Posts tonen met het label vader. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vader. Alle posts tonen

vrijdag 15 januari 2021

Vakmanschap

In de hal staat tegenwoordig een doos met mondkapjes. Niet zo’n kartonnen doos met die  blauw/witte wegwerpmaskertjes, maar een mooi, houten doosje met herbruikbare. Het stond al een tijd ongebruikt in een hoekje, samen met een iets kortere, maar hogere doos. Allebei lang geleden gemaakt door mijn vader, allebei van eikenhout met een scharnierend deksel.

Vorig weekend heeft H. ze geschuurd en gelakt, zodat de tekening van het hout weer mooi tevoorschijn kwam. Ze stonden te shinen in de kamer tot de lak droog was en we keken er bewonderend naar.
“Wat kon mijn vader toch een mooie dingen maken,” ik doe het deksel dicht en weer open. Het sluit naadloos zonder ook maar een millimetertje speling.

“We hebben best veel dingen van je vader in huis,” zegt H.
In gedachten gaan we het huis door. Ons robuuste, houten bed dat dochter E. hopeloos ouderwets vindt maar dat nog steeds prima functioneert.
Een lange, lage kast met schuifdeuren op de kamer van zoon J.
Twee simpele houten kastjes die al vele keren van rol gewisseld zijn. Ooit gemaakt voor onze Amsterdamse kamer, nu van elkaar gescheiden; de een volgepropt met oude schoenen, de ander dient als nachtkastje.
Een knalrood barbiebed en een al even knalrode barbiekast, compleet met een hang- en een leggedeelte, laden en miniatuur ijzerbeslag. Gemaakt voor E. toen ze klein was en nu door ons bewaard als aandenken aan mijn vaders vakmanschap.


Bij de meeste van al die ambachtelijke kunstwerkjes staan we niet zo vaak stil. Het is bijna acht jaar geleden dat hij overleed en hij raakte toen al jaren geen hamer of zaag meer aan. Het is mooi om een rondje maken langs alles wat hij ons heeft nagelaten. En die glanzende eikenhouten doos in de hal vestigt er voorlopig elke dag weer even de aandacht op.
Mooi gemaakt, pap.




vrijdag 12 april 2013

Dag pap


Ik word veel te vroeg wakker uit een onrustige slaap.
Als ik mijn ogen open doe, zie ik in het donker de schuine balk van het plafond en de kier licht van de deur die niet meer helemaal dicht gaat. Ik ben in mijn ouderlijk huis.
Het lukt niet om weer in slaap te komen en ik sta op, doe de roze badjas van mijn moeder aan en loop de trap af. Voorzichtig, want de leuning zit los; al jaren, mijn vader kwam toch niet meer boven.
“Hoi pap”, zeg ik zachtjes als ik de kamer in kom.
Ik loop naar de kist en strijk over de glasplaat. Vreemd glad is zijn gezicht daaronder, voor zijn 91 jaar. Hij ziet er uit als een wassen pop. Een namaakvader. Er zit niemand in.

Een paar uur later komen de eerste mensen afscheid nemen. Dorpelingen en familie. Ze schuifelen eerbiedig naar de kist en zeggen: “Ach, het is hem precies.”
Dan komen de verhalen. Mijn vader was geen joviale levensgenieter, maar hij hoorde wel in de dorpsgemeenschap. Weemoedig zeggen mensen dat hij zo’n markante man was, die zó veel wist over het dorp en zijn geschiedenis. Ik zet koffie en thee en ik praat en praat en praat. Met mensen die ik nauwelijks ken, die zich opnieuw moeten voorstellen omdat ik nog een kind was toen ik ze voor het laatst zag. Door al die verschillende ogen zie ik mijn vader opnieuw en ik vertel het laatste stukje er bij. Over de tijd dat hij niet meer in zijn huis kon wonen.

Mijn broer komt me een paar keer opzoeken met zijn gezin. De kinderen kijken af en toe even bij de kist. Ze willen opa tekeningen meegeven en hebben zelf bloemstukjes voor hem gemaakt. “Red je het hier?” vraagt mijn broer als ze weer gaan, “bel maar als ik moet komen”. Maar ik vind het fijn om nog even met pa in zijn eigen huis te zijn. Al ligt er in de kist een lege namaakvader, dit is wel zijn plek. Hier kan ik er een paar dagen rustig aan wennen dat hij er niet meer is.

Af en toe loop ik even naar de kist en kijk verwonderd naar  zijn stille gezicht.
“Dag pap.”   


 

 

zaterdag 23 maart 2013

Een boot uit het verleden



 
 
 
 
 
 
 
 





Hij zit aan tafel met zijn ogen dicht.

Zijn blokjes brood onaangeroerd,

Zijn beker melk vergeten

Als ik hem groet, kijkt hij maar even op,

Hij mompelt dag

En nog iets vaags

Dan zakken weer

Zijn zware ogen dicht

Ik vraag hem

Heb je pijn?

Last van het licht?

Hij schudt zijn hoofd.

Wie heeft ze nou gemaakt?

Vraagt hij aan niemand

Of aan mij

 

Het gaat over een boot.

Zegt hij

Is hij terug

Naar voor mijn tijd?

Hij werkte bij een werf

En maakte schepen.

Ik meng me in zijn droom

En vraag:

Hoe maakte je zo'n boot?

Hoe groot?

Waarmee?Wat deed je?

En met gesloten ogen

Legt hij uit.

We maakten gangen,

Ja, zo noem je dat

Die gingen aan elkaar

Met koperen rode nagels.

Dan zwijgt hij lang

 

Ik zie een jonge man

Die trots een kleine boot bekijkt,

Tevreden strijkt

Over de koperrode koppen

In het hout.

Nog even

en hij gaat op reis.

 

 

vrijdag 15 maart 2013

Wazige vader


"Hee", zegt mijn vader als ik naast hem aan tafel ga zitten.
Er staat een bord voor hem met een paar blokjes brood en een lege melkbeker er op.
Zijn blik is een beetje glazig.
"Hoe is het?" Vraag ik en hij herhaalt "hoe is het", zwijgt even nadenkend en zegt dan "hoe is het met jou?"
Ik zeg dat het goed gaat en dat hij de groeten krijgt van thuis. Hij knikt vaag en ik vertel hem iets over mijn afgelopen vakantieweek.
Ik weet niet of hij het volgt. Hij verstaat me slecht. Vraagt vaak wat ik zeg of zegt iets dat ik niet thuis kan brengen. Koffie drinken wil hij wel. We gaan met de lift naar het restaurant, waar hij rond kijkt alsof hij er nooit eerder is geweest. Als ik koffie haal, valt hij in slaap.

Hij klaagt dat hij niet lekker zit. Alsof ie aan z'n rolstoel plakt. En hij moet naar de w.c.
Daarvoor moeten we naar boven. "Hee", zegt hij tegen het meisje dat hem komt helpen, "jou heb ik eerder gezien."
Weer terug in het restaurant haal ik een plakje krentenbrood voor hem. Met boter en suiker, daar houdt hij van. Ik probeer met hem te praten, maar hij reageert op flarden die hij opvangt van tafeltjes om ons heen. "Zei iemand mijn naam? Dat hoorde ik toch." Hij zoekt naar bekenden, maar als iemand langsloopt die hem groet, kijkt hij langs haar. Tot ik haar naam noem en zegt waar hij moet kijken.
Hij vergeet zijn krentenbrood. Als ik hem er op wijs, neemt hij een hapje, houdt de rest van het kwart in zijn hand tot het uit elkaar valt. Zijn ogen zijn weer dicht gevallen.

Het wordt druk in het restaurant. Een groep vrijwilligers komt alles klaarzetten voor een poffertjesfestijn. We gaan naar boven om even rustig op zijn kamer te zitten. Ik vraag me af hoeveel er tot hem doordringt van alles om hem heen. Hij lijkt half te slapen. We zitten een uurtje bij elkaar. Ik vertel hem over zijn huis, waar ik een paar dagen was, over oude foto's die ik vond, over een maquette die hij ooit gemaakt had. Hij reageert lauw.
Om half twee is er drukte in de gang. De vrijwilligers komen mensen halen om poffertjes te eten.

Mijn vader slaapt. Ik twijfel over wat ik moet doen. Om twee uur moet ik naar een afspraak. Bijna iedereen gaat poffertjes eten. Als ik straks weg ben, zit hij op een vrijwel lege afdeling.
Ik praat even met de activiteitenbegeleidster die hem goed kent. We komen tot de conclusie dat ik hem maar het beste naar het restaurant kan brengen.
Zachtjes schud ik aan zijn schouder. Ik zeg dat ik straks weg moet. "Waar moet je heen?" Vraagt hij. Eerst naar een afspraak, en dan naar huis, vertel ik hem.
"Dan moet ik ook maar naar huis gaan"

We gaan naar beneden, met de stroom mee het restaurant in. Ik zoek een plekje voor hem tussen bekende gezichten en neem dan afscheid. Hij wil weten waar hij zijn rolstoel kan laten als ie vertrekt. Waarom ik weg ga. Waarom ik pas over een week weer kom. Ik heb geen antwoorden. Alleen nog dag en ik moet gaan en tot volgende week. Hij protesteert niet. Ik moet rennen om de bus te halen.

Het regent. Bij het Centraal Station in Amsterdam staan 2 jongens muziek te maken. Een mooi, melancholiek liedje. Ik slik een brok weg en gooi twee euro in hun bakje. Dan neem ik de trein naar huis.

 

 

vrijdag 1 maart 2013

Stroef bezoek


Met mijn rechterarm in het gips  is het lastig manoeuvreren met een rolstoel. Ik blijf een tijdje samen met mijn vader in de huiskamer van zijn afdeling zitten. Met een  schreeuwende vrouw tegenover hem en een open raam achter hem heeft hij het al gauw gezien. "ik wil hier wel weg", zegt hij en ik ben het zo met hem eens dat ik de rolstoel met 1 hand achter de tafel vandaan wurm en de gang in duw. Daar krijgen we hulp van een aardige verzorger, die ons even naar het restaurant brengt.

De tussenwand is dicht geschoven voor een muziek bijeenkomst. Een kleine ruimte is gewoon als restaurant open en m'n vader wordt aan de enige tafel gezet die vrij is. Ik schuif een stoel bij en ik haal voor ons allebei een kop koffie. Als ik weer ga zitten, zitten er verderop aan de (grote) tafel twee vrouwen. Even later gaat er een deur open in de tussenwand. Er komt een golf muziek door en en hekserige oude vrouw, die al meezingend aan onze tafel komt zitten. "Wat een stom liedje", roept ze zodra ze zit. De twee andere vrouwen vragen naar mijn gips en we praten even. 
Mijn vader drinkt zijn koffie en houdt zich afzijdig. Hij hoort slecht vandaag. Een dikke vrouw in een rolstoel maakt een bochtje achter hem langs en parkeert zichzelf naast hem aan tafel. Haar stoel botst tegen de zijne. Hij kijkt verstoord naar mij: wat is dat voor gebonk?

De heksvrouw vraagt uit de verte hoe mijn vader heet. Ik herhaal de vraag voor hem en hij mompelt zijn achternaam. Ze kijkt hem vrolijk aan en roept dat zij Schutte heet. "Altijd voor schut", voegt ze er lachend aan toe. Hij grijnst onwillig. Intussen is de muziek afgelopen en zijn ook de tafels achter de tussenwand weer beschikbaar. Het is lunchtijd. Er staat een rij personeel bij het lunchbuffet en de kassa. Ik wacht tot het er rustiger wordt en ga dan iets te eten halen, dat een behulpzame dame voor me naar onze tafel brengt. 

Daar is intussen een lange, zwarte man met wit haar aangeschoven. Hij grapt tegen mijn vader dat ie niet te veel moet eten, maar het gaat aan hem voorbij. Een beetje bozig vraagt hij aan mij of die vrouw nou nog steeds tegen z'n stoel zit te duwen. "Volgens mij niet", ik maak een verontschuldigend gebaar naar de dikke vrouw. "Is dat je vader?" Vraagt ze. Een van de andere vrouwen zegt meelevend op gedempte toon: "ja, we willen allemaal oud worden, maar het valt nog niet mee."
"Wat zegt ze?" Hij tuurt wantrouwig naar de overkant. 
"Ze vragen of je m'n vader bent."

We eten zwijgend terwijl om ons heen gepraat wordt. Dan zegt mijn vader dat de bijeenkomst wat hem betreft wel afgelopen mag zijn. Het lukt me om hem naar de lift te duwen en boven krijgen we duwhulp tot zijn kamer. Daar valt ie prompt in slaap. 

Het is niet altijd leuk, mijn wekelijkse vaderbezoek. Maar al is het niet altijd even gezellig, ik weet dat het belangrijk voor hem is dat ik kom. Dus al doet ie nog zo stug, mijn vrijdagen blijven voorlopig gereserveerd. Het geeft me niet alleen het gevoel dat ik een goede dochter ben, het levert me ook met grote regelmaat een verhaaltje op voor mijn weblog. 

vrijdag 1 februari 2013

Een dikke zoen van Annie


 

 
“Mag ik u een stukje opzij zetten?” vraag ik aan de oude vrouw die naast mijn vader aan tafel zit.
“Wat?” Haar stem is hard.
“Een stukje opzij”, zeg ik, “dan kunnen we er langs met de rolstoel.”
“Een rolstoel? .. Ik heb geen rolstoel.”
“Nee, maar mijn vader wel”, roep ik en wijs naar hem.

“Je vader?” Ze kijkt moeizaam opzij. “Is dat je vader?”
“Jazeker”, ik knik heftig en manoevreer intussen met de rolstoel.

Een meisje met een witte jas komt de kamer in. Voorzichtig schuift ze pa’s buurvrouw met stoel en al opzij. “Je vader had zijn brood helemaal oud laten worden”, zegt ze tegen mij. “Willen jullie nog even hier blijven? Er wordt pap voor hem gemaakt.”
Ik zet de roltoel aan de andere kant van de tafel, waar we straks makkelijk weg kunnen.
“Je vader is een lieve man”, zegt de oude vrouw die nu tegenover ons zit. “Zeg dat maar tegen hem.”
“Hij heeft het wel gehoord”, zeg ik en knik naar mijn vader.
“Nee, díe niet!” roept ze, “ik bedoel je váder!”
“Dit ís mijn vader”, lach ik.
Ze kijkt bezorgd. “Ben je in de war?”

Er gaat me een licht op.
“Hij zat eerst daar, naast u”, ik wijs. “En nu zit hij hier. Mijn vader.”
“Oh ja”, nu klopt het weer.

Intussen heeft pa een kommetje pap gekregen, dat hij langzaam leeg eet. Ik wacht, bekeken door m’n overbuurvrouw.
“Heb je een broer?” vraagt ze ineens.
“Ja”, zeg ik en steek twee vingers op, “Ik heb twee broers.”
“Weet je wat je moet doen?” Ze grinnikt.

“Geef hem maar een zoen. En dan moet je zeggen dat ie die zoen van míj krijgt. Van Annie... een dikke zoen. Dat vindt ie leuk.”
Ik grinnik terug. “Een zoen van Annie. Dat zal ik doen.”
Ze zegt het nog een keer. Nadrukkelijk.

Dan zegt ze: “het is een zoen van mij, van Annie, maar jíj moet em geven. Op z’n wang. En weet je, ik ben wel oud en lelijk, maar...” ze lacht triomfantelijk “Dat ziet ie dan tóch niet!”
Oud en lelijk.
Annie is inderdaad geen bloeiende schoonheid. Haar gezicht is grauw; haar grijze haren hangen dun en stijl naar beneden. Maar haar felle, blauwe ogen vind ik mooi.
Ik vertel het haar.
“Dat zeggen ze allemaal”, zegt ze, “echt waar.”
Ze buigt zich over de tafel naar  me toe.

“Jij hebt ook mooie ogen.”
Ze pakt mijn hand.
“Niet vergeten hè, een zoen van Annie.”

Mijn vader heeft zijn pap op. Hij heeft niets gezegd, maar wel geluisterd.
“Nu was ze aardig, maar ze kan ook wel eens heel boos zijn en schreeuwen”, zegt hij later, als we op zijn kamer een zakdoek halen.
Als we naar de lift gaan, zie ik Annie in de gang zitten. Ze pakt een meisje in een witte jas bij haar arm. Ik hoor van  ver haar harde stem:
“Weet je, je hebt mooie ogen.”

vrijdag 25 januari 2013

Werken in de zorg: “Die inspectie kan de pot op.”

“Het is hier een saaie boel”, zegt mijn vader als ik vraag hoe het is. Het is lunchtijd en hij zit aan tafel in de huiskamer van zijn afdeling. Hij heeft gelijk. Eén van de twee vrouwen die ook aan tafel zitten, slaapt. De andere staart wezenloos naar buiten.
“Dan neem ik je lekker mee naar beneden”, zeg ik. “In het restaurant slapen ze niet.” “Dat is goed.”
Maar hij moet wel eerst even naar de w.c.
Ik kijk zoekend rond naar iemand die hem kan helpen. Omdat ie zo slecht kan lopen en staan, is dat een hele klus. In de huiskamer is alleen B., die het druk heeft met de lunch.
Ik vertel haar dat we iemand zoeken voor hulp bij het toiletbezoek. Ze aarzelt even, zet dan haar karretje opzij en zegt:
“Er is niemand anders... ik mág het niet, tegelijk de lunch doen én iemand naar het toilet helpen. Maar ik doe het gewoon. Die inspectie kan de pot op. Je kan toch niet tegen iemand zeggen: ‘wacht maar een uurtje’.
Terwijl ze van verderop een tillift pakt, praat ze door:
“Trouwens, als je zelf onder het eten naar de w.c. moet, ga je toch ook. Het hóórt niet, maar je doet het wel.”
Ze verdwijnt met de tillift én de rolstoel met pa in een invalidentoilet. Gedempt hoor ik haar aanwijzingen. “Nu even uw voeten zó neerzetten ... houdt u zich goed vast.”
Even later loopt ze terug naar de huiskamer, langs de groene bank, waar een iel mevrouwtje zit. Voor haar op een rollatorplankje staat een bord vol kleine stukjes brood met jam.
“Mevrouw P., eet u uw brood op? Anders wordt u nooit dik!”
“Wat zeg je?” roept het kleine mevrouwtje met een harde stem. B. gaat naast haar op de bank zitten.
“Effe lekker je boterham opeten, Annie”, zegt ze zachtjes in haar oor en houdt haar een vork voor met een blokje jambrood. Annie hapt braaf en B. is alweer opgeveerd om de huiskamer in te lopen.
“Doe je het verder zelf?” vraagt ze achterom. In één adem vervolgt ze tegen een andere mevrouw:
“Zó, goed gegeten hoor! Twee boterhammen en een kop thee op!”
In het voorbijgaan draait ze een tuitbeker dicht, constateert hardop dat mevrouw X nog koffie heeft en vraagt mevrouw K. Of ze nog een kopje thee wil.
“Je moet niet in die beker knijpen hè”, zegt ze opzij tegen J. met z’n tuitbeker.
“Dan krijg je de melk over je heen.”
Met een stapel vuile bordjes komt B. de kamer uit.
“Meneer A., bent u klaar?” roept ze naar het invalidentoilet. Voordat ze naar hem toe gaat, stopt ze nog een hapje brood in de mond van mevrouw P.
“Je ging toch zelf eten? Of was dat een grapje?”
Een kleine, kromgebogen man sloft door de gang langs B.
“Ha die Nol”, zegt ze tegen hem. “Je melk staat nog op tafel in de kamer.”
Prompt past hij zijn langzame route aan, sloft naar binnen en trekt onhandig een stoel naar achteren om te gaan zitten. Intussen is B. in het toilet verdwenen. Een paar minuten later komt ze te voorschijn met de tillift en dan met pa in z’n rolstoel. Met een brede glimlach draagt ze hem aan mij over. “Je wilt zeker z’n pilletjes mee.” Ze verdwijnt weer achter een deur om terug te komen met een medicijn-zakje.
“Geniet er maar van”, zegt ze tegen mijn vader. En hup, ze is weer naar de huiskamer terug.
Ik pak de rolstoel en zie dat er gelukkig twee collega’s bijgekomen zijn om te helpen. Want voor bewoners mag het in de huiskamer een saaie boel zijn, voor het personeel is er vanalles te doen.

vrijdag 18 januari 2013

Een stolp waar de tijd langzamer gaat

“Geef mij maar Amsterdam, dat is mooier dan Parijs”.
Mijn vader zit onbewogen tussen de meedeinende en –zingende vrouwen in de muziekzaal. Hij ziet me pas als ik m’n hand op zijn schouder leg. “Hoi pap.”
Ik trek een stoel bij en ga naast hem zitten.
“Ik moest even zoeken, want je zit verstopt achter die dikke pilaar.”
“Wat?”
Hij draait zijn oor naar me toe. “Zit je achter een pilaar?”
Iemand biedt me een kop koffie aan.
“Geef mij maar Amsterdahaaaaaam”. Het lied is afgelopen. Ik herhaal mijn zin over de pilaar. “Maar ik heb je toch gevonden hè”, voeg ik toe. De muziek zet weer in: “M’n wiegie was een stijfselkissie”... een vrouw in een rolstoel met een uitbundig geblondeerde paardenstaart zingt voluit mee.
“M’n deken was een baaienrok. Het kissie was versierd met strikkies, m’n warme kruik zat in een ouwe sok”
Ik kijk naar haar terwijl ik m’n koffie opdrink. Dan buig ik me naar m’n vader.
“Wil je hier blijven of zullen we naar boven gaan?” Het wordt het tweede. Dacht ik wel; hij houdt niet zo van “De Jordoan”.

Ook op zijn stille kamer verstaat hij me slecht. Ik zie dat iemand zijn hoorapparaatjes bij hem heeft ingedaan en zeg dat hardop.
“Wie heeft dat dan gedaan?” vraagt ie verbaasd. “Dat moeten ze me toch eerst vragen?”
Tja, dat weet ik ook niet. Wat ik wel weet is dat het geen steek helpt. Zonder de apparaatjes hoort hij beter. Voorzichtig haal ik ze uit zijn oren.
“Zo”, ik ga tegenover hem zitten. “Hoe gaat het?”
“Wat bedoel je?”
“Hoe is het met je gezondheid?”
Hij moet even nadenken. “Niet slechter dan anders..... ze zijn alleen nu weer bezig met ..... iets voor m’n benen.....”
Ik vraag of hij daar pijn aan heeft. Hij schudt z’n hoofd en zoekt naar woorden. “Dan moet ik met zo’n .... “ Een lange stilte... “hoe zeg je dat?”
Ik wacht af en zie zijn ogen dicht zakken.
“Ben je moe?” Hij schrikt op. Een betrapt lachje: “Het lijkt wel ja.”
Dan kijkt hij me ineens alert aan. “Hoe heb je me hier eigenlijk kunnen vinden? Het is toch eigenlijk toevallig dat ik hier ben.”

Ik rommel wat rond in zijn kamer. Hang een kaart op, ruim de kerststukjes op en zoek een schone zakdoek voor hem. Intussen voeren we een traag gesprek. Na een tijdje gaan we naar het restaurant beneden om te lunchen. Bijna drie kwartier doet hij over een halve krentenbol. Z’n nieuwe gebit zit niet zo lekker. We zitten voor het raam. Buiten lopen haastige mensen voorbij, pikken eksters in de sneeuw naar iets eetbaars, gooien automobilisten geld in een parkeerautomaat. Wij zitten in een stolp waar de tijd langzamer gaat.

Een paar uur later breng ik mijn vader terug naar zijn afdeling. Ik parkeer zijn rolstoel voor het raam in de gang. Daarvandaan kan hij me zien als ik door de hoofdingang naar buiten ga en naar hem zwaai. Het is een ritueel. Als ik mijn jas wil aantrekken zegt hij dat ie naar de w.c. moet. We rollen naar de balie en ik vraag zijn favoriete verpleger of die hem wil helpen. Dat gaat met een tillift en het is een hele operatie.
“Ik wacht niet op je pap, want dan mis ik net m’n trein”.
Ik geef hem een zoen. “Tot volgende week.”
“Volgende week?”
De verpleger lacht. “Zometeen krijgt ie een advocaatje, o nee, cassis, dat vindt ie lekkerder.” Hij neemt de rolstoel van me over.
Ik steek m’n hand op en loop de lange gang door. Op weg naar de gewone wereld buiten.

vrijdag 30 november 2012

Een droom voor mijn vader

Hij wordt wakker.
Vandaag staat zin favoriete zuster klaar om hem te helpen bij het opstaan, wassen en aankleden. Ze heeft zachte handen die hem geen pijn doen als ze zijn stramme armen in de mouwen van een trui duwt.
Als hij geschoren en wel in zijn rolstoel zit, gaan ze niet, zoals anders, naar de eetkamer.
Ze legt een hand op zijn schouder en zegt:
“Ik heb besloten dat het allemaal anders moet.”
Verwachtingsvol kijkt mijn oude vader haar aan en ze gaat verder:
“Ik vind het hier niks, met al die vieze, oude wijven die in hun neus peuteren, en die nare, oude mannetjes met al hun bijbedoelingen...”
Ze doet de kast op en en haalt zijn winterjas van het haakje. Ze legt een sjaal om zijn nek en haalt voorzichtig de linkermouw over z’n pijnlijke hand. De rechter gaat makkelijk aan.
Terwijl ze de rits dicht trekt, zegt ze vastbesloten:
“U bent een nette man met een eigen huis. Wat denkt u ervan om daar weer te gaan wonen? Dan ga ik mee om u te verzorgen. Ik vraag alleen een kamer voor mezelf en één dag in de week vrij. Dan kunnen uw kinderen het wel even overnemen.”
Zonder op het antwoord te wachten, begint ze de rolstoel naar de lift te duwen. Samen zweven ze naar beneden, waar haar rolstoelbusje staat. Ze zet zijn stoel veilig vast en daar gaan ze. Een nieuw leven tegemoet.

Dat is de droom van mijn vader.
Het is zijn enige wens en ik kan het hem niet geven.
In plaats daarvan breng ik een pakje nieuwe zakdoeken voor hem mee. We gaan koffie drinken in het restaurant en doen met de rolstoel een rondje winkelcentrum.
Hij is niet vrolijk. Vandaag is de onmogelijke droom sterker dan de werkelijkheid van mijn bezoek. Maar volgende week kom ik weer. Misschien kan ik het dan weer winnen.

vrijdag 26 oktober 2012

Soms kun je beter even de andere kant op kijken

“Hoe was de gespreksgroep vandaag?”
De eerste keren was pa enthousiast, maar nu begint hij zich te storen aan de anderen. Sommigen doen lacherig over serieuze zaken. Of voeren te veel het woord. Het is een bekend stramien. Mijn vader stoort zich aan van alles en nog wat van de mensen om hem heen. De een praat te hard, de ander is te stil, de derde kijkt te hooghartig en de volgende is gewoon niet aardig. Bijna iedereen wordt afgeserveerd wegens onhebbelijke gewoontes.
Jammer.
We gaan naar beneden voor een kop koffie.
Een tijd zitten we te zwijgen aan het kale tafeltje in het restaurant. Mijn vader zucht. “Ik word tegengehouden als ik een andere woonvorm wil.” Hij bedoelt wonen in zijn eigen huis, weet ik. Ik vertel hem dat dat niet meer gaat: hij wéét toch wel dat hij te veel hulp nodig heeft om op zichzelf te wonen...
Hij is even stil.
“Ik zou aan D. willen vragen”, zegt hij dan, “om me naar Zunderdorp te rijden... en me dan achter de brug uit de auto te gooien...”
Verdrietig constateren we dat zoiets natuurlijk geen optie is. “Je moet het hiermee doen, pap”, zeg ik, “je kunt er alleen maar het beste van maken.” En ik probeer hem ervan te overtuigen dat zijn negatieve houding het er niet prettiger op maakt.
“Maar als er iemand naast je aan tafel steeds met haar vinger in d’r neus zit...”
“Dan kijk je toch de andere kant op”, zeg ik.
“En een ander haalt na iedere hap iets uit z’n mond en smeert dat af aan een servetje”, hij doet met een vies gezicht voor hoe dat gaat. Het is niet de eerste keer dat we dit gesprek voeren. Het loopt dood. Ik sta op om een tweede kop koffie te halen.
We hebben het over andere dingen; ik vertel wat over thuis. Terwijl ik praat, trekt m’n vader met zijn mond. “er zit wat tussen m’n tanden”. Zijn hand gaat naar zijn mond, maar stopt halverwege.
“Ik kijk wel even de andere kant op terwijl jij in je mond gaat zitten peuteren”, zeg ik uitgestreken.
Er begint een voorzichtig glimlachje op z’n gezicht en als ik in de lach schiet en voorzichtig tegen zijn schouder duw, lacht hij mee.
Een echte lach.
Mijn bezoek vandaag is niet voor niets.

vrijdag 28 september 2012

As je d’r niks an vindt, dan doe je’m gewoon uit.

In de huiskamer van het verzorgingshuis zit mijn vader bij de gespreksgroep. Zes bewoners en twee begeleiders. Ik ben vroeg en mag er bij komen zitten. Het thema van vandaag is muziek. “Heeft u vroeger veel gezongen?” vraagt de gespreksleider; “Meneer A?” Mijn vader glimlacht scheef: “Dat dorst ik niet”, zegt hij. En als er doorgevraagd wordt, vertelt ie dat hij wél van fanfaremuziek houdt. Als jongen speelde hij trombone in de fanfare.
Om de beurt vertellen de bewoners iets over zingen. “Wij waren thuis met zo veel kinderen, dat kon niet voor de buren hoor, als we allemaal gingen zingen”, vertelt meneer B. “Als er niemand in de buurt is, dan neurie ik wel eens wat.” Luisteren naar muziek vinden ze allemaal fijn.
Na een tijdje vertelt de gespreksleider dat hij iets heeft meegenomen: het is een grote, ouderwetse radio die hij op tafel zet. Er is herkenning, en de meesten hebben vroeger wel naar de radio geluisterd. “Klassieke muziek”, zegt meneer B. “Daar hield m’n moeder van. Maar om 1 uur begon het voetballen en dan moest m’n vader luisteren.” “Wij hadden helemaal geen radio”, zegt mevrouw S., terwijl volgens haar buurvrouw bij hààr thuis de radio altijd aan stond, “gezellig.”
“D’r sat so’n ronde knop aan, voor harder en zachter, en nog een ronde knop voor aan en uit. Nou, en as je d’r niks an vindt, dan doe je hem gewoon uit hè. So simpel is dat!” zegt de man naast m’n vader met een zwaar Amsterdams accent. Dan komt de gespreksleider met een volgende troef. De radio kan aan! Via een slimme verbinding kan hij de oude kast met een i-pod programmeren en hij laat er ‘De glimlach van een kind’ uit komen. Er komt weinig reactie. “Deze muziek hoort niet echt bij die radio hè”, zegt hij. “Dat was er toen nog niet. En wat vinden jullie dan van déze muziek?” Er volgt een popliedje van een hijgerige zangeres. De gezichten betrekken.
“U vindt het niks hè”, zegt de gespreksleider tegen mevrouw S. Ze schudt haar hoofd en hij vraagt of ze misschien kan vertellen waarom ze het niet mooi vindt. “Dat gegil hoeft voor mij niet,” zegt ze. “Het lijkt wel of ze geen adem kan krijgen”, vult haar buurvrouw aan. Maar meneer B. vindt het wél mooi. “Ik heb daar bewondering voor”, zegt hij, “IK kan niet zingen.” Hij vertelt dat hij vooral van opera houdt. Zijn moeder luisterde daar vroeger veel naar. Even later komt er een stukje ‘Carmen’ uit de radio. De meesten vinden dit ook gegil. Maar mevrouw S. geniet ervan. Bij een stukje Zuid-Amerikaanse carnavalsmuziek wordt geglimlacht. “Vrolijke muziek”, vinden een paar mensen, maar mijn vader schudt zijn hoofd. “Het is me te wild. Dat hoeft voor mij niet.”
Bij elke soort muziek vraagt de gespreksleider naar reacties en vaak komt er een opmerking over vroeger. “Elke tijd heeft z’n eigen muziek”, zegt iemand, en een ander heeft wel eens gehoord dat het uitmaakt waar je als heel klein kind veel naar luistert.
Het is leuk om deze mensen te horen praten, al is het meer een verzameling monologen dan een gesprek. Ze genieten er allemaal van, dat kun je zien.
Om kwart voor 12 lopen er voor het raam zusters met etenskarren voorbij en moet het gesprek afgerond worden. De radio wordt weer opgeborgen en langzaam staan mensen op en gaan de deur uit. Mijn vader blijft zitten in zijn rolstoel en ik vraag of hij mee gaat naar het restaurant. “Natuurlijk” zegt hij en als we daar zijn, vertelt hij over de fanfare, waar hij vroeger muziek maakte. Deze keer is het niet het verhaal dat ik ken, over zijn christelijke moeder die hem verbood om op zondag bij de fanfare te spelen. Vandaag vertelt hij me voor het eerst hoe leuk hij muziek maken eigenlijk vond.

vrijdag 21 september 2012

Zwarte zusters

“Pa”, staat er als onderwerp boven de mail van m’n broer en ik voel een lichte ongerustheid als ik hem open. Er zijn toestanden met pa, meldt de mail; hij belde deze week te pas en te onpas om te klagen. Hij was pas om half 1 door de nachtdienst naar bed gebracht; ze lieten hem niet plassen voor het slapen gaan; hij zat in de huiskamer met de vervelendste huisgenoten. Hij wilde zo niet verder... Ik bel mijn broer en zeg dat ik met de verzorging zal praten. En met pa.
Vrijdagmorgen zet ik me schrap voor een zware dag. Om elf uur loop ik door de gang van het verpleeghuis en ik zie hem al in de huiskamer zitten. Vorige week begon hij meteen te mopperen dat ze hem alleen aan tafel lieten zitten. Nu zegt hij niet zo veel. Als ik vraag of hij mee naar het restaurant wil om koffie te drinken knikt hij. “Ja! Want hier is het toch niks.”
Dan begint hij alsnog te klagen. Hij wordt hier gecommandeerd en ze laten hem maar praten en luisteren niet naar wat hij wil. Bij een kop koffie probeer ik er achter te komen wat hem dwars zit, want tot vorige week was hij niet zo boos en ongelukkig. “Dat Bouterse-gedoe, daar hou ik niet van”, zegt hij. Ik tel zwijgend tot tien en vraag of hij ruzie heeft met zwarte zusters? “Eentje maar”, antwoordt hij en omdat hij weet hoe weinig ik van z’n racistische opmerkingen moet hebben, probeert hij onbeholpen te nuanceren. “Ze moeten me niet commanderen. Ik weet wel dat wij het vroeger bij hun ook gedaan hebben, maar we leven hier in een vrij land...”
Wij en hun.
Ik vraag of er ook aardige zwarte zusters zijn en die zijn er. Geduldig vraag ik naar al zijn klachten en dan gaan we naar boven, waar ik zijn afdelingscoördinator R. opzoek en om een gesprek vraag. Even later zitten we bij elkaar. We nemen het lijstje door van ergernissen en grieven, bedenken oplossingen en krijgen uitgelegd waarom sommige dingen gaan zoals ze gaan.
Het is een goed gesprek, waarin mijn vader serieus genoemen wordt en dat is waarschijnlijk ook waar alles om draait. Als we uitgepraat zijn, ziet hij er wat tevredener uit. Voordat we weer naar beneden gaan om te lunchen geeft R. mij een hand. Tegen pa zegt ze: “Ik heb alles genoteerd meneer A. Gaat u nu lekker met uw dochter naar het restaurant?” Even legt ze een pikzwarte arm om zijn schouder en terwijl ik zijn rolstoel de gang in duw, lacht hij vriendelijk tegen haar.

zondag 15 april 2012

Afspraak is afspraak

“Ik zou ze het liefst allemaal uit het raam gooien”, is het eerste wat mijn vader zegt als ik binnen kom. Hij zit in z’n eentje in de eetkamer en hij is nijdig.
“Wat is er dan aan de hand?” vraag ik, en er komt een verhaal over een afspraak bij de kapper. Gistermiddag was dat, en toen hij er aankwam, werd hij weer weggestuurd omdat ze het te druk hadden. “Er zijn van die mensen”, zegt hij boos, “die altijd overal voorrang krijgen! En míj sturen ze weg. Nou, als ze de volgende keer een afspraak maken, laat ik ze ook barsten!”
Hij raast nog even door, maar als ik dan vraag of hij mee wil naar het restaurant omdat ik zo’n zin in koffie heb, bromt ie “Natuurlijk. Als jij koffie wilt.”
We praten over andere dingen en het kapper-incident lijkt vergeten. Maar als we ’s middags op zijn kamer zitten, komt een zuster zeggen dat hij nú naar de kapper kan. Als het uitkomt, met het bezoek.. Ze kijkt naar mij.
Mijn vader schiet meteen weer terug in zijn boosheid. “En als ik daar kom, ben ik dan ook echt aan de beurt of sturen ze me dan weer weg, net als gisteren”, zegt hij een beetje vijandig. “Nee, u wordt echt niet weggestuurd. Ze hebben nu een plekje voor u. Zal ik een rolstoel halen?” Ze is al weg om het te doen.
Hij laat zich in de rolstoel helpen terwijl hij nog een beetje doormoppert. De zuster legt me uit waar de kapper is en ik rij m’n vader naar de lift. Op de tweede etage lopen we door de lange gang en zien een andere man in een rolstoel bij de kapper naar binnen rijden. “Daar zal je het hebben”, zegt pa, “die man vindt zichzelf zo belangrijk. Ik zie hem wel vaker. Ik mag die man niet. Hij zal zich er wel weer tussen dringen.” Maar nog voordat we bij de deur zijn, heeft de kapster de man uitgelegd dat hij moet wachten omdat er nog iemand voor hem komt.
“U was boos hè, gisteren”, zegt ze als ik mijn vader naar binnen rij. “Dat is ook vervelend, als een afspraak niet doorgaat. Maar ja, we hadden het zó druk, en het liep uit...”
Intussen heeft ze de kapperstoel opzij gezet zodat de rolstoel voor de spiegel kan staan. Ze begint z’n haar te kammen en vraagt: “Heeft u iets gebroken?”
“Ik heb m’n heup gebroken. Maar kun je dat aan m’n hoofd zien?” reageert hij verbaasd.
Ze lacht. “Nee, maar u zit in een rolstoel!”
Dan vertelt ze iets over de straat waar ze woont in Amsterdam Noord. Ineens gaat het gesprek over Zunderdorp. Daar had de kapster vroeger een vriendin, vertelt ze. Ze beschrijft de plek waar de vriendin woonde en probeert zich haar naam te herinneren.
Mijn vader oppert namen en vertelt hoe de straten van het dorp heten.
“Hoe weet u zo veel over Zunderdorp?” vraagt de kapster hem.
“Nou”, zegt hij plechtig, “daar ben ik geboren.”
“En hij heeft er zo’n jaartje of negentig gewoond”, vul ik aan.
“Wat een prachtige plek om te wonen!” roept de kapster.
Een kwartiertje later is hij netjes geknipt en voordat we weer naar de lift rijden, neemt hij hartelijk afscheid van de kapster. Zijn boosheid is verdwenen, als sneeuw voor de zon.

woensdag 15 februari 2012

Gevangen

Daar zitten we weer om de tafel.
Met de dokter en de afdelingscoördinator bespreken we de toestand van mijn vader. Hij zit erbij maar doet niet mee.
Het gaat niet goed. Pa is verward en achterdochtig. Hij voelt zich hier gevangen. Om weer naar z’n eigen huis te kunnen, moet hij beter lopen, zelf naar de w.c. kunnen, enig benul hebben van dag en uur.
Maar hij is verward en doet niets zonder opdracht.
Behalve mopperen en schelden: de wereld is tegen hem. Ze behandelen hem schandalig. Nemen hem ’s nachts mee naar een betonnen bunker waar hij moet slapen. Ze hebben hem opgepakt en in een gevangenis gestopt. Ze zijn op z’n huis uit...
Tijdens het gesprek zit hij stil in zijn rolstoel. Hij kijkt wezenloos voor zich uit en schrikt alleen op als iemand hem direct aanspreekt.
Ik voel me ongemakkelijk als we over pa praten alsof hij er niet bij is, maar daarvoor zijn we tenslotte hier. Om een oplossing te bedenken. Voor een opstandige, oude man die het zichzelf en z’n omgeving moeilijk maakt.
Naar huis kan hij zo niet. Maar hier in het verpleeghuis is hij zó misplaatst. Als een gewonde vogel die je in een doos houdt omdat z’n vleugels kapot zijn. Maar hij probeert tóch steeds weg te vliegen omdat hij het niet begrijpt.
Als ik weg ga zit hij in de gang, want hij heeft een hekel aan zijn kamer.
“Dag pap”, zeg ik, “tot volgende week”.
“Als ik hier dan nog ben”, bromt hij.
Ik loop naar de lift en zwaai nog een keer.
Gewonde vogels horen niet in een doos. Maar wie kan het over z’n hart verkrijgen om ze buiten te zetten, waar de katten loeren?

vrijdag 20 januari 2012

Ouderwets vakmanschap


Midden in de kamer staan twee vers geschilderde open kastjes met planken. H. heeft ze gemaakt voor onze dochter, die in haar nieuwe huis niet zo veel bergruimte heeft. Als je goed kijkt, zie je dat er één een tikkeltje scheef is. Maar ze zijn met veel liefde en plezier gemaaktFronsend duwt H. tegen het scheve kastje. “Het lijkt simpel”, zegt hij, “maar het is toch moeilijker dan je denkt om alles precies recht te krijgen.” Ik weet het. Toen dezelfde dochter klein was, heb ik voor haar een kinderstoel gemaakt, die aanzienlijk schever was dan dit werkstuk. Gelukkig was ze toen nog niet zo kritisch, en stevig was de stoel wel.
Terwijl ik toekijk hoe H. de laatste symbolische handelingen verricht met een schuurpapiertje en een klein kwastje, denk ik aan mijn vader. Maar goed dat hij de amateur niet bezig ziet. In zijn jonge jaren is hij timmerman geweest, en in de tijd van de kinderstoel heeft hij een paar mooie dingen gemaakt voor z’n kleindochter. Dat ik die stoel zelf wilde maken was pure eigenwijsheid en wat hij daar ooit van gevonden heeft, ben ik vergeten. Waarschijnlijk heb ik het verdrongen, want ik weet wat hij vindt van vrouwen met een hamer.
Een miniatuur kast voor barbiekleren en een tweepersoons barbiebed staan boven in een kast op de vroegere kamer van E. Toen ze zestien was, wilde ze die kinderachtige spulletjes wegdoen, maar dat vond ik niet goed. Nu opa in het verpleeghuis op een tweede nieuwe heup wacht, en niet zo veel meer kan, zijn die barbiemeubels kostbaar geworden. Met het zorgvuldig gemaakte beslag en de perfect passende laadjes is zo’n kast een voorbeeld van ouderwets vakmanschap.
Misschien wil ze hem nog wel eens terug om ergens neer te zetten.
Maar nu heeft ze meer behoefte aan de praktische kastjes van haar vader. Binnenkort gaan we ze brengen, met liefde en plezier.

woensdag 17 augustus 2011

Stamvader

We hebben kadootjes gekocht en een paar boodschappen gedaan. Morgen vroeg vertrekken we voor een paar dagen naar kennissen in Brussel. Ik bedenk welk boek ik zal meenemen voor onderweg als de telefoon gaat. Mijn zwager:
“Eh… ik zal maar met de deur in huis vallen…Pa is overleden.”
Het is niet helemaal onverwacht. Hij is al een tijd langzaam aan het uitdoven en in de familie zijn al afspraken gemaakt over taken en verantwoordelijkheden. Nu is het zover. Ik loop naar de keuken waar H. het laatste bord afdroogt.
“Pa? Is hij dood?” doet zijn mond. Ik geef hem de telefoon en zie hem het nieuws rustig aanhoren.
De plannen veranderen dus. Ik bel Brussel af en we halen oude foto’s te voorschijn. H. kruipt achter de computer en begint aan een verhaal over zijn vader. Ik zoek naar hem in onze fotoboeken: trotse opa met z’n pasgeboren kleinkind; handige pa in z’n schildersoverall op een ladder. Het wordt een weemoedige avond.

Een kleine week later is de begrafenis.
De kerk is vol. Vijf zonen had hij. Dertien kleinkinderen en twintig achterkleinkinderen. Iedereen is er, op één kleinzoon na. Maar ook hij is nog met z’n gezin afscheid komen nemen, net voor ze op vakantie gingen.
En er is nog meer familie, er zijn vrienden en kennissen. Pa was geliefd.
De dominee herkent in de lieve, zachtmoedige man een instrument van God. Maar de verhalen van zijn oudste en jongste zoon laten een levendige herinnering door de kerk zweven aan een man die van jongs af aan hard werkte, die weinig nodig had, veel gaf en verliefd werd op een meisje in een rood jurkje: ma.
Kleinkinderen schilderen een leuke, lieve opa die een belangrijke rol speelde in hun leven.
Van de kerk naar de begraafplaats loopt de lange stoet mensen achter de stapvoets rijdende auto met de kist. Zoons en kleinzoons dragen hem het laatste stukje naar het graf.
De zon schijnt. De bloemen zijn kleurig, want daar hield pa zo van. Achterkleinkinderen huppelen om de kist heen, kleinkinderen pinken een traan weg.
Na een laatste zegen van de dominee gooit iedereen een roos op de kist. Daar ligt hij. Bedolven onder de bloemen. In hetzelfde graf als zijn vrouw, naast zwager en schoonzus. Een familiereünie.
De levende familie keert terug naar het kerkgebouw voor koffie. Als je goed kijkt, zie je hem hier en daar terug. Een kin, een lach, een gebaar, een eigenschap. We hebben hem begraven maar hij is nog lang niet verdwenen.

zondag 22 mei 2011

Niet veel toekomst

Het oude mobieltje van H. maakt een kwaakgeluid als er gebeld wordt. Een beetje gegeneerd neem ik op, maar in de bus naar Amsterdam-Noord kijkt niemand op of om. Het is mijn dochter: “Opa heeft gebeld om te vragen waar je bleef.”
Op de vrijdagen dat ik hem bezoek neem ik altijd dezelfde trein en ben dan om een uur of 11 bij de bushalte vanwaar ik nog anderhalve kilometer moet lopen. Dan bel ik dat ik eraan kom. Nu ook, want vijf minuten na het kwaaktelefoontje stap ik uit de bus.
Mijn vader loopt zich al een uur af te vragen waar ik blijf. Hij raakt een beetje verdwaald in de tijd, maar dat ik vandaag kom, weet hij dus wel. Als ik binnenkom is de koffie klaar en ik vind in de kast een pakje boterkoekpunten.
“Wil je ook boterkoek pa?” Ik hou hem een punt voor.
“Notenkoek?” Alles wat ik zeg moet één of twee keer herhaald worden. Maar als ik hem vraag naar dingen van vroeger is dat ineens over. Hij vertelt over de tijd dat ik nog een kind was en hij een jonge vader. Maar soms is ie per ongeluk een generatie verder terug en denkt dat ik ouders van mijn vroegere klasgenoten nog wel moet kennen van school.
We lopen naar het kerkhof aan het eind van de straat en terug en dan is hij moe. Voorzichtig laat hij zich zakken in het tuinstoeltje dat ik voor hem uit de schuur haal. Ik hou het vast, bang dat hij met stoeltje en al kapseist, maar als hij eenmaal zit durf ik het gras wel even te gaan maaien. Hij zit met z’n ogen dicht maar slaapt niet.
Als ik bij hem kom zitten zucht hij: “Ach, er zit niet veel toekomst meer in.” Dat is een waar woord voor een bijna negentigjarige. Wat zal ik zeggen. De moeder van mijn collega is vorige week honderd geworden, bedenk ik, maar ik geloof niet dat hij van die informatie erg blij zal worden.
Ik vraag hem dus maar naar het verleden, want daar heeft hij een heleboel van. En ik vertel hem over zijn kleinkinderen, die nog wel een hele toekomst voor zich hebben. Dan loopt hij mee naar de bushalte. “Over twee weken kom ik weer, pa.” Zeg ik. Veel is het niet, maar hopelijk toch weer een klein beetje toekomst voor hem om naar uit te zien.

vrijdag 11 maart 2011

Bezoek

“Heb je geen bezoekers meegebracht?” vraagt mijn vader als ik binnenkom. “Nee”, zeg ik verbaasd. “Ik kom toch altijd alleen?” Hij mompelt iets vaags over mensen die komen praten en gooit intussen een schep koffie naast het filterzakje.
Terwijl we samen verder koffie zetten, vertelt hij dat er gebeld is door de thuiszorg en dat ze straks komen. Om één uur.
Dat is het nog lang niet. We drinken vast een kop koffie en kijken de post door. Als ik vraag of hij nog een kop koffie lust, zegt hij: “Ja, lekker. Ik heb nog geen koffie op vandaag.”
Dan begint hij over mijn moeder. Vanmorgen zag hij haar weer. Alsof ze echt in de kamer zat. Maar antwoord geven doet ze niet. Zodra hij haar iets vraagt, is ze verdwenen.
“Waarom zegt ze nooit iets tegen me”, klaagt hij. Ik beaam dat dat jammer is en vraag hoe het zit met dat thuiszorg-bezoek. “Weet je zeker dat ze vandaag komen?” Hij weet het niet zeker. “Eerst zeiden ze maandag..” aarzelt hij. Maar hij blijft onrustig naar buiten kijken of er al iemand komt.
Ik bel op. Er blijkt een afspraak te zijn voor een telefonisch evaluatiegesprekje. Maandag, om één uur. Ik schrijf het voor hem op.
’s Middags eet hij met lange tanden. Het smaakt hem niet. Even naar buiten wil hij wel; het is zonnig. Na het blokje om blijft hij nog even voor het huis in de zon staan. Pas als ik voor hem uit loop, komt hij weer wankel op gang.
In de keuken staan de borden nog van het middageten. “Ga maar lekker zitten”, zet ik, “dat afwasje doe ík wel.” “Welnee, ik help je wel even”, zegt hij, maar als hij z’n jas uit heeft, zakt ie op zijn makkelijke stoel in slaap. Ik was de borden en ga bij hem zitten.
Na een half uurtje maak ik hem voorzichtig wakker. We proberen een gesprek, maar hij kan de woorden niet goed vinden. Het heeft iets te maken met mensen in de kamer, die elke dag komen, terwijl hij weet dat ze er niet zijn. Of ze bedreigend zijn, vraag ik, maar dat is niet zo. Het maakt hem alleen zo rusteloos.
Om vier uur loopt hij mee naar de bushalte. De bus komt meteen en ik geef hem een afscheidszoen. “Dag pap. Hou je taai. Ik bel als ik thuis ben.”
De bus trekt op en ik kijk door het achterraam. Daar staat hij, leunend op zijn stok. Net voor we de bocht om gaan zie ik dat hij zich langzaam omdraait om terug te lopen naar huis.

Wonderlijk dat iets tegelijk sappig én droog kan zijn

Zondagmorgen. We zijn laat opgestaan, maar omdat de tijd vannacht een uur terug is geschoven, zitten we toch nog voor tien uur aan het ontbi...