen. Wij fietsen rechtdoor. Vlak voor ons zien we een vader met twee kleine jongens het lage stuk weg kiezen. De kleinste, op z’n eigen fietsje, sjeest enthousiast vooruit. Maar op de dalende weg zit een gemeen bochtje met fijn, los grind. We zien het jochie onderuit gaan. Hij maakt een nare smak en na een paar seconden begint ie hard te schreeuwen. Papa stapt snel af en hurkt er naast.

‘Ik heb pleisters,’ zeg ik tegen H. ‘In de toilettas, boven in m’n fietstas.’
We rijden door tot waar de wegen samenkomen en draaien dan om, om naar het lage stuk te gaan waar de vader naar de kapotte knie van het huilende jongetje kijkt. Er zit een flink gat in. Het bloed stroomt over z’n been. Het grotere broertje knijpt z’n ogen dicht en papa zoekt iets om het bloeden te stelpen, maar heeft niets bij zich.
‘Wij hebben pleisters!’
H. staat al naast de man en terwijl hij het pakje met allerlei maten pleisters aangeeft, zoek ik naar de papieren handdoekjes die ik gisteren ergens heb meegenomen.

‘Dit is niet leuk,’ huilt de kleine gewonde.
‘Dit is niet grappig!’
Dat is duidelijk. Niemand haalt het ook in z’n hoofd om te lachen. Ik vind twee verpakte koffiekoekjes in een tas, die natuurlijk niet echt helpen, maar de jongens lusten ze wel.
Dan is het meeste bloed weggeveegd en zit de grootste pleister op de knie. Het kleine fietsje wordt op slot gezet om later op te halen en het slachtoffer gaat bij papa achterop. Ze moeten nog vijf kilometer naar huis en dan waarschijnlijk naar de huisartsenpost. Wij kunnen niets meer doen en wensen ze sterkte.

Dan stappen we weer op en rijden verder.
‘Zo zielig,’ zeg ik.
‘Het zal wel gehecht moeten worden,’ zegt H.
We zullen het nooit weten, maar we zijn blij dat we in elk geval iets voor ze konden doen.

Wonderlijk dat iets tegelijk sappig én droog kan zijn

Zondagmorgen. We zijn laat opgestaan, maar omdat de tijd vannacht een uur terug is geschoven, zitten we toch nog voor tien uur aan het ontbi...